Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP4612

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
SBR 10-4223 en SBR 11-49
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening + uitspraak in bodemzaak.

De bouwvergunning voor het oprichten van 18 zorgwoningen op het BNMO-terrein te Doorn had niet verleend mogen worden nu de woningen niet alleen bedoeld zijn als woonruimte voor de huidige bewoners van het BNMO-terrein, maar ook voor anderen die daar in de toekomst zouden willen wonen zonder zorg af te nemen van het hoofdgebouw op het terrein.

Gebruik van deze woningen voor niet-bewoners van het BNMO-terrein is in strijd met het huidige bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4702

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/4223 en SBR 11/49

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

3. Platform omwonenden BNMO-terrein,

4. Vereniging Leefbaar Doorn,

wonende te, respectievelijk gevestigd te Doorn,

eisers,

gemachtigde: mr. R.P.M. de Laat, advocaat te Utrecht,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Zorgdrager.

Inleiding

1.1 Het verzoek en het beroep hebben betrekking op het besluit van 5 oktober 2010, verzonden 9 november 2010, waarbij het bezwaar van eisers tegen het besluit van 18 maart 2010 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan de Stichting Heuvelrug Wonen (verder: vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van achttien zorgwoningen op het perceel Woestduinlaan 87 te Doorn.

1.2 Het verzoek en het beroep zijn op 18 januari 2011 ter zitting behandeld, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. W. van Galen, kantoorgenoot van mr. De Laat voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd, bijgestaan door P. Ham, beiden werkzaam voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Namens vergunninghouder is P. Felix en namens Stichting De Basis is H. Messelink ter zitting verschenen, beiden bijgestaan door mr. M.J.A. Arts, advocaat te Nijmegen.

1.3 Met toepassing van artikel 8:83, eerste lid, derde volzin, in samenhang met artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) is het onderzoek ter zitting geschorst en is de gemachtigde van eisers de gelegenheid geboden de dossierstukken - die hij niet bleek te hebben ontvangen - alsnog te bestuderen.

1.4 Het verzoek en het beroep zijn vervolgens behandeld ter zitting van 1 februari 2011, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. Van Galen voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd, bijgestaan door P. Ham. Namens vergunninghouder is P. Felix en namens Stichting De Basis is H. Messelink ter zitting verschenen, beiden bijgestaan door mr. Arts voornoemd.

Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 10/4223):

2.3 Zoals ook ter zitting aan de orde is gesteld, ziet de voorzieningenrechter zich geplaatst voor de vraag of het Platform omwonenden BNMO-terrein (hierna: het POB) als belanghebbende bij het primaire besluit kan worden aangemerkt.

2.4 Ter zitting heeft mr. Van Galen desgevraagd toegelicht dat het POB een informele vereniging is. Het POB heeft geen formeel bestuur aangesteld, maar er is wel een kerngroep die continu met de omwonenden via de website “http://www.bewonersplatformdoorn.nl” en per e-mail over de ontwikkelingen met betrekking tot het BNMO-terrein correspondeert. Het POB is opgericht om de belangen van de omwonenden te verdedigen bij de bouwplannen van Stichting De Basis. Bij een handtekeningenactie hebben 88 mensen aangegeven het POB te steunen; zij dragen ook in meer of mindere mate bij aan de kosten van rechtsbijstand.

2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat het POB niet een bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is of over eigen statuten beschikt; het is dan ook geen stichting of vereniging.

Het POB is evenmin een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor moet (ook volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: ABRvS, bijvoorbeeld LJN BC6406) voldaan zijn aan drie cumulatieve eisen: er dient een ledenbestand te zijn, het moet gaan om een organisatorisch verband dat is opgericht voor een bepaald doel, zodat sprake moet zijn van regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en een samenwerking die op enige continuïteit is gericht en de organisatie dient als een eenheid deel te nemen aan het rechtsverkeer. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beschikt het POB niet over leden of een ledenadministratie, er zijn alleen mensen die het POB ondersteunen. Verder beschikt het POB niet over een bestuur. Het POB kan daarom niet als een informele vereniging, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek worden aangemerkt. Het POB is derhalve geen rechtspersoon.

2.6 De voorzieningenrechter merkt op dat ABRvS onder meer in zijn uitspraak van 22 oktober 2008 (LJN BG1144) heeft bepaald dat de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb niet voorbehouden is aan (natuurlijke personen en) rechtspersonen maar ook andere entiteiten als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Gelet op de woorden “degene wiens” in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt aan deze andere entiteiten de eis gesteld dat zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer. Op grond van deze rechtspraak kunnen volgens de ABRvS ook andere entiteiten belanghebbende zijn, voor zover zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer.

De voorzieningenrechter onderkent dat het POB is opgericht voor een bepaald doel, de kerngroep van het POB regelmatig bijeenkomt, de samenwerking van het POB is gericht op enige continuïteit, het POB eigen briefpapier en een eigen website heeft, mensen aan het POB een financiële bijdrage geven voor de juridische ondersteuning en het POB gesprekspartner is van vergunninghouder, Stichting De Basis en de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Kortom: hieruit blijkt dat het POB deelneemt aan het maatschappelijk verkeer binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Ter zitting is echter gebleken dat het POB niet beschikt over een bestuur of anderszins een enigszins formeel aspect heeft waardoor gezegd kan worden dat het POB in het réchtsverkeer herkenbaar is, zoals blijkens de rechtspraak van de ABRvS is vereist. Het POB daarom evenmin worden aangemerkt als een “andere entiteit” in de hiervoor bedoelde zin.

2.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep voor zover het is ingediend door het POB, niet is ingediend door een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Omdat ingevolge artikel 8:1 van de Awb een beroep alleen kan worden ingesteld door een belanghebbende, moet het beroep van het POB niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.8 De Vereniging Leefbaar Doorn voldoet wel aan het vereiste van rechtspersoonlijkheid en kan, gezien haar doelstelling en gelet op eerdere uitspraken van deze rechtbank (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 april 2009, zaaknummers SBR 08/1649 en SBR 09/378), wel als belanghebbende worden aangemerkt. Ook eisers [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dienen als belanghebbenden te worden aangemerkt, nu zij beiden op een beperkte afstand (ongeveer 50 meter) van het perceel wonen. De Vereniging Leefbaar Doorn, eisers [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn daarom ontvankelijk in hun beroep.

2.9 De voorzieningenrechter gaat voor de beoordeling van deze zaak uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

Op het perceel Woestduinlaan 87 te Doorn (hierna: het BNMO-terrein) is een zorg- en revalidatiecentrum gevestigd, dat na 1945 is opgericht door de Bond van Nederlandse militaire- en oorlogsslachtoffers, de BNMO. Opvolger van de BNMO is Stichting De Basis, deze stichting is thans verantwoordelijk voor het zorgcentrum. Op het BNMO-terrein is een hoofgebouw aanwezig, waarin naast gemeenschappelijke ruimten en kantoor- of behandelruimten ook hotel-faciliteiten en woongelegenheid voor intensieve AWBZ-zorg aanwezig zijn. Verder zijn er 20 zelfstandige woningen op het terrein aanwezig.

De bewoners zijn allen oorlogs- of geweldsgetroffene, veteraan of dienstslachtoffer; in sommige gevallen wonen zij hier met hun partner of gezin.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van achttien zorgwoningen op het BNMO-terrein. Deze woningen dienen in eerste instantie ter vervanging van de 20 bestaande zelfstandige woningen, welke aan vervanging toe zijn (van deze bestaande woningen worden er twee niet meer bewoond). Het bouwplan is in overleg met de huidige bewoners van de bestaande woningen ontworpen. Vergunninghouder en Stichting De Basis willen deze zorgwoningen, nadat de huidige bewoners er geen gebruik meer van maken, verhuren of verkopen aan anderen dan de doelgroep van BNMO/Stichting De Basis.

2.10 Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is voor het realiseren van onderhavig bouwplan een bouwvergunning vereist.

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt wanneer een bouwvergunning moet worden geweigerd. Dit is onder meer het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan (onderdeel c) of de algemene regels van Rijk of provincie (onderdeel f).

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Landelijk gebied, derde herziening” van de voormalige gemeente Doorn.

Ingevolge dit bestemmingplan rust op het terrein de bestemming “verzorgingscentrum” en de bestemming “waterwingebied I/II”.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften mogen, voor zover hier van belang, de gronden op de kaart bestemd tot verzorgingscentrum worden gebruikt als verzorgings- en/of revalidatiecentrum, met de daarbij behorende bossen en tuinen, zulks met inachtneming van wat in het navolgende lid van dit artikel, alsmede in de artikelen 39 tot en met 43 is bepaald.

Ingevolge het tweede lid mogen op of in de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde gebruiksvorm, met dien verstand dat:

a. indien nog niet aanwezig, één dienstwoning per aaneengesloten gebied mag worden gebouwd;

b. de goothoogte van de dienstwoning niet meer dan 6.50 meter en van de overige gebouwen niet meer dan 10 meter mag zijn;

c. (…);

d. het bebouwingspercentage niet meer dan 9% mag zijn.

Op grond van artikel 39, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de gronden op de kaart bestemd tot waterwingebied I of waterwingebied II worden gebruikt voor de waterwinning, zulks met inachtneming van wat in de navolgende leden van dit artikel is bepaald.

In het derde lid is bepaald dat binnen het gebied van deze bestemmingen alle andere bestemmingen ondergeschikte bestemmingen zijn.

Ingevolge het vierde lid verlenen burgemeester en wethouders een vergunning ten behoeve van een ondergeschikte bestemming, indien de belangen van de waterwinning zich daartegen niet verzetten.

In het vijfde lid is bepaald dat burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in het vierde lid niet verlenen voordat een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten is ontvangen.

2.11 Verweerder heeft bouwvergunning verleend voor de achttien zorgwoningen en dit besluit na bezwaar gehandhaafd. Verweerder meent dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan, maar heeft om te waarborgen dat nu en in de toekomst aan het bestemmingsplan voldaan blijft worden, aan de vergunning een voorschrift als bedoeld in artikel 56 van de Woningwet verbonden. Op grond van dit voorschrift mag pas met de bouw gestart worden als vergunninghouder voldoende heeft gewaarborgd dat er een koppeling bestaat tussen de zorgwoningen en de te verlenen zorg. Deze koppeling moet duidelijk blijken uit de vestiging van een kwalitatieve verplichting op het registergoed, alsmede het opnemen van een kettingbeding in de koopovereenkomst. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit nog opgemerkt dat met de eigenaar en de vergunninghouder een overeenkomst zal worden gesloten waardoor een extra (privaatrechtelijke) handhavingsmogelijkheid en garantie ontstaat dat de vergunde woningen ook in de toekomst in overeenstemming met de bestemming worden gebruikt.

Blijkens de stukken hebben de gemeente, de Stichting tot instandhouding van een Centrum voor Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (verder: Stichting Eigenaar) en vergunninghouder op 31 december 2010 een overeenkomst getekend. In deze overeenkomst verklaren Stichting Eigenaar en vergunninghouder dat zij het uitgangspunt van artikel 20 van het bestemmingsplan dat op aan vergunninghouder verkochte gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de gebruiksvorm “verzorgingscentrum” mogen worden gerealiseerd en de voorwaarde bij de bouwgunning dat de op het registergoed te stichten bebouwing alleen mag worden aangewend ten behoeve van wonen met zorg, hebben uitgewerkt in de akte van levering van die gronden door middel van een kwalitatieve verplichting met kettingbeding voor vergunninghouder, alsmede voor verkrijgers onder bijzondere titel en/of rechthebbenden van een recht tot gebruik. De gemeente heeft verklaard deze kwalitatieve verplichting met kettingbeding te aanvaarden.

2.12 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat geen bouwvergunning had kunnen worden verleend, nu ingevolge artikel 39, vijfde lid van de planvoorschriften een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten is vereist, welke verklaring ontbreekt.

Dit betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, zij het pas ter zitting, terecht heeft gewezen op het feit dat genoemd planvoorschrift gebaseerd is op artikel 16 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 9.1.8 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening vervallen voorschriften op grond van artikel 16 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een jaar na de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening. Met ingang van 1 juli 2009 is artikel 39, vijfde lid, van de planvoorschriften dan ook vervallen, zodat verweerder hieraan niet hoefde te toetsen bij de besluitvorming voor het onderhavige bouwplan.

2.13 Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat artikel 44, eerste lid, onder f van de Woningwet een weigeringsgrond inhoudt, nu het BNMO-terrein, waarbinnen het bouwplan gepland is, ligt in het gebied waar de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2009 (hierna: PRV) van toepassing is.

Ook dit betoog slaagt niet. Het BNMO-terrein ligt, anders dan verweerder aanvankelijk stelde, binnen het gebied waar de PRV van toepassing is. Bovendien vloeit uit het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder f, van de Woningwet voort dat de PRV in beginsel een zelfstandige weigeringsgrond voor een bouwplan kan zijn, ook al is dat bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan. Maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de PRV voor het onderhavige bouwplan geen weigeringsgrond voortvloeit, nu in de hoofdstukken van de PRV die op dit bouwplan van toepassing kunnen zijn, geen verboden of andere direct werkende bepalingen zijn opgenomen die tot weigering van dit bouwplan hadden moeten leiden. De betreffende hoofdstukken van de PRV bevatten immers uitsluitend voorschriften met betrekking tot de door Provinciale Staten voorgestane inhoud van bestemmingsplannen, gericht aan de gemeenteraad als planwetgever, terwijl de termijn waarbinnen ingevolge artikel 9.2 van de PRV het onderhavige bestemmingsplan aan de PRV moet zijn aangepast, nog niet is verstreken.

2.14 Eisers hebben in beroep met name benadrukt dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse vigerende bestemming “verzorgingscentrum”, omdat die bestemming beperkt moet worden uitgelegd. In lijn met eerdere uitspraken van zowel de rechtbank Utrecht als de ABRvS over deze bestemming mag binnen deze bestemming slechts gebouwd worden in de vorm van één gebouw met hulpbehoevenden inwonenden. Losse woningen bij een hoofdgebouw zoals de bestaande 20 woningen zijn ook in strijd met deze bestemming, aldus eisers.

Dit betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter overweegt dat de bebouwing uit 1956 (één hoofdgebouw en zeven dubbele bungalows) met de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” in 1973 is gelegaliseerd. De bebouwing uit 1956 is ingepast in de specifiek voor dit terrein geformuleerde bestemming “verzorgingscentrum”. Ter zitting is toegelicht dat de aanwezigheid van de losstaande woningen/bungalows verband houdt met het feit dat tot de doelgroep van de BNMO, thans Stichting De Basis juist ook personen behoren die lijden aan het posttraumatisch stress-syndroom. Met deze klachten kunnen zij zelfstandig wonen, zij het in een beschermde omgeving. Zij wonen daarom op het BNMO-terrein en maken gebruik van de maatschappelijke en medische zorg die in het hoofdgebouw ten behoeve van de doelgroep wordt verstrekt. Aan de bewoners van de losstaande bungalows kan verder wanneer zij lichamelijke hulp behoeven, vanuit het hoofdgebouw zorg worden verleend.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dergelijk geheel aan bebouwing, te weten een hoofdgebouw dat wordt gebruikt voor de huisvesting en revalidatie, alsmede maatschappelijke zorgverlening aan een specifieke groep hulpbehoevenden, in combinatie met losstaande woningen voor bewoners uit dezelfde doelgroep die gebruik maken van de zorg in en vanuit het hoofdgebouw, kan worden aangemerkt als een verzorgingscentrum als bedoeld in artikel 20 van de planvoorschriften.

Anders dan eisers stellen is deze uitleg naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2006 (SBR 2006/458) en de ABRvS van 2 november 2006 (LJN AZ1742). Het toen in geding zijnde bouwplan betrof een gezondheidscentrum. Door zowel de rechtbank als de ABRvS is in dat geval het feit dat het ging om een fysiotherapiepraktijk met als bedrijfsomschrijving ‘sport medisch trainen’, van doorslaggevend belang geacht voor het oordeel dat er geen sprake was van een verzorgings- of revalidatiecentrum in de zin van de planvoorschriften. Daarbij heeft de rechtbank toen benadrukt dat dat in ieder geval bleek uit het feit dat er geen sprake was van ‘inwonende hulpbehoevenden’. De voorzieningenrechter leidt uit die uitspraken af dat is geoordeeld dat dat specifieke bouwplan, gelet op deze bedrijfsomschrijving, geen band had met het bestaande verzorgingscentrum of de doelgroep daarvan, hetgeen reden was om strijdigheid aan te nemen. In het onderhavige bouwplan, voor zover dat ziet op vervangende nieuwbouw voor de huidige bewoners van het BNMO-terrein, is er juist wel een band tussen het wonen op het terrein door huidige bewoners en de achttien, ten behoeve van vervanging van hun huidige behuizing op te richten zorgwoningen enerzijds en de zorgverlening in en vanuit het hoofdgebouw anderzijds. Daarmee valt dit bouwplan wel binnen de bestemming “verzorgingscentrum” van artikel 20 van de planvoorschriften, zoals ook door rechtbank en ABRvS eerder uitgelegd.

Er is de voorzieningenrechter verder niet gebleken van een aanleiding om aan te nemen dat de planwetgever deze losstaande bewoning ten behoeve van de doelgroep van deze bestemming heeft willen uitsluiten. Integendeel, het is in de sinds 1956 bestaande vorm positief bestemd. Om die reden ziet de voorzieningenrechter dan ook geen reden voor het oordeel dat vervangende nieuwbouw ten behoeve van bewoners die tot de doelgroep van Stichting De Basis behoren en die zorg ontvangen in en vanuit het hoofdgebouw, niet binnen deze bestemming past.

2.15 Voorts hebben eisers ter zitting aangevoerd dat het toekomstig beoogd gebruik van het bouwplan in strijd is met artikel 20 van het geldende bestemmingsplan. Eisers vrezen dat er in de toekomst andere bewoners, die niet tot de doelgroep van Stichting De Basis behoren, in de zorgwoningen mogen komen wonen.

Ter zitting heeft Stichting De Basis bevestigd dat met het bouwplan naast en na vervanging van de bestaande woningen, nog een ander gebruik wordt beoogd. Namens Stichting De Basis is gewezen op het kleiner worden van de oorspronkelijke doelgroep van de BNMO, thans Stichting De Basis, nu door het verstrijken van de tijd het aantal militaire- en oorlogsslachtoffers afneemt. Om die reden dient Stichting De Basis zich te beraden op de toekomst waarbij is bezien in hoeverre zorgverlening aan anderen dan de oorspronkelijke doelgroep tot de mogelijkheden behoort. Daarnaast is sprake van een verandering van wetgeving op het gebied van zorgverlening, waarbij ‘gedwongen winkelnering’ in de vorm van afname van zorg vanuit Stichting De Basis op termijn niet meer verplicht kan worden gesteld aan de bewoners van de zorgwoningen. Tegen die achtergrond is het voorliggende bouwplan ontwikkeld, waarbij de achttien woningen allereerst bedoeld zijn voor de huidige bewoners. Als een huidige bewoner in de toekomst uit de nieuwe zorgwoning vertrekt, door overlijden of anderszins, zal Stichting De Basis in overleg met vergunninghouder beslissen wie er in deze vrijgekomen woning mag komen wonen. Dit kan ook iemand zijn die geen oorlogs- of dienstslachtoffer is en zijn zorg van elders dan het hoofdgebouw ontvangt. De vrijgekomen woning zal dan commercieel worden verhuurd of verkocht. Door de door verweerder gestelde voorwaarde ook privaatrechtelijk op te nemen in de overdracht van de gronden aan vergunninghouder, is gegarandeerd dat in de toekomst uitsluitend door personen die zorg behoeven, gebruik gemaakt zal worden van deze woningen, aldus Stichting De Basis. Vergunninghouder heeft zich hierbij aangesloten.

2.16 De voorzieningenrechter overweegt dat uit deze toelichting volgt dat de achttien zorgwoningen mede met het oog op het gebruik door zorgbehoevenden die geen band meer hebben met de zorgverlening in en vanuit het hoofdgebouw, worden opgericht.

Volgens vaste jurisprudentie - bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2005 (LJN AT9246) - moet bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om bouwvergunning te weigeren, indien op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die, waarin de bestemming voorziet.

Gezien het beoogde gebruik nadat de huidige bewoners uit de op te richten zorgwoningen zullen zijn vertrokken, is bij dit bouwplan naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een situatie zoals bedoeld in voornoemde jurisprudentie, waarin redelijkerwijs valt aan te nemen dat het beoogde gebruik mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming “verzorgingscentrum” hier voorziet. Het gaat immers om beoogd vervolg-gebruik door zorgbehoevenden van buiten de huidige doelgroep, waarvan geen relatie met de vanuit het hoofdgebouw te verlenen zorg vereist wordt. Uit hetgeen hiervoor onder 2.15 is overwogen, volgt dat bij het ontbreken van een band tussen de bewoner en de zorg die in en vanuit het hoofdgebouw wordt verstrekt, sprake is van gebruik in strijd met de bestemming “verzorgingscentrum” zoals de planwetgever hier heeft bedoeld. Indien een dergelijke band tussen bewoning op het terrein en zorgverlening in en vanuit het hoofdgebouw ontbreekt, moet immers worden geconcludeerd dat de beoogde toekomstige bewoner op het terrein gaat wonen vanwege de kwaliteiten van de individuele woning en niet meer vanwege het op het terrein aanwezige zorgcentrum. Dit terwijl de planwetgever blijkens het bepaalde in artikel 20 nu juist heeft bepaald dat deze gronden uitsluitend mogen worden gebruikt als verzorgings- en/of revalidatiecentrum, met de daarbij behorende bossen en tuinen, waarbij tot maximaal 9% bebouwing is toegestaan. Hieruit concludeert de voorzieningenrechter dat de planwetgever beoogd heeft het gebruik van gronden te bestemmen ten behoeve van zorgverlening en revalidatie, in een bosrijke en groene omgeving. Gebruik ten behoeve van een bijzondere vorm van individueel wonen verdraagt zich daar niet mee.

2.17 De voorzieningenrechter constateert verder dat de voorwaarde, die verweerder ten behoeve van het beoogde gebruik in de vorm van een voorschrift aan de bouwvergunning heeft verbonden, ziet op gebruik in de vorm van ‘wonen met zorg’. Ook de privaatrechtelijke bedingen met Stichting De Basis/Stichting Eigenaar bij de overdracht van de grond, zien op een verplichting een woning met zorg aan te bieden. Zoals ter zitting bevestigd, is daarmee uitdrukkelijk beoogd de band met zorgverlening in en vanuit het hoofdgebouw op het terrein te laten vervallen in verband met de veranderde regelgeving over zorgverlening. Dat is echter op grond van de hiervoor gegeven uitleg van artikel 20 van de planvoorschriften, in strijd met de op het terrein geldende bestemming. Nog daargelaten of door middel van een dergelijke voorwaarde aan de bouwvergunning strijd met het bestemmingplan kan worden voorkomen, constateert de voorzieningenrechter dat de bewoordingen van deze voorwaarde niet verplichten tot een band met de zorgverlening in en vanuit het hoofdgebouw en daarmee, anders dan verweerder stelt, niet bijdragen aan verzekering van gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan.

2.18 Het is op zichzelf alleszins begrijpelijk dat Stichting De Basis, als verantwoordelijke voor het huidige verzorgingscentrum, zich beraadt op de veranderende toekomst en aansluiting zoekt bij de huidige vormen van zorgverlening en nieuwe groepen van hulpbehoevenden. Dit laat echter onverlet dat wanneer zij die toekomstplannen wil realiseren op het huidige BNMO-terrein, de vigerende bestemming zoals neergelegd in het bestemmingsplan, eisen en beperkingen stelt aan ter plaatse mogelijke bebouwing en het gebruik daarvan.

Gezien de vaste rechtspraak over beoogd strijdig medegebruik is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat verweerder deze bouwaanvraag, gelet op het in de toekomst door beoogde gebruik door bewoners zonder binding met het zorgcentrum, niet als passend binnen het bestaande bestemmingsplan had mogen aanmerken.

2.19 Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder c van de Woningwet en de aanvraag om bouwvergunning gezien het limitatief-imperatieve systeem van de Woningwet had moeten worden geweigerd. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit van 18 maart 2010 herroepen.

2.20 Ter voorlichting van partijen merkt de voorzieningenrechter op dat het bouwplan, voor zover het beoogt vervangende nieuwbouw te realiseren voor de huidige bewoners van het terrein die hun zorg in en vanuit het hoofdgebouw ontvangen, wel past binnen het bestemmingsplan. Om die reden kan verweerder desgewenst de aanvrager in de gelegenheid stellen zijn aanvraag te wijzigen, in die zin dat afstand wordt gedaan van het toekomstig beoogde gebruik en uitsluitend zal worden volstaan met gebruik binnen het bestemmingsplan. De aanvrager kan ook besluiten de bouwaanvraag in te trekken en te bezien in hoeverre zijn plannen binnen de voor dit terrein in ontwikkeling zijnde partiële herziening van het bestemmingsplan gerealiseerd kunnen worden. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter niet verder in de zaak voorzien en zich beperken tot de vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van de verleende bouwvergunning.

2.21 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.311,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 x 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Niet is gebleken dat eisers in hun bezwaarschriften hebben verzocht om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase, zodat op grond van artikel 7:15 van de Awb verweerder wordt veroordeeld in deze kosten. Verder zal verweerder het door eisers betaalde griffierecht moeten vergoeden.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 11/49):

2.22 Gezien de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

2.23 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437,-

(1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand. Verder zal verweerder het door eisers betaalde griffierecht moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep (SBR 10/4223):

3.1 verklaart het beroep, voor zover het is ingediend door het POB, niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep, voor zover het is ingediend door Vereniging Leefbaar Doorn,

[eiser sub 1] en [eiser sub 2], gegrond;

3.3 vernietigt het bestreden besluit van 5 oktober 2010;

3.4 herroept het primaire besluit van 18 maart 2010;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.311,- ;

3.6 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- aan

hen vergoedt;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 11/49):

3.7 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 437,-;

3.9 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- aan

hen vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel en in het openbaar uitgesproken op

15 februari 2011.

de griffier: de voorzieningenrechter:

mr. M.H. Menger mr. V.M.M. van Amstel

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Let wel:

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.