Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP3050

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
16-350331-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, door valse facturen op te maken. Functioneel daderschap. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 70 uur en een geldboete van 7000 euro. De rechtbank houdt hierbij rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. Tevens vrijspraak van oplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/350331-04 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats].

raadsman mr. R.B. Milo, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 19 en 20 januari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: samen met een ander of alleen vijf facturen en twee contracten vals heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt te gebruiken;

Feit 1 subsidiair: feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van vijf facturen en twee contracten met het oogmerk deze facturen en contracten als echt te gebruiken;

Feit 2: samen met een ander of alleen [bedrijf 2] heeft bewogen tot de afgifte van bonussen door niet uitgevoerde projecten op te nemen in de bedrijfsresultaten van [bedrijf 2].

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

Kort en zakelijk weergegeven heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair heeft begaan. De door medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige afgelegde verklaring op 17 oktober 2003 kan als bewijsmiddel worden gebruikt. Uit deze verklaring volgt dat verdachte samen met medeverdachte het verschil in toekomstige omzet en gefactureerde omzet wilde wegwerken door fictieve facturen op te maken.

Naast deze verklaring van [medeverdachte 1], die als betrouwbaar kan worden bestempeld, zijn er indirecte bewijsmiddelen, zoals de aangifte van [aangever 1], de verklaring van [betrokkene 1] en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris.

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 heeft begaan. Er is onvoldoende informatie over de bonusovereenkomsten, waardoor niet kan worden bewezen dat het opnemen van fictieve omzet als gevolg met zich bracht dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] in 2003 een bonus zouden ontvangen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de op 17 oktober 2003 door medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaring niet betrouwbaar is.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en heeft hiervoor vrijspraak bepleit. Verdachte heeft niets met de facturering van [bedrijf 3] te maken. Inzake [bedrijf 4] kan niet worden aangenomen dat sprake is van valse facturen. Mocht hiervan wel sprake zijn, dan kan niet worden aangenomen dat verdachte hierbij betrokken was. Verdachte heeft niets te maken met de facturen van [bedrijf 1].

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2 en heeft hiervoor vrijspraak bepleit. Op het contract met [betrokkene 2] staat weergegeven dat de ondertekening door [betrokkene 3] p/o, oftewel per order, plaatsvond. De op het contract geplaatste handtekening moet derhalve niet de handtekening van [betrokkene 3] voorstellen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Valsheid van de facturen

Het bedrijf [bedrijf 2] was gevestigd in Nieuwegein. Tussen 1 juli 2002 en 31 december 2002 zijn de volgende facturen opgemaakt, welke facturen blijkens hun inhoud afkomstig waren van [bedrijf 2] en geadresseerd aan [bedrijf 3], [bedrijf 4] en [bedrijf 1]:

- Factuur 2201900 aan [bedrijf 3] is gedateerd op 30 december 2002 met een bedrag van € 280.000,00 en een bedrag aan BTW van € 53.200,00.

- Factuur 2201907 aan [bedrijf 3] is gedateerd op 30 december 2002 met een bedrag van € 70.000,00 en een bedrag aan BTW van € 13.300,00 BTW.

- Factuur 2200857 aan [bedrijf 4] is gedateerd op 1 juli 2002 met een bedrag van

€ 129312,00 en een bedrag aan BTW van € 24.569,28 .

- Factuur 2201901 aan [bedrijf 1] is gedateerd op 30 december 2002 met een bedrag van € 60.000,00 en een bedrag aan BTW van € 11.400,00.

- Factuur 2201902 aan [bedrijf 1] is gedateerd op 30 december 2002 met een bedrag van € 40.000,00 en een bedrag aan BTW van € 7.600,00.

Deze facturen bevinden zich in het dossier en het bestaan van deze facturen is door verdachte niet weersproken. De rechtbank houdt het ervoor dat deze facturen daadwerkelijk zijn opgemaakt op de datum waarop deze zijn gedateerd.

Een administratief medewerker van [bedrijf 2] heeft deze facturen opgemaakt. Ook dit is door verdachte niet weersproken. Nadat de facturen aan [bedrijf 3], [bedrijf 4] en [bedrijf 1] niet werden betaald, wordt op 2 april 2003 een sommatiebrief namens [bedrijf 2] gestuurd aan deze bedrijven. Naar aanleiding van deze sommatiebrief laat [bedrijf 3] schriftelijk weten dat deze facturen nooit opgemaakt hadden mogen worden. [bedrijf 4] verklaart in een schriftelijke reactie de vordering niet te erkennen. In een gesprek met de directeur en het hoofd financiële zaken van [bedrijf 1] wordt medegedeeld dat de facturen ‘nergens op sloegen’. In het dossier bevindt zich geen enkel aanknopingspunt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de facturen betrekking hebben op een bestaande vordering.

Uit bovenstaande reacties leidt de rechtbank af dat bovengenoemde facturen vals zijn. De valse facturen aan [bedrijf 3], [bedrijf 4] en [bedrijf 1] betreffen alle facturen aan bedrijven die vallen onder de business unit ‘financial services’. Verdachte was in de ten laste gelegde periode als manager van de business unit ‘financial services’ verantwoordelijk voor deze business unit binnen [bedrijf 2].

4.3.2. De betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 17 oktober 2003

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 1] op 17 oktober 2003 bij de politie heeft afgelegd, betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaring. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] van 17 oktober 2003 verschilt met zijn latere verklaringen slechts voor wat betreft de rol die hij zelf heeft gehad. In zijn latere verklaringen zegt hij dat hij pas later, na de tenlaste gelegde periode, op de hoogte is geraakt van de valsheid van de facturen. Over de vraag of de facturen vals waren, wie hier volgens hem achter zaten en wat de reden van de vervalsing was, is zijn verklaring van 17 oktober 2003 consistent met zijn latere verklaringen. De rechtbank heeft bovendien geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen, omdat deze gedetailleerd is en omdat deze is afgelegd in een vroeg stadium na de periode waarin de ten laste gelegde feiten zich afspeelden en derhalve veel eerder dan de latere verklaringen van [medeverdachte 1]

4.3.3. Feit 1 onder (a) primair

Nu is vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode valse facturen zijn opgemaakt binnen [bedrijf 2] dient de rechtbank te beoordelen of verdachte dit feit heeft gepleegd.

Uit het procesdossier kan niet worden opgemaakt dat verdachte de rekeningen zelf heeft verzonden. Zoals hierboven vermeld heeft niet verdachte zelf maar een administratief medewerker de facturen opgemaakt. Iemand kan echter ook als pleger van een delict worden aangemerkt als hij de feitelijke gedraging niet zelf heeft uitgevoerd, bijvoorbeeld in geval van functioneel daderschap. Hiervoor is vereist dat de verweten gedraging aan verdachte kan worden toegerekend. Toerekening is naar vaste rechtspraak alleen mogelijk indien verdachte erover vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en zodanig gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door verdachte werd aanvaard dan wel dat hij dit placht te aanvaarden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in het onderhavige geval als manager van de business unit ‘financial services’ erover vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden. Hiervan is reeds sprake omdat verdachte zeggenschap kon uitoefenen over degene die feitelijk handelt. Dat verdachte deze zeggenschap had, blijkt uit de functie van manager van de business unit ‘financial services’ van verdachte binnen [bedrijf 2]. Dat van de zeggenschap feitelijk sprake was blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte en medeverdachte, [medeverdachte 2], keken naar projecten waar ook nog fictieve facturen voor verstuurd konden worden.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verdachte de ten laste gelegde gedragingen aanvaardde dan wel placht te aanvaarden. Wil hiervan sprake zijn dan moet verdachte ten minste bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat het valselijk opmaken van facturen zou kunnen plaatsvinden. [medeverdachte 1] heeft verklaard bij de politie dat [medeverdachte 2] en verdachte hebben besloten om te kijken naar projecten waar ook nog fictieve facturen voor verstuurd konden worden. Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [medeverdachte 2] ervoor heeft gekozen om fictieve facturen te versturen. Tevens heeft hij verklaard dat het een een-tweetje tussen [naam] en [naam] was en dat het zowel verdachte als [medeverdachte 2] zijn geweest.

Op grond van deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat verdachte door projecten uit te zoeken waarvoor nog fictieve facturen verstuurd konden worden, aanvaardde dat facturen valselijk werden opgemaakt. Tegenover de uitgebreide verklaring van [medeverdachte 1] staat de ontkenning van verdachte dat hij iets af wist van de valse facturen. Deze ontkenning acht de rechtbank niet redengevend nu het onder de omstandigheden waarin verdachte verkeerde -hij was manager van de business unit ‘financial services’ van een bedrijf waarmee het financieel niet voor de wind ging- onaannemelijk is dat hij niet heeft geweten dat facturen voor hoge bedragen werden verzonden zonder dat daarvoor werkzaamheden plaatsvonden. De rechtbank weegt hierbij mee dat het de omzet van business unit van verdachte (‘Finance’) was die in de boekhouding werd verhoogd en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zorgen van een andere bussiness unit manager wegnamen met de mededeling dat de resultaten van business unit Finance de slechte resultaten van andere business units zouden compenseren. De in feit 1 onder (a) ten laste gelegde gedragingen kunnen derhalve aan verdachte worden toegerekend.

Tevens acht de rechtbank bewezen dat sprake is van medeplegen, nu uit de hierboven vermelde verklaring van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid dat verdachte nauw en bewust met medeverdachte [medeverdachte 2] heeft samengewerkt.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit 1 onder (a) heeft begaan.

4.3.4. Feit 1 onder (b) primair

Ten aanzien van feit 1 onder (b) is verdachte ten laste gelegd dat hij samen met een ander dan wel alleen een contract valselijk heeft opgemaakt door onder een contract een handtekening te plaatsen die de handtekening van medeverdachte [medeverdachte 2] moest voorstellen. De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier, inhoudende ondermeer alle verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten, niet kan worden opgemaakt wie de handtekening, die volgens de tenlastelegging de handtekening van [medeverdachte 2] moet voorstellen, heeft geplaatst. [medeverdachte 2] ontkent deze handtekening geplaatst te hebben. Deze ontkenning kan voortvloeien uit het feit dat dit feit aan [medeverdachte 2] is ten laste gelegd. Derhalve gaat de rechtbank niet zonder meer uit van de juistheid van deze stelling. De mogelijkheid dat medeverdachte [medeverdachte 2] deze handtekening onder het contract heeft geplaatst, blijft dus open. De tenlastelegging impliceert dat het contract valselijk is opgemaakt doordat een handtekening is geplaatst die de handtekening van [medeverdachte 2] moest voorstellen. Nu niet kan worden uitgesloten dat [medeverdachte 2] zijn eigen handtekening heeft geplaatst, kan niet bewezen worden dat een handtekening is geplaatst die de handtekening van [medeverdachte 2] moest voorstellen.

Ten aanzien van feit 1 onder b is aan verdachte ten laste gelegd dat hij samen met een ander dan wel alleen een contract valselijk heeft opgemaakt door onder een contract een handtekening te plaatsen die de handtekening van [betrokkene 3] moest voorstellen. De rechtbank stelt vast dat de handtekening die onder het contract is geplaatst is voorzien van de toevoeging p/o. Een feit van algemene bekendheid is dat de toevoeging p/o na een handtekening betekent dat de handtekening “per order” is geplaatst. Degene die de handtekening heeft geplaatst heeft bedoeld dit contract in opdracht van [betrokkene 3] te ondertekenen. De tenlastelegging impliceert dat het contract valselijk is opgemaakt doordat een handtekening is geplaatst die de handtekening van [betrokkene 3] moest voorstellen. Dit gedeelte van de tenlastelegging kan niet bewezen worden verklaard, omdat is vast komen te staan dat niet een handtekening is geplaatst die de handtekening van [betrokkene 3] moet voorstellen.

De rechtbank acht derhalve tevens niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 onder (b) heeft begaan en zal hem dan ook hiervan vrijspreken.

4.3.5. Feit 2

Het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling bij verdachte is één van de bestanddelen van ten laste gelegde delict oplichting. Hiervoor dient in het onderhavige geval vast komen te staan dat het opnemen van niet uitgevoerde projecten in de bedrijfsresultaten van [bedrijf 2] invloed heeft gehad op de bonussen die verdachte en/of medeverdachte zouden hebben ontvangen.

Nu de rechtbank geen inzicht heeft verkregen in de opbouw van de bonussen kan niet worden vastgesteld dat het opnemen van niet uitgevoerde projecten in de bedrijfsresultaten invloed heeft gehad op deze bonussen. Derhalve kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte het oogmerk had op wederrechtelijke bevoordeling.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

in de periode van 01 juli 2002 tot en met 31 december 2002 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander,

vijf facturen van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, en diens mededader telkens valselijk

- een bedrag van 280.000,00 Euro voor geleverde goederen en/of diensten aan [bedrijf 3] en een BTW-bedrag 53.200,00 Euro op factuur 2201900 vermeld en

- een bedrag van 70.000,00 Euro voor geleverde goederen en/of diensten aan [bedrijf 3] en een BTW bedrag van 13.300,00 Euro op factuur 2201907 vermeld en

- een bedrag van 129.312,00 Euro voor geleverde goederen en/of diensten aan [bedrijf 4] en een BTW-bedrag van 24.569,28 Euro op factuur 2200857 vermeld en

- een bedrag van 60.000,00 Euro voor geleverde goederen en/of diensten aan [bedrijf 1] en een BTW-bedrag 11.400,00 Euro op factuur 2201901 vermeld en

- een bedrag van 40.000,00 Euro voor geleverde goederen en diensten aan [bedrijf 1] en een BTW-bedrag 7600,00 Euro op factuur 2201902

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, een werkstraf voor de duur van 90 uren en een geldboete van € 9.000,00.

Bij deze eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Indien de redelijke termijn niet overschreden was geweest dan had de officier van justitie naast de voorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf voor de duur van 100 uren en een geldboete van € 10.000,00 geëist.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden en dat hierom de straf gematigd dient te worden.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Binnen [bedrijf 2] zijn in een periode waarin het met dit bedrijf financieel niet goed ging, valselijk facturen opgemaakt om te doen voorkomen dat de omzet hoger was dan in werkelijkheid. Deze gedragingen worden strafrechtelijk aan verdachte, manager van de business unit ‘financial services’ van [bedrijf 2] in die periode, toegerekend. Verdachte heeft in ernstige mate het vertrouwen geschonden dat in hem werd gesteld. Juist van een manager van een bedrijf wordt verwacht dat hij, ook in een financieel mindere periode, er zorg voor draagt dat de boekhouding van het onderdeel van het bedrijf waarvoor hij verantwoordelijk is naar waarheid wordt bijgehoudens en er geen fictieve facturen worden verzonden en geboekt om te doen voorkomen dat het financieel voor de wind gaat. Deze fictieve facturen en de daarmee verband houdende hogere omzet hebben ertoe geleid dat aan het moederbedrijf een onjuist beeld is gegeven over de precaire situatie waarin het bedrijf zich bevond.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 mei 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaart dat hij full-time werkt.

De rechtbank acht het niet geboden om een voorwaardelijke gevangenisstraf als ‘stok achter de deur’ op te leggen, nu verdachte in de zeven jaar na het plegen van voornoemd feit niet in aanraking is geweest met justitie.

Wanneer vervolging van verdachte binnen een redelijke termijn zou hebben plaatsgevonden, zou de rechtbank een werkstraf van 100 uren en een geldboete van € 10.000,00 passend hebben gevonden. In het onderhavige geval is echter sprake van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn die de rechtbank heeft doen besluiten hiervan substantieel af te wijken. Naar vaste rechtspraak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak.

Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake. De redelijke termijn is in deze zaak gaan lopen op 3 februari 2004, de dag dat verdachte is aangehouden en gehoord. Het vonnis is gewezen op 3 februari 2011. De termijn waarbinnen deze zaak is afgerond is derhalve zeven jaar. De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn met vijf jaar is overschreden. De zaak heeft onnodig lang stil gelegen, waardoor verdachte langer dan noodzakelijk in onzekerheid heeft verkeerd over de afloop van de zaak. Naar vaste rechtspraak volgt uit een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden een strafvermindering van 10%.

Aangezien de overschrijding groter is geweest dan twaalf maanden is de rechtbank van oordeel dat straf met 30% verminderd dient te worden.

De rechtbank acht alles afwegend een werkstraf van 70 uren en een geldboete van

€ 7.000,00 passend en geboden.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 57, 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 70 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.;

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 7.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 70 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.F.R. Storij, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 februari 2011.