Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP5054

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
16.601135-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag door tegen het hoofd slaan met een kapote glazen bierpul. Getuigen betrouwbaar.

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.601135-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats]

thans verblijvende te PI Midden Holland, vestiging Haarlem

raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 24 tot en met 25 februari 2010 te Mittelberg (Oostenrijk) heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, dan wel aan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] en de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. De officier van justitie voert aan dat verdachte, door met een kapotte glazen bierpul tegen de zijkant van het hoofd (dichtbij de slaap en de nek) van aangever te slaan, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever hierdoor zou komen te overlijden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt de rechtbank verdachte dan ook vrij te spreken. De verdediging voert daartoe aan dat het in het strafdossier aanwezige bewijs niet overtuigend is, nu het strafrechtelijk onderzoek zeer eenzijdig is. Verdachte is slechts één keer gehoord en als getuigen zijn alleen de vrienden van aangever gehoord (welke verklaringen tevens op belangrijke punten niet met elkaar overeen komen). Voorts is de herkenning van verdachte niet betrouwbaar. Aangever heeft verdachte opgezocht op www.hyves.nl en zijn vrienden (getuigen) daarmee geconfronteerd. Dat verdachte door iedereen wordt herkend lijkt dan ook een logisch gevolg.

De verdediging voert subsidiair aan dat de ten laste gelegde feitelijkheden niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood opleveren, maar eerder zware mishandeling.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de periode van 24 februari 2010 tot en met 25 februari te Mittelberg (Oostenrijk) met kracht met een kapotte bierpul op de rechterzijde van zijn hoofd is geslagen. Aangever voelde een flinke klap tegen de rechterkant van zijn hoofd, direct na de klap keek hij om en zag hij een man staan, die met grote verschrikte ogen naar hem keek en een kapotte bierpul in zijn handen had. Het bloed spoot uit aangever zijn hoofd. Later bleek dat aangever een snijwond in en nabij zijn rechteroor had. Aangever heeft voorts verklaard dat hij nadien van een ander had gehoord dat degene die hem zou hebben geslagen [verdachte] zou heten, dat hij ongeveer 24 jaar oud zou zijn en dat hij in Utrecht zou wonen. Toen aangever op 26 februari 2010 weer thuis was heeft hij op www.hyves.nl gezocht naar de vermoedelijke dader. Hij vond verdachte en herkende hem voor 100% als degene die hem had geslagen. Aangever heeft zijn verklaring bij de rechter-commissaris bevestigd en aangevuld dat de bierpul van glas was.

De verklaring van aangever wordt ondersteund door getuige [getuige 2], die heeft verklaard dat hij zag dat een man met een kapotte bierpul in de richting van aangever sloeg en dat hij zag dat hierna bloed uit het hoofd van aangever spoot. Nadien hoorde hij van een ander dat die man [verdachte] zou heten. Twee dagen na het gebeuren is door de politie aan [getuige 2] een foto getoond van een jongeman. [getuige 2] herkende hierop de verdachte voor 100% als zijnde degene die aangever had geslagen. Getuige heeft zijn verklaring bij de rechter-commissaris bevestigd.

Verdachte, Nederlander, heeft ter terechtzitting van 3 februari 2010 bekend dat hij ruzie had met aangever, maar heeft ontkend dat hij aangever heeft geslagen. De rechtbank acht deze verklaring, mede in het licht van de verklaringen van aangever en getuige, niet geloofwaardig. Bovendien heeft verdachte eerder bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wel heeft geslagen: hij verklaart daar namelijk dat hij voor zover hij zich kan herinneren met zijn blote handen heeft geslagen.

Verdachte heeft met kracht met een kapotte glazen bierpul tegen de rechterzijde van het hoofd van [slachtoffer] geslagen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] door zijn handelen zou komen te overlijden. Hij heeft bewust [slachtoffer] geslagen, terwijl hij een kapotte (glazen) bierpul in zijn hand had. Hij sloeg [slachtoffer] in de richting van de rechterkant van zijn hoofd, gezien zijn verwondingen vlakbij de slaap en de nek. Door aldus een persoon bewust, met een glas in de hand, met kracht, ter hoogte van het hoofd te slaan, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans, dat hij zijn slachtoffer dodelijk zou treffen, aanvaard.

De verdediging heeft aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek eenzijdig is geweest en dat daardoor het bewijs jegens verdachte niet overtuigend kan zijn. De rechtbank stelt voorop dat zij, met de verdediging, van oordeel is dat uitgebreider onderzoek naar de vraag of het verdachte was die aangever met een kapotte bierpul heeft geslagen op zijn plaats was geweest. Het strafrechtelijk onderzoek is echter niet dusdanig onvolledig geweest dat de rechtbank niet kan beoordelen of verdachte al dan niet het ten laste gelegde heeft begaan.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de herkenning van verdachte niet betrouwbaar is. De rechtbank acht de herkenning van verdachte door aangever en door getuige [getuige 2] echter wel betrouwbaar. Aangever heeft verdachte, één dag na het ten laste gelegde feit, op www.hyves.nl opgezocht en herkende hem voor 100%. Aan getuige [getuige 2] is twee dagen na het ten laste gelegde feit door de politie een foto van verdachte getoond, waarop [getuige 2] (onafhankelijk van aangever) verdachte voor 100% herkende. [getuige 2] heeft daarbij verklaard dat hij al tijdens het vechten had gezien dat verdachte een litteken op een van zijn wenkbrauwen had.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(als Nederlander) in de periode van 24 februari 2010 tot en met 25 februari 2010 te Mittelberg (Oostenrijk), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met kracht met een kapotte glazen bierpul tegen de rechterzijde van het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot doodslag.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het reeds door verdachte ondergane voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat daarbij als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact wordt opgelegd, met bijzondere aandacht voor verdachtes alcohol- en agressieproblematiek (en mede de combinatie daarvan), ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, in geval van een veroordeling, aan verdachte een aanzienlijk lagere straf wordt opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft tijdens een skivakantie in Oostenrijk in een poolbar onder het hotel waarin hij verbleef, zonder noemenswaardige aanleiding ruzie gekregen, waarbij hij met een kapotte glazen bierpul heeft uitgehaald naar het hoofd van [slachtoffer], die daaraan had kunnen overlijden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden en dat [slachtoffer] ‘slechts’ een hoofdwond had. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer] hiervan nog altijd lichamelijke en psychische gevolgen ondervindt. Voorts brengt dergelijk uitgaansgeweld in de maatschappij in het algemeen en bij de bezoekers van uitgaansgelegenheden in het bijzonder gevoelens van onveiligheid teweeg.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict;

- een hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 16 november 2010, opgesteld door H. Ellen (reclasseringswerker), waarin is beschreven dat alcoholgebruik de grootste risicofactor bij verdachte lijkt te zijn. Verdachte lijkt naar het oordeel van de reclasseringswerker (ernstig) agressief te kunnen worden indien hij drinkt.

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 februari 2011 inhoudende dat hij een ander persoon wordt wanneer hij alcohol drinkt.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 6 maanden voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze voorwaardelijke straf maakt daarnaast een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingediend van € 3.832,90.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.231,90 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 231,90 ter zake van materiële schade en € 2.000,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de gevorderde kosten groot € 101,00 die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, een rechtstreeks gevolg zijn van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c,14d, 24c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan alcohol- en agressieproblematiek (en de combinatie daarvan), ook als dat inhoudt behandeling bij De Waag;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.231,90, waarvan € 231,90 ter zake van materiële schade en € 2.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 101,00;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 2.332,90 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 33 dagen hechtenis, waarvan € 2.231,90 te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de 25 februari 2010, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 februari 2011.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.