Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP3027

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
295064 / FA RK 10-6299
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure na LJN: BN9741; moeder verzoekt vervangende toestemming om de verblijfplaats van haar kind te wijzigen. Het kind verbleef met haar toestemming gedurende enige jaren bij pleegmoeder, zodat moeder op grond van art. 1:253s BW niet zonder toestemming de verblijfplaats kon wijzigen. Pleegmoeder weigerde deze toestemming. De rechtbank verleent vervangende toestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector familie en toezicht

zaaknummer / rekestnummer: 295064 / FA RK 10-6299

Blokkaderecht

Beschikking van 4 februari 2011

in de zaak van

[moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. Schimmel,

tegen

[pleegmoeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegmoeder,

advocaat mr. N.C. Quindt.

1. Verloop van de procedure

Op 11 oktober 2010 heeft de rechtbank van de zijde van de moeder een verzoekschrift ontvangen dat – kort samengevat – strekt tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de wijziging van de verblijfplaats van het minderjarige kind van de moeder. Van de zijde van de moeder zijn hierna nog enkele producties ingebracht.

Op 19 januari 2011 heeft de rechtbank ontvangen het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

Op 20 januari 2011 heeft de rechtbank van de zijde van de pleegmoeder een verweerschrift ontvangen dat – kort samengevat – primair strekt tot afwijzing van het verzoek van de moeder en subsidiair tot het vaststellen van een omgangsregeling. Tevens bevat dit verweerschrift het verzoek om een deskundige te benoemen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de nadien ingekomen stukken, waaronder een aantal faxberichten houdende producties.

Op 21 januari 2011 heeft de rechtbank de verzoeken ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Ter zitting zijn verschenen:

- de moeder met haar advocaat, mr. C. Schimmel,

- de pleegmoeder, mw. [pleegmoeder], met haar advocaat mr. N.C. Quindt,

- Mw. van Duffelen en dhr. Touber namens de Raad voor de Kinderbescherming,

- mw. Van Mourik en mw. De Groot namens Bureau Jeugdzorg Utrecht.

2. Vaststaande feiten

Op [2005] is te [geboorteplaats] geboren [minderjarige]. Zijn moeder is [moeder]. Zijn moeder was minderjarig toen hij geboren werd. De minderjarige heeft geen juridische vader; de moeder is van rechtswege, sinds haar meerderjarigheid, alleen belast met het gezag over hem.

Vanaf ongeveer de geboorte van de minderjarige tot 24 augustus 2010 heeft hij gewoond bij de pleegmoeder. De moeder maakte ook periodes deel uit van het gezin van de pleegmoeder. Sindsdien woont de minderjarige bij zijn moeder. Er heeft sinds 24 augustus 2010 geen contact plaatsgevonden tussen de minderjarige en de pleegmoeder.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 29 september 2010 (LJN: BN9741) is bepaald dat de moeder, op straffe van een dwangsom de minderjarige af moest geven aan de pleegmoeder. Hieraan heeft zij niet voldaan.

Bij beschikking van 22 oktober 2010 van de kinderrechter van deze rechtbank is de minderjarige voorlopig (voor de duur van drie maanden) onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 21 januari 2011 is de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 4 november 2010 heeft de kinderrechter van deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, op grond waarvan de minderjarige bij zijn moeder zou blijven. Op 21 januari 2011 is deze machtiging verlengd voor de duur van twee weken.

3. Stellingen van partijen

3.1. De moeder:

De moeder heeft naar voren gebracht dat zij nog minderjarig was toen de minderjarige geboren werd, en zij zich daardoor niet in staat achtte de zorg voor haar kind op zich te nemen. De moeder heeft vervolgens, door middel van het ondertekenen van een – niet door haar opgemaakte – afstandsverklaring, erin toegestemd dat haar kind op zou groeien in het gezin van pleegmoeder. Pleegmoeder was in eerste instantie ook de therapeute van de moeder, en de moeder heeft gedurende enige jaren in haar gezin gewoond.

Ten aanzien van de afstandsverklaringen merkt moeder op dat deze tot stand zijn gekomen zonder dat er contact is geweest met officiële instanties. Dit had er voor moeder toe bijgedragen om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen, waarbij ook het belang van de minderjarige meegewogen kon worden. Dit had, zo stelt moeder, op de weg van pleegmoeder gelegen, nu zij degene was die moeder in dit proces bijstond.

Primair stelt moeder dat deze verklaringen niet als rechtsgeldig kunnen worden beschouwd, maar zo dat al kan, stelt zij dat zij deze heeft ingetrokken.

Moeder betwist hetgeen de pleegmoeder naar voren heeft gebracht ten aanzien van haar psychische gesteldheid. Moeder erkent dat zij psychische problematiek heeft gehad, maar stelt dat dit negen jaar geleden was, na de scheiding van haar ouders. Van psychische problematiek is nu, zo stelt moeder, geen sprake meer. Ook de stelling van pleegmoeder dat moeder zou lijden aan ‘Borderline’, betwist moeder.

Voorts heeft moeder naar voren gebracht in te zien dat de wijze waarop zij de minderjarige weg heeft gehaald bij pleegmoeder, een grote impact heeft op de minderjarige. Maar moeder heeft ook naar voren gebracht dat haar leven nu zo is, dat zij de zorg voor de minderjarige goed op zich kan nemen. Moeder kan, ondanks haar jonge leeftijd, de zorg voor de minderjarige goed aan, hetgeen ook blijkt uit de Raadsrapportage. Dat terwijl, zo stelt moeder, de opvoedingsomgeving bij pleegmoeder zich gedurende langere tijd (met name na het ongeluk van pleegmoeder in december 2008) heeft gekenmerkt door onvoldoende zorg en aandacht voor de ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige. Moeder meent dan ook dat het in het belang van de minderjarige is als hij bij haar kan blijven wonen.

3.2. De pleegmoeder:

De pleegmoeder meent dat het niet in het belang van de minderjarige is om bij zijn moeder te blijven wonen. Moeder had, zo stelt pleegmoeder, geen interesse in de minderjarige. Dat blijkt ook uit de afstandsverklaringen. Moeder was blij met de situatie die hierna ontstond; dat pleegmoeder de zorg had voor de minderjarige en de minderjarige zijn moeder zag als zijn zus. Moeder heeft wel voor de minderjarige gezorgd, maar nooit als zijn moeder; zelfs toen moeder voor de minderjarige zorgde na het ongeluk van de pleegmoeder, deed zij dit tegen betaling. Het was voor haar, zo stelt de pleegmoeder, meer een arbeidsovereenkomst.

Er is, zo meent pleegmoeder, bij moeder sprake van borderline-problematiek, waardoor de moeder niet goed voor haar kind kan zorgen. Moeder is psychisch niet stabiel en was, en is, suïcidaal. De minderjarige heeft gedurende vijf jaar bij de pleegmoeder gewoond en is van de ene op de andere dag weggehaald. De reden hiervoor is echter onduidelijk, omdat – zo stelt pleegmoeder – de Raad hiernaar geen onderzoek heeft gedaan.

Door het handelen van moeder wordt de ongestoorde hechting met pleegmoeder, waar de minderjarige recht op heeft, verstoord. Dit belang dient, zo stelt pleegmoeder, te prevaleren boven het belang van moeder om haar kind op te willen voeden, nu er immers al gedurende 5 jaar geen moeder-kind relatie is. Daarbij heeft de minderjarige verlatingsangst, dus is deze situatie voor hem extra zwaar, aldus pleegmoeder.

Daarbij heeft pleegmoeder opgemerkt dat zij begrijpt dat het met de minderjarige goed gaat bij zijn moeder, omdat de thuissituatie bij moeder niet anders is dan bij pleegmoeder. Maar, zo stelt pleegmoeder, voor de minderjarige is het alsof hij bij zijn zus woont, en dat is niet in zijn belang.

Pleegmoeder meent dat er een deskundige moet worden benoemd die onderzoekt hoe de situatie van moeder nu is, en of zij de opvoeding aan kan, nu – zo stelt zij – de Raad dat niet heeft willen onderzoeken.

3.3. De Raad voor de kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming heeft naar voren gebracht dat het verzoek toegewezen dient te worden. Moeder kan de jeugdige een goede thuissituatie bieden en naar omstandigheden gaat het – zelfs ondanks dat de minderjarige abrupt uit zijn oorspronkelijke thuissituatie is weggehaald – goed, zo stelt de Raad.

Ten aanzien van de afstandsverklaringen meent de Raad dat deze, als niet in het belang van de minderjarige, terzijde geschoven moeten worden.

Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de Raad naar voren gebracht dat zij dit op dit moment niet in het belang van de minderjarige achten, maar dat zij eerst een periode (ongeveer een half jaar) van rust willen creëren. Voordat er sprake kan zijn van omgang moet, zo meent de Raad, pleegmoeder accepteren dat het perspectief van de minderjarige bij zijn moeder ligt. Voorts mag het niet zo zijn dat pleegmoeder moeder diskwalificeert.

3.4. Bureau Jeugdzorg Utrecht

Bureau Jeugdzorg heeft naar voren gebracht dat de minderjarige bij de moeder kan blijven. In de situatie bij moeder gaat het goed met hem; moeder stelt structuur en regels en stelt de minderjarige centraal. Hij maakte, zo stelt Bureau Jeugdzorg, een ontspannen en tevreden indruk. Ook is er sprake van een positieve ontwikkeling van zijn spraak.

Bureau Jeugdzorg heeft niet de indruk dat de minderjarige veel last ondervindt van dat hij geen contact heeft met zijn pleegmoeder; in zijn gedrag is dat niet merkbaar.

Ten aanzien van de door de pleegmoeder verzochte omgangsregeling sluit Bureau Jeugdzorg zich aan bij de Raad voor de kinderbescherming. Als er contactherstel komt, meent Bureau Jeugdzorg dat hiermee zorgvuldig omgegaan moet worden, door te beginnen met meerdere begeleide bezoeken.

4. Beoordeling van het verzochte

4.1. Ten aanzien van het verzoek om een deskundige te benoemen

De pleegmoeder heeft verzocht om een deskundige te benoemen die - kort samengevat - onderzoek moet doen naar de psychische gesteldheid van moeder, of zij haar rol als opvoeder voldoende vorm kan geven en hoe het voor de minderjarige is om bij zijn moeder te verblijven.

De rechtbank ziet daarvoor geen noodzaak. Voor wat betreft de psychische gesteldheid overweegt de rechtbank dat pleegmoeder veelvuldig verwijst naar de situatie zoals die een aantal jaren geleden was. Moeder heeft zelf ook naar voren gebracht dat zij toen (zo’n 9 jaar geleden) psychische problemen had; moeder was in die tijd psychisch niet stabiel. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niets zegt over de situatie nu. In de stukken van de Raad voor de Kinderbescherming komen geen aanwijzingen naar voren die met zich brengen dat nader onderzoek naar de huidige psychische gesteldheid van moeder nodig is.

De vragen ten aanzien van de situatie van de minderjarige zijn naar het oordeel van de rechtbank door de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg voldoende onderzocht, zodat daarvoor ook geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

4.2. Ten aanzien van het verzoek om vervangende toestemming voor de wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige:

Vooreerst overweegt de rechtbank als volgt. De pleegmoeder heeft een tweetal verklaringen van de moeder overgelegd waaruit blijkt dat de moeder afstand heeft gedaan van de verzorging en opvoeding van haar kind, ten gunste van de pleegmoeder. In tegenstelling tot hetgeen de pleegmoeder naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank hierin geen toestemming tot adoptie, maar slechts een instemming van de moeder voor verblijf van de minderjarige bij de pleegmoeder. De rechtbank is van oordeel dat een verstrekkender interpretatie aan deze verklaringen niet gegeven kan worden, en overigens het recht een verstrekkender interpretatie niet toelaat.

Vast staat daarmee in ieder geval dat de minderjarige met toestemming van de moeder gedurende meer dan één jaar, namelijk gedurende vijf jaren, bij de pleegmoeder heeft verbleven. Op grond van art. 1:253s BW heeft de moeder derhalve toestemming nodig van de pleegmoeder voor zij de verblijfplaats van de minderjarige kan wijzigen. Vast staat echter dat pleegmoeder deze toestemming niet wil verlenen.

Op grond van lid 2 van voornoemd artikel kan de moeder de rechtbank verzoeken om de toestemming van de pleegmoeder te vervangen door toestemming van de rechtbank. Dit verzoek wordt, zo blijkt uit deze bepaling, slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind worden verwaarloosd als het verzoek zou worden ingewilligd. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of er gegronde vrees bestaat dat de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd als de rechtbank de door de moeder verzochte toestemming verleent.

De pleegmoeder heeft een aantal zorgen naar voren gebracht die, zo begrijpt de rechtbank, volgens haar met zich brengen dat de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd als de minderjarige bij de moeder woont.

Meermaals heeft zij de psychische gesteldheid van moeder genoemd als grootste zorg. De rechtbank gaat hierin echter, zoals reeds overwogen in onderdeel 4.1. niet mee. De rechtbank heeft, kort gezegd, geen reden om aan te nemen dat de psychische problematiek waarmee de moeder negen jaar geleden kampte, thans nog steeds aanwezig is en zelfs al zou deze er nog enigszins zijn dan zijn er geen aanwijzingen dat deze de opvoedingssituatie van de minderjarige negatief zou beïnvloeden.

Ook de verlatingsangst van de minderjarige en de hechting aan pleegmoeder die de pleegmoeder heeft genoemd, ziet de rechtbank niet als reden om dit verzoek af te wijzen. Uit het rapport van de Raad komt niet naar voren dat er vermoedens zijn dat de minderjarige verlatingsangst zou hebben. De minderjarige verblijft nu immers al langere tijd bij zijn moeder, en – zo blijkt uit hetgeen de Raad en Bureau Jeugdzorg naar voren hebben gebracht – daar gaat het goed met hem. Daar komt bij dat de minderjarige zijn moeder al kende, en zij al een band met elkaar hadden.

Bij het beoordelen van dit verzoek weegt de rechtbank ook het volgende mee. Blijkens een raadsonderzoek waren er in 2008 al zorgen omtrent de spraakontwikkeling van de minderjarige, waarvoor hulp wenselijk werd geacht. De pleegmoeder heeft hieraan geen gehoor gegeven, en in 2010 was daar nog steeds geen verbetering opgetreden. In de situatie bij moeder is daar echter, zo is ter zitting naar voren gekomen, wel een verbetering in opgetreden. Uit dit rapport komt ook naar voren dat de gezinssituatie bij pleegmoeder gekenmerkt werd door conflicten.

Voorts is pleegmoeder, toen zij de zorg voor de minderjarige zelf niet aankon, niet in staat geweest om haar omgeving te mobiliseren teneinde een veilige opvoedingssituatie voor de minderjarige te creëren. Dit is op te maken uit onder andere de zorgmelding van het zorg adviesteam van de school op 26 maart 2010. In de gezinssituatie bij pleegmoeder waren er dus ook al zorgen over de minderjarige. Dat terwijl in de gezinssituatie bij moeder er geen zorgen naar voren zijn gekomen.

Hoewel de abrupte manier waarop de moeder de minderjarige uit zijn thuissituatie heeft gehaald niet de juiste handelswijze was, zoals ook naar voren komt in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2010 en dat er sindsdien geen enkel contact is geweest tussen de minderjarige en de pleegmoeder ook niet wenselijk is, is de rechtbank van oordeel dat dit niet weg neemt dat de moeder in staat is de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een gegronde vrees dat de belangen van de minderjarige verwaarloosd worden bij de inwilliging van dit verzoek; de rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat het niet in het belang van de minderjarige is om bij zijn moeder te wonen. Het verzoek van de moeder zal dan ook als na te melden worden toegewezen.

4.3. Omgang

De pleegmoeder heeft verzocht om, bij toewijzing van het verzoek van de moeder, een omgangsregeling vast te stellen tussen de pleegmoeder en de minderjarige. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Zowel de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg achten het op dit moment niet wenselijk dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de pleegmoeder en de minderjarige. Zij menen dat een periode van rust voor de minderjarige op dit moment wenselijk is.

De rechtbank stelt voorop dat het in het belang van de minderjarige is contact met de pleegmoeder te hebben. De verhouding tussen pleegmoeder en moeder is echter op dit moment zodanig dat het Bureau Jeugdzorg niet is gelukt contacten tussen pleegmoeder en de minderjarige tot stand te brengen. De rechtbank gaat er vanuit dat de komende periode moeder en pleegmoeder er aan zullen werken dat omgang mogelijk zal worden. Dat betekent in ieder geval dat moeder zal moeten erkennen dat de pleegmoeder belangrijk is voor de minderjarige. Bovendien dient pleegmoeder te aanvaarden en te accepteren dat de minderjarige bij moeder zal opgroeien. Zij mag moeder dus niet diskwalificeren als moeder. Op dit moment is een dergelijke situatie nog niet bereikt.

Hoewel de Raad op dit moment verwacht dat over een periode van een half jaar een omgangsregeling vastgesteld kan worden, is het naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet te overzien op welke termijn het in het belang van de minderjarige is om omgang te hebben met de pleegmoeder. De rechtbank zal het verzoek van de pleegmoeder om een omgangsregeling vast te stellen op dit moment dan ook afwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank :

Geeft toestemming aan [moeder] (de moeder) om de verblijfplaats van de minderjarige [minderjarige], geboren op [2005] te [geboorteplaats], te wijzigen.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in aanwezigheid van G. Hagens LL.B, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2011.?