Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP4990

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10/2806
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning eerste fase voor opslagloods op terrein van broer. Belanghebbendheid. Wijziging dak. Geen wijziging van ondergeschikte aard. Gegrond. Geen aanleiding rechtsgevolgen in stand te laten. Situering parkeerplaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2806

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]., gevestigd te Bunnik, eiseres,

gemachtigde: mr. W. van Galen, advocaat te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. Eising, werkzaam bij de gemeente Bunnik.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 20 januari 2010 heeft verweerder aan [vergunninghouder] (hierna: de vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het veranderen en vergroten van een opslagloods op het perceel aan [adres] (hierna: het perceel). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 juli 2010 heeft verweerder de bezwaren voor zover deze zien op welstand en de toets aan de parkeernorm gegrond verklaard en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het primaire besluit herroepen in die zin dat hij een reguliere bouwvergunning eerste fase heeft verleend voor het oprichten van een loods met plat dak en de motivering ten aanzien van de toets aan de parkeernorm heeft aangevuld. Eiseres heeft tegen het besluit van 14 juli 2010 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 17 november 2010, waar namens eiseres is verschenen [A], bijgestaan door gemachtigde, voornoemd. Namens verweerder is verschenen gemachtigde, voornoemd. Tevens is ter zitting de vergunninghouder verschenen.

Overwegingen

2.1 Vergunninghouder heeft op 13 november 2009 een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het veranderen en vergroten van een tijdelijke opslagloods op het perceel. Naar aanleiding van verweerders schriftelijke verzoek van 15 december 2009 om aanvullende gegevens in te dienen, heeft vergunninghouder op 6 januari 2010 nadere stukken ingediend waaronder een gewijzigd aanvraagformulier dat ziet op het oprichten van een opslagloods. Verweerder heeft daarop op 20 januari 2010 de aangevraagde reguliere bouwvergunning eerste fase verleend. In verband met het door eiseres ingediende bezwaarschrift heeft op 29 april 2010 een hoorzitting plaatsgevonden voor de bezwaarschriftencommissie. Naar aanleiding van het advies van deze commissie heeft verweerder vergunninghouder de gelegenheid gegeven gewijzigde bouwtekeningen in te dienen voor het oprichten van dezelfde bedrijfsloods, maar met een plat- in plaats van een gekapt dak. Vergunninghouder heeft daartoe strekkende tekeningen ingediend op 24 juni 2010. Nadat de welstandscommissie hierover op 14 juli 2010 haar akkoord had gegeven, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit zijn primaire besluit herroepen in die zin dat een reguliere bouwvergunning eerste fase is verleend voor het oprichten van een loods met plat dak. Ook heeft hij de motivering ten aanzien van de toets aan de parkeernorm aangevuld.

2.2 Voor het realiseren van het bouwplan is een bouwvergunning vereist, omdat bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet verboden is. Bouwvergunning mag alleen – en moet in dat geval – worden geweigerd indien zich één of meer van de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden voordoen.

Een reguliere bouwvergunning wordt op aanvraag in twee fasen verleend. Artikel 56a van de Woningwet bepaalt in het tweede lid - voor zover thans van belang - in welke gevallen de bouwvergunning eerste fase mag, en dan ook móet worden geweigerd. Gelet op artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, van die wet, zijn - voor zover hier van belang - de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand relevant voor de vraag of verweerder terecht een bouwvergunning eerste fase heeft verleend.

2.3 Eiseres betoogt primair dat vergunninghouder niet is aan te merken als belanghebbende bij zijn aanvraag om een bouwvergunning. Zij stelt dat zij als eigenaresse van de gronden nimmer vergunninghouder toestemming zal verlenen om het bouwplan te realiseren dan wel haar perceel aan vergunninghouder zal verkopen. Realisatie van dat bouwplan staat in de weg aan de realisatie van de plannen die eiseres zelf heeft. De kans op het ten uitvoer brengen van het bouwplan is in haar ogen dan ook nihil.

2.4 Dit betoog slaagt niet. Voor het aannemen van belanghebbendheid bij een aanvraag om bouwvergunning is niet vereist dat de aanvrager eigenaar dient te zijn van het perceel waarop het bouwplan waarvoor de bouwvergunning wordt gevraagd, is voorzien.

Bepalend is de vraag of op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat op enig moment van de bouwvergunning gebruik kan worden gemaakt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Dat tussen vergunninghouder en eiseres in geschil is welke rechten vergunninghouder heeft, dat daarover civiele procedures gaande zijn en dat de familieverhoudingen kennelijk ernstig gebrouilleerd zijn, is onvoldoende om in dit stadium vast te stellen dat aannemelijk is dat het bouwplan nimmer zal kunnen worden verwezenlijkt.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van bijvoorbeeld 26 september 2007, LJN BB4322 en 28 oktober 2009, LJN BK1371.

2.5 Het bestreden besluit kan echter niet in stand blijven, gelet op de in de bezwaarfase doorgevoerde wijzigingen in het bouwplan. Weliswaar heeft te gelden dat verweerder onder omstandigheden gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht is om de indiener van de aanvraag in de gelegenheid te stellen die aanvraag te wijzigen of aan te vullen, maar daarbij kan het alleen gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard. De vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard dient per concreet geval te worden beantwoord (ABRvS van10 september 2008, LJN: BF0323 en 4 maart 2009, LJN: BH4648). In dit geval betreft de wijziging het wijzigen van het dak van een gekapt naar een plat dak, teneinde aan de welstandscriteria te kunnen voldoen. De rechtbank is van oordeel dat deze verandering geen aanpassing is van ondergeschikte aard van het bouwplan. Een wijziging van de dakvorm van een bedrijfsloods in deze omvang is immers niet alleen in constructief opzicht wezenlijk anders, maar heeft bovendien aanzienlijke gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling van het gebouw. Daarom had deze wijziging in het bouwplan niet mogen worden beoordeeld als ondergeschikte wijziging ten opzichte van het aangevraagde bouwplan, maar had daarvoor een nieuwe bouwaanvraag moeten worden gedaan. Verweerder heeft dit miskend.

Het bestreden besluit moet derhalve worden vernietigd. Het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit is niet aan de orde, vanwege het navolgende.

2.6 Verweerder heeft bij de toets of het bouwplan voldoet aan de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan moeten beoordelen of rekening is gehouden met de realisering van voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de parkeerrichtlijnen uit de ASVV 2004, zoals in bepaald in artikel 9, derde lid, van het bestemmingsplan. Eiseres heeft in beroep betoogd dat het bouwplan niet aan de uit deze bepaling voortvloeiende parkeernorm voldoet en dat bovendien uit de bouwaanvraag/de tekeningen niet blijkt dat, hoeveel en waar parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

2.7 Gelet op vaste jurisprudentie van de ABRvS behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Uit de uitspraak van de ABRvS van 29 maart 2006, LJN AV7559 volgt dat dit bij, zoals in dit geval, vervangende nieuwbouw inhoudt dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte. In dit geval heeft verweerder dan ook in redelijkheid de parkeerbehoefte berekend op basis van de door dit bouwplan veroorzaakte toename in parkeerbehoefte en is daarbij op goede gronden aan de hand van de toepasselijke parkeernormen van de ASVV uitgekomen op drie parkeerplaatsen. Dat betekent dat op grond van artikel 9, derde lid, van de planvoorschriften het bouwplan dient te voorzien in drie parkeerplaatsen.

2.8 De rechtbank is niet gebleken dat verweerder zich er rekenschap van heeft gegeven of het bouwplan daadwerkelijk aan dat vereiste voldoet en inderdaad voorziet in dat aantal parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zijn niet op de bouwtekeningen ingetekend. Evenmin is bijvoorbeeld uit een aan de bouwvergunning verbonden voorschrift gebleken dat het bouwplan in de parkeerbehoefte dient te voorzien en daarmee voldoet aan het bestemmingsplan. Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de situering van de parkeerplaatsen bij de beoordeling voor de bouwvergunning tweede fase aan de orde komt. Aangezien het bestemmingsplan de bepaling omtrent de parkeergelegenheid bevat, dient de beoordeling of het bouwplan voorziet in het vereiste aantal parkeerplaatsen bij de toetsing van de bouwvergunning eerste fase aan de orde te komen. Overigens zou dit laatste ook gelden als in het bestemmingsplan geen parkeereisen waren opgenomen, omdat bij de bouwvergunning eerste fase ook dient te worden getoetst aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening, waaronder ook de bepalingen omtrent het parkeren moeten worden gerekend. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het bouwplan op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan, althans in elk geval dat verweerder heeft verzuimd dit punt te beoordelen. Om deze reden had de bouwvergunning moeten worden geweigerd.

2.9 Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, vierde lid en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien en in dat kader het primaire besluit van 20 januari 2010 te herroepen. Immers, op grond van de gedingstukken kan niet anders worden geoordeeld dan dat het bouwplan dat met het primaire besluit is vergund, niet voldoet aan de toepasselijke welstandscriteria en door verweerder in strijd is geacht met redelijke eisen van welstand. In dat geval moet de bouwvergunning op de voet van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet worden geweigerd. Het besluit van 20 januari 2010 is dus genomen in strijd met deze bepaling. Verweerder zal niet opnieuw hoeven te beslissen op de oorspronkelijke aanvraag, omdat het ervoor moet worden gehouden dat vergunninghouder, gelet op zijn gewijzigde aanvraag, kennelijk geen vergunning van dit oorspronkelijke bouwplan meer nastreeft.

Al hetgeen door eiseres verder nog is aangevoerd, kan gelet op deze beslissing, onbesproken blijven.

2.10 Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten die eiseres voor de behandeling van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Deze proceskosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,- voor de kosten in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt € 437,-) en op € 874,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, waarde per punt € 437,-). Hierbij wordt opgemerkt dat verweerder aan eiseres in het vernietigde besluit al een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb had toegekend. Indien en voor zover verweerder inmiddels al is overgegaan tot het daadwerkelijk vergoeden van deze kosten, hoeft dat uiteraard niet nogmaals te geschieden.

Verweerder zal tevens het door eiseres betaalde griffierecht aan haar dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

3.1. verklaart het beroep gegrond;

3.2. vernietigt het besluit van 14 juli 2010;

3.3. herroept het besluit van 20 januari 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.748,-;

3.5 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298,- aan haar vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2011.

De griffier: De rechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. J.M. Willems

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.