Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2898

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
279488 / HA ZA 09-2920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bepaalde uitlatingen van gedaagden worden onrechtmatig geacht. Geen voorschot op de gevorderde schadevergoeding omdat onvoldoende is onderbouwd dat schade is geleden.

Vorderingen tegen paranormaal psychologisch adviseur afgewezen. Het enkele feit dat zij de door haar ingeschakelde advocaat dingen heeft verteld over eiser leidt niet reeds tot aansprakelijkheid.

Vorderingen tegen eisers afgewezen ondanks verstekverlening, omdat de vorderingen de rechtbank ongegrond voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector civiel

Vonnis van 2 februari 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 279488 / HA ZA 09-2920 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de naamloze vennootschap

[eiseres sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiseres sub 4],

gevestigd te [woonplaats], Alberta, Canada,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

eisers,

advocaat mr. E.H. de Jonge-Wiemans te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

2. de stichting

[gedaagde sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. C.A.W.M. Fiscalini te Almere,

5. de vennootschap naar Belgisch recht

[gedaagde 5],

gevestigd te [woonplaats], België,

gedaagde,

advocaat mr. C.A.W.M. Fiscalini te Almere,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 274704 / HA ZA 09-2255 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de naamloze vennootschap

[eiseres sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiseres sub 4],

gevestigd te [woonplaats], Alberta, Canada,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

eisers,

advocaat mr. E.H. de Jonge- Wiemans te Utrecht,

tegen

1. [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J. van Ravenhorst te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers c.s.] genoemd worden Afzonderlijk zullen zij worden aangeduid als [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiseres sub 4] en [eiser sub 5]. Gedaagden in de zaak met zaaknummer 279488 zullen respectievelijk [gedaagde sub 1], Stichting Derdengelden, [gedaagde sub 3], [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau worden genoemd. Gedaagden in de zaak met zaaknummer 274704 hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure in de zaak 279488

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 april 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 september 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de zaak 274704

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 maart 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 september 2010.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [eisers c.s.] houdt zich bezig met vastgoedbeleggingen.

3.2. [A], van het gelijknamige advocatenkantoor, staat bekend als vastgoedadvocaat die de belangen van beleggers in (collectieve) vastgoedconstructies behartigt. [A] is enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1], die alle aandelen in [B] hield. [gedaagde sub 3] was in het verleden als advocaat in dienst [B]. [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau hebben in het verleden advieswerkzaamheden verricht voor [eisers c.s.].

3.3. In het februarinummer 2009 van Vastgoedmarkt is op pagina 39 een artikel verschenen met de aanhef “[eiseres sub 4] biedt forse rente”. In dit artikel wordt het product “[product]” kort beschreven. Dit is een product van [eiseres sub 4], dat door [eiseres sub 3] wordt verkocht. [eiseres sub 3] verzorgt eveneens de marketing van dit product. In het artikel is onder meer opgenomen:

“Volgens vastgoedadvocaat [A] is de nieuwe obligatielening ‘simpelweg te mooi om waar te zijn’. ‘[eisers c.s.] haalt geld op bij particulieren om daarmee zijn schulden af te lossen in Canada’, aldus [A]. Hij signaleert een ‘grote kennisasymmetrie’ tussen [eisers c.s.] en zijn Nederlandse beleggers ‘die geen verstand hebben van Canadees vastgoed en de schommelingen van de Canadese dollar’. Zijn advocatenkantoor werkt aan een Legal opinion over [eisers c.s.], die binnenkort zal verschijnen. ‘De reden waarom [eisers c.s.] niet in de Verenigde Staten investeert en wel in Canada is omdat er nog steeds een onderzoek loopt tegen hem door de Amerikaanse toezichthouder SEC’ licht [A] alvast een tipje van de sluier op. [A] vindt het een veeg teken dat [eisers c.s.] als grote aanbieder niet is aangesloten bij STV of VVF. ‘[eisers c.s.] heeft letterlijk tegen mij gezegd dat hij lak heeft aan deze organisaties.’”

3.4. In een kort geding vonnis van 1 april 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht onder meer overwogen:

“4.6 De uitlating “simpelweg te mooi om waar te zijn”.

Deze uitlating heeft onmiskenbaar van doen met het betrekkelijk hoge rentepercentage dat [eisers c.s.] in hun advertenties met vergrote en vetgedrukte cijfers aanbiedt. [A] heeft aannemelijk gemaakt dat hij met deze uitlating enkel heeft willen aangeven dat potentiële beleggers niet alleen naar het betrekkelijk hoge rentepercentage moeten kijken maar ook naar de verdere voorwaarden die aan dit product verbonden zijn. [eisers c.s.] hebben niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van een opruiende of stemmingmakende uitlating. Het staat [A] overigens vrij om op mogelijke risico’s te wijzen zoals bijvoorbeeld de omstandigheid dat er niet altijd uitbetaling in geld plaatsvindt en dat de obligatielening feitelijk als achtergestelde lening moet worden aangemerkt. Deze omstandigheden staan overigens ook vermeld in de prospectus en in de brochure die [eisers c.s.] zelf heeft uitgegeven, doch pas na het interview met [A] heeft verspreid.

4.7. De uitlating ‘[eiser sub 5] haalt geld op bij particulieren om daarmee zijn schulden af te lossen in Canada”.

Aangenomen wordt dat deze uitlating zich richt op [eiseres sub 4] met dit specifieke product. Andere activiteiten van de [eisers c.s.] groep dan wel [eiser sub 5] in privé zijn in het artikel immers in het geheel niet ter sprake geweest. Voorzover deze uitlating betrekking heeft op [eiseres sub 4], is niet komen vast te staan dat de opmerking als zodanig onjuist is. Het vindt namelijk bevestiging in hetgeen [eiseres sub 4] zelf in haar prospectus heeft vermeld over de aanwending van de door haar middels de obligatielening opgehaalde middelen, die zij zal gebruiken voor algemene bedrijfsdoeleinden zoals de herfinanciering of aflossing van bestaande leningen en de versterking van het werkkapitaal van de onderneming. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat [A] op privé-schulden van [eisers c.s.] doelt.

De gewraakte uitlating is derhalve niet opruiend of stemmingmakend. Ook is niet de indruk gewekt dat een dergelijke besteding van investeringen onbetamelijk of ongebruikelijk zou zijn.

4.8. De uitlating dat er sprake zou zijn van een “grote kennisasymmetrie” tussen [eiser sub 5] en zijn beleggers “die geen verstand hebben van Canadees vastgoed en de schommelingen van de Canadese dollar”.

[eisers c.s.] stellen dat [A] met name door het gebruik van de term “kennisasymmetrie” de indruk heeft gewekt dat [eiser sub 5] over een bepaalde voorkennis beschikt, dan wel risico’s zou verzwijgen of potentiële beleggers zou misleiden.

[A] heeft voorshands aannemelijk gemaakt dat een dergelijke betekenis van de gewaakte term niet voor de hand ligt, maar door [eisers c.s.] in het kader van het geschil wordt ingekleurd. Aannemelijk is dat [A] er op heeft willen wijzen dat de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende particuliere belegger doorgaans minder goed geinformeerd is over bepaalde variabelen indien het beleggingsproduct grensoverschrijdend is en dat de kennisasymmetrie betrekking heeft op hetgeen [eisers c.s.] wel over de Canadese markt weet en de minder goed geïnformeerde Nederlandse belegger niet. Ook is aannemelijk dat de lezer van het artikel dit in laatstbedoelde zin zal begrijpen. De gewraakte uitlating is derhalve niet en evenmin in combinatie met de hiervoor besproken uitlatingen als onrechtmatig te beschouwen.

4.9. De uitlating “de reden waarom [eiser sub 5] niet in de Verenigde Staten investeert en wel in Canada is omdat er nog steeds een onderzoek loopt tegen hem door de Amerikaans toezichthouder SEC”.

[A] heeft aangevoerd dat de journalist kennelijk niet heeft begrepen dat hij slechts heeft willen verwijzen naar het gebruikelijke onderzoek dat de SEC uitvoert wanneer de zeggenschap binnen een vennootschap wijzigt, en dat de journalist hier een suggestieve betekenis aan heeft gegeven door het toevoegen van de woorden, “licht [A] alvast een tipje van de sluier op”.

[eisers c.s.] hebben echter aannemelijk gemaakt dat ook zonder de toegevoegde zinsnede van de journalist in kwestie, [A] met de gewraakte uitlating de indruk wekt dat het door SEC ingestelde onderzoek er toe leidt dat [eiser sub 5] dan wel de [eisers c.s] Groep geen activiteiten in de Verenigde Staten ontplooien, alsof zij daar iets te vrezen zouden hebben of daar niet toegelaten zijn. Aangenomen wordt immers dat de gemiddelde belegger de informatie dat er een onderzoek is ingesteld zal associëren met de mogelijkheid van vermeende onregelmatigheden. Een dergelijke verdachtmaking die door [A] verder niet kan worden gestaafd, is onrechtmatig jegens [eisers c.s.] en dient ook gerectificeerd te worden op de wijze zoals hierna bepaald.

4.10. De uitlating “[eiser sub 5] heeft letterlijk tegen mij gezegd dat hij lak heeft aan deze organisaties”.

[eisers c.s.] hebben niet aangegeven op welke grond deze uitlating onrechtmatig zou zijn. Deze opmerking is overigens door de woordvoerder van [eisers c.s.] in het bewuste artikel weersproken. De uitlating heeft betrekking op de constatering dat [eiseres sub 4] of een van de andere vennootschappen niet is aangesloten bij de Stichting Transparante Vastgoedfondsen (STV) en de Vereniging Vastgoed Fondsen (VVF). Deze constatering is als zodanig niet door [eisers c.s.] weersproken. Aan het feit dat [eisers c.s.] geen belang bij deze aansluiting hechten, kunnen verder ook geen conclusies worden verbonden. Voorshands is niet gebleken dat [A] dit wél publiekelijk heeft gedaan.”

[A] is vervolgens, onder verbeurte van een dwangsom voor iedere dag dat hij hiermee in strijd zou handelen, veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis het maandgoed Vastgoedmarkt opdracht te geven tot het plaatsen van de volgende tekst:

“Rectificatie:

De voorzieningenrechter te Utrecht heeft mr. [A], advocaat te Utrecht, veroordeeld tot de navolgende rectificatie.

In het maandblad Vastgoedmarkt van februari 2009 heeft mr. [A] op pagina 39 de navolgende uitlating gedaan: “De reden waarom [eiser sub 5] niet in de Verenigde Staten investeert en wel in Canada is omdat er nog steeds een onderzoek loopt tegen hem door de Amerikaanse toezichthouder SEC”.

De Voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat deze uitlating onrechtmatig is geweest jegens [eiseres sub 1] B.V., [eiseres sub 2], [eiseres sub 3] B.V., [eiseres sub 4] Inc. en de heer [eiser sub 5].”

3.5. Op 5 augustus 2009 stond op de website van [A] het volgende bericht:

“Op de voorpagina van het Financieel Dagblad van vandaag staat dat [eiser sub 5] het verkoopkantoor van [eiseres sub 3] B.V. in [vestigingsplaats] heeft gesloten. Uit het artikel blijkt dat een deel van het personeel wordt ontslagen en het andere deel noodgedwongen naar Soest moet verhuizen. Uit commentaar van directeur [J] blijkt dat [eiser sub 5] zich moet aanpassen aan de verslechterde marktomstandigheden.”

3.6. Op 7 augustus 2009 werd [eiser sub 5] door de redactie van het magazine Miljonair verzocht te reageren op een tekstkader dat zou worden geplaatst bij een interview met [A]. In dit tekstkader kwamen onder meer de volgende zinsneden voor:

“Zij vragen zich af hoe [eiser sub 5] steeds weer in staat is cijfers te publiceren die niet marktconform zijn. Hoe kan [eiseres sub 4] het nu toch de hele tijd beter doen dan de markt? Daarnaast wijst [A] erop dat Ernst & Young Nederland in eerste instantie heeft geweigerd om de jaarrekening 2008 van [eiseres sub 4] goed te keuren. Navraag bij E&Y leert dat die wel degelijk is goedgekeurd, zij het met enige vertraging. Het Financieele Dagblad meldt op 5 augustus de reden voor die vertraging: een hoop gesteggel over een afwaardering van de vastgoedportefeuille (8 procent omlaag).

[A] is niet onder de indruk van de uiteindelijke cijfers: “De jaarrekening is goedgekeurd door de Canadese tak van het accountantskantoor. Maar [eiser sub 5] heeft een Nederlandse Umgebung¸hier haalt hij zijn geld op. Bovendien: een jaarrekening kan zijn goedgekeurd, dat wil niet zeggen dat alle informatie die erin staat juist is. [eiser sub 5] werkt niet meer met externe, onafhankelijk taxateurs maar met taxateurs die bij hem in loondienst zijn.”

De cijfers stinken, vermoedt de advocaat. Dat lijken oud-medewerkers te bevestigen in gesprekken over allerlei niet nader genoemde malversaties, meldt hij. Die gesprekken zijn volgens [A] vastgelegd op geluidsdragers, ‘die in de financieel economische markt al de ‘[eiser sub 5]-tapes’ worden genoemd’. [A] kiest zijn woorden zorgvuldig [B] heeft begrepen dat er geluidsopnames zijn gemaakt van diverse besprekingen. Gesprekken op hoog niveau. Als er problemen zijn in een bedrijf, proberen mensen altijd hun ass te coveren. Op de zogenaamde [eiser sub 5]-tapes zouden medewerkers van [eiser sub 5] te horen zijn, die zeggen dat [eiser sub 5] een onjuiste voorstelling van zaken geeft.””

Deze tekst is uiteindelijk niet geplaatst in het magazine Miljonair.

3.7. Op 14 augustus 2009 verscheen in de Telegraaf een bericht waarin melding werd gemaakt van door [A] namens een cliënt (ex-medewerker van het [eiser sub 5]-kantoor in [vestigingsplaats]) gelegd beslag ten laste van [eiseres sub 3]. In het bericht stond verder:

“ De beslaglegging wordt met trots gemeld door vastgoedadvocaat [A], die al maandenlang ongezouten kritiek levert op de beleggingen van het in zwaar weer verkerende vastgoedfonds van [eisers sub 5]. Eerder dit jaar werd [A] onder rechterlijke dwang gedwongen om onware beweringen over [eiser sub 5] te rectificeren.

Jerry Hoff, advocaat van [eiser sub 5], noemt de laatste actie van [A] “het zoveelste bewijs dat [A] knettergek is. De manier van werken van deze juridische pyromaan is een grote schande voor de Nederlandse advocatuur. Hij zou nu eindelijk tot de orde geroepen moeten worden.”

[A] beweert op zijn beurt dat hij in opdracht van [eiser sub 5] gevolgd wordt.”

3.8. Op 21 augustus 2009 is de volgende tekst geplaatst op de website van www.vastgoedmarkt.nl:

“[eiser sub 5] legt beslag op bankrekeningen [A]

Vooruitlopend op een gerechtelijke procedure heeft vastgoedondernemer [eisers sub 5] voor 525.000 euro beslag laten leggen op onder andere bankrekeningen ten name [B] en de kantoorinventaris.

Volgens [eiser sub 5] hebben hij en zijn onderneming grote schade geleden door lasterlijke uitspraken van het kantoor van vastgoedadvocaat [A].

In een toelichting verwijst directeur [G] van [eiser sub 5] onder meer naar een artikel in Vastgoedmarkt van februari 2009, pagina 39. Hierin stelt [A] dat [eiser sub 5] niet in de Verenigde Staten investeert, omdat er tegen hem een onderzoek loopt door de Amerikaanse toezichthouder SEC. Op last van de rechter heeft [A] die uitspraak later moeten rectificeren. Volgens [G] zou [A] ook recentelijk weer flink over de schreef zijn gegaan. Concrete voorbeelden daarvan wil hij echter niet noemen.

Woordvoerder [gedaagde sub 3] [B] stelt dat de onderbouwing van het verzoek tot beslag legging ‘geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren brengt [B] vindt het ‘zeer ongepast dat [eiser sub 5] nu hijzelf blijkbaar niet meer in staat is al zijn eigen medewerkers te betalen ook tracht alle medewerkers van [B] te raken’.”

3.9. Op 24 augustus 2009 is in NRC Handelsblad een artikel over [A] verschenen. Op 25 augustus 2009 ontving de raadsman van [eiser sub 5] een sms-bericht van [A] met de volgende inhoud:

“Ha [A], denk dat je meer dan tevreden kunt zijn met t artikel. De karakterschets die ze van je geven past naar mijn idee bij t verwachtingspatroon dat gedupeerde beleggers hebben van n advocaat die hun belangen moet behartigen. Ideale reclame in n toonaangevend medium. De sympathie voor de Franse caesar deel ik overigens. Los van dit artikel, in t algemeen gesteld, een paar maanden niet in de media is ook goed voor je PR. Wijsheid uit de Japanse vechtkunsten in actieve trainingsperiodes: je ontwikkelt in rust… Spreek je, gr Jerry.”

3.10. In het magazine Miljonair van september/oktober 2009 stond een interview met [A]. Daarin is onder meer opgenomen:

“Onze website is een clusterbom. Mijn directe medewerkers zijn mijn officieren. Mijn leger bestaat uit mijn informanten, mijn verkenners, mijn spionnen – voormalige medewerkers met gewetenswroeging, ex-vrouwen, minnaressen van de vastgoedaanbieders. De media zijn onze stoottroepen. Gratis nota bene.

(…)

Mensen kunnen op onze site laten weten wie volgens hen de ‘Nederlandse Madoff’ is. Onder de goede inzendingen verloten wij tien biografieën van Madoff, waarin hij ‘veel succes in Holland’ heeft geschreven. De drie meest genoemde namen tot nu toe zijn [C], [eiseres sub 5] en [D] van [bedrijf].”

3.11. Op 25 september 2009 heeft [B] bij het Openbaar Ministerie te Den Haag aangifte gedaan van beleggingsfraude. Deze aangifte is gericht tegen [eiser sub 5] en een aantal van haar werknemers te weten [E], [F], [G], [H] en [I]. In deze brief, die ook aan de media is verstrekt, is onder meer opgenomen:

“21. Inmiddels heeft zich een groep ‘verontruste’ beleggers gewend tot mijn kantoor [B] B.V., met het verzoek in de onderhavige kwestie hun belangen te behartigen. Aangezien in mei 2010 aan een eerste grote groep beleggers van De [eiser sub 5] Groep zal moeten worden uitgekeerd, vreest mijn kantoor het ergste (voor een Nederlandse ‘Madoff’).

(…)

23. De [F] is in de jaren 90 van de vorige eeuw veroordeeld voor het oplichten van beleggers. Hij was destijds directeur van een bedrijf in de buurt van Emmerich (Duitsland)

24. Vanaf het moment dat de heer [E] zijn intrede maakte binnen de [eiser sub 5] Groep gaat het snel bergafwaarts. De heer [E] is een oude vriend van [eiseres sub 5] en werkte voorheen bij Deloitte & Touche. De heer [E] is in zijn verleden ook verwikkeld geweest bij een groot schandaal met boekhoudfraude, dit betrof toen een Amerikaans bedrijf.

(…)

26. Ook de heer [F] is geen onbekende bij de rechtbank. In de jaren 90 runde hij een beleggingskantoor in Duitsland, in de omgeving Emmerich. Ook hij heeft zijn beleggers niet de beloofde rendementen uitgekeerd. Een grote groep beleggers heeft vervolgens een rechtszaak aangespannen tegen de heer [F], waarbij hun vorderingen zijn toegewezen.

27. Blijkbaar wordt alles in de doofpot gestopt, waaronder de betrokkenheid van de heer [E] bij grootschalige fraude praktijken in het verleden.”

3.12. Op 21 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht een vonnis gewezen, waarin onder meer is overwogen:

“De uitlating: “SEC doet een onderzoek naar [eiser sub 5] en daarom investeert [eiser sub 5] niet

in de USA”

4.5. De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht heeft in zijn vonnis van

1 april 2009 al geoordeeld [A] c.s. onrechtmatig tegenover [eisers c.s.] handelt door in de media te beweren dat SEC een onderzoek doet naar [eisers c.s.] en

[eisers c.s.] daarom niet in de USA investeert (zie rechtsoverweging 4.9 van het vonnis van 1 april 2009 [A] c.s. is in dit vonnis ook veroordeeld om in het maandblad Vastgoedmarkt van februari 2009 de in 2.3 weergegeven rectificatie te plaatsen. Het is niet in geschil dat [A] c.s. deze rectificatie ook heeft geplaatst. Gelet op dit alles valt niet in te zien welk belang [eisers c.s.] er nog bij heeft dat [A] c.s. opnieuw wordt verboden om in de media te beweren dat SEC een onderzoek naar [eiser sub 5] doet en dat [eiser sub 5] daarom niet in de USA investeert. De omstandigheid dat [A] c.s. hoger beroep tegen het vonnis van 1 april 2009 heeft ingesteld, maakt dit niet anders. Immers, zolang niet in hoger beroep is beslist, dient het, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, vonnis van de voorzieningenrechter van 1 april 2009 te worden nageleefd.

De uitlating: “de cijfers van [eiser sub 5] stinken” en daarmee aanverwante uitlatingen

4.6. Niet in geschil is dat [A] c.s. de in 4.3 onder b genoemde beweringen aan een journalist van het blad Miljonair heeft gedaan en dat het de bedoeling was dat in de augustus-editie van dit blad een artikel zou worden geplaatst waarin deze beweringen zouden voorkomen. Dit artikel is echter, onder druk van de advocaat van [eisers c.s.], niet in de Miljonair geplaatst. Wel is de bewering van [eisers c.s.] dat “de cijfers van [eisers c.s.] stinken” in het artikel van de Financiële Telegraaf van 31 augustus 2009 (zie 2.8 ) opgenomen. Het is echter niet gebleken dat dit laatste – zoals [eisers c.s.] stelt en [A] c.s. betwist – door toedoen [A] c.s. is gebeurd.

Het voorgaande brengt mee dat er geen grond is[A] c.s. een spreekverbod met betrekking tot de in 4.3 onder b genoemde beweringen op te leggen.

De uitlatingen:[A] wordt in opdracht van [eiser sub 5] gevolgd” en “[eiser sub 5] heeft een man met een litteken op [A] afgestuurd”

4.7. Niet in geschil is [A] c.s. in de media (de Telegraaf) heeft beweerd [A] in opdracht van [eisers c.s.] wordt gevolgd en dat [eiser sub 5] een man met een litteken op [A] heeft afgestuurd (zie 2.6 en 2.1[A] c.s. heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die steun bieden voor de juistheid van deze – door [eisers c.s.] betwiste – beweringen. [A] c.s. handelt dan ook onrechtmatig tegenover [eisers c.s.] door zonder daarvoor een aanwijsbare grond te hebben publiekelijk te beweren dat hij in opdracht van [eisers c.s.] wordt gevolgd. Het is voldoende aannemelijk dat een dergelijke bewering de reputatie van [eisers c.s.] schaadt en tot gevolg heeft, althans kan hebben, dat klanten van [eisers c.s.] zich terugtrekken dan wel dat derden ervan afzien om klant bij [eisers c.s.] te worden. De vordering van [eisers c.s.] zal dan ook in zoverre worden toegewezen dat het [A] c.s. zal worden verboden om, zonder daarvoor een aanwijsbare grond te hebben, publiekelijk te beweren dat hij in opdracht van [eisers c.s.] wordt gevolgd. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden van EUR 100.000,-- per overtreding met een maximum van EUR 1.000.000.,--.

De uitlatingen: “[eiser sub 5] is de Nederlandse Madoff, althans daarvoor wordt gevreesd”,

“[eiser sub 5] pleegt strafbare feiten”,

“functionarissen van [eiser sub 5] hebben in het verleden strafbare feiten

gepleegd”

4.8. Bovengenoemde beweringen komen voor in de door [A] c.s. opgestelde aangiftebrief van 25 september 2009. Vaststaat dat [A] c.s. een kopie van deze aangiftebrief aan de media heeft verstrekt (zie 2.10 en 2.11). Aan de orde is de beantwoording van de vraag of [A] c.s. daardoor ook onrechtmatig tegenover [eisers c.s.] heeft gehandeld. Geoordeeld wordt dat dit het geval zal zijn indien de in de aangiftebrief vermelde beweringen onvoldoende door feiten worden gestaafd. Ten aanzien van alle bovengenoemde beweringen geldt dat dit het geval is. Dit wordt als volgt nader toegelicht.

4.8.1. [A] c.s. heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die wijzen op de juistheid van zijn – door [eisers c.s.] betwiste – bewering dat “[eisers c.s.] de Nederlandse “Madoff” is”. Meer in het bijzonder is niet gebleken dat [eisers c.s.] zich bezig houdt met dezelfde activiteiten als waarmee Madoff zich bezig hield en evenmin dat [eisers c.s.] een grote vastgoedzwendel is waarbij geld slechts wordt rondgepompt.

4.8.2. [A] c.s. heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd die wijzen op de juistheid van zijn – door [eisers c.s.] betwiste – bewering dat [eisers c.s.] zich schuldig heeft gemaakt c.q. maakt aan beleggingsfraude. [A] c.s. heeft slechts aangevoerd dat zijn vermoeden dat [eisers c.s.] zich daaraan schuldig heeft gemaakt c.q. maakt, is gebaseerd op verklaringen van één of meer ex-werknemers van [eisers c.s.], zonder daarbij aan te geven om welke ex-werknemers het gaat en wat deze ex-werknemers precies zouden kunnen verklaren.

4.8.3. Verder geldt dat [A] c.s. zijn – door [eisers c.s.] betwiste – bewering dat functionarissen van [eisers c.s.], en meer in het bijzonder [F] en [E], in het verleden strafbare feiten hebben gepleegd, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Stukken waaruit dit zou volgen, zijn niet door [A] c.s. in het geding gebracht.

4.9. [A] c.s. handelt gelet op wat in 4.7 en 4.8 is overwogen dan ook onrechtmatig tegenover [eisers c.s.] door een kopie van de aangiftebrief van 25 september 2009 aan de media te verstrekken. Het is voldoende aannemelijk dat [eisers c.s.] hierdoor schade lijdt. Door het publiekelijk maken van de in de aangifte voorkomende beweringen zoals vermeld in 4.3 onder d tot en met f wordt haar reputatie geschaad. De vordering van [eisers c.s.] zal dan ook in zoverre worden toegewezen dat het [A] c.s. zal worden verboden om:

- publiekelijk te beweren dat [eisers c.s.] de Nederlandse Madoff is, dit op straffe van

verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,-- per overtreding met een maximum van

EUR 1.000.000,--,

- publiekelijk te spreken over de aangiftebrief, dit op straffe van verbeurte van een

dwangsom EUR 100.000,-- per overtreding met een maximum van EUR 1.000.000.,--,

- om publiekelijk te beweren dat functionarissen van [eisers c.s.], en meer in het bijzonder

[F] en [E], in het verleden strafbare feiten hebben gepleegd, dit op straffe

van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,-- per overtreding met een maximum

van EUR 1.000.000,--.

Het verstrekken van de zogenaamde [eiser sub 5]-tapes aan de AFM en de media

4.10. Het is niet in geschil dat [A] c.s. de zogenaamde “[eiser sub 5]-tapes” aan de AFM en de media heeft verstrekt. Het is echter niet gebleken dat [A] c.s. publiekelijk heeft gesuggereerd dat op deze tapes iets staat wat [eisers c.s.] in een kwaad daglicht stelt. [eisers c.s.] heeft dan ook onvoldoende belang bij een spreekverbod van [A] c.s. op dit punt.”

[A] is vervolgens onder verbeurte van dwangsommen verboden:

­ zonder aanwijsbare grond publiekelijk te beweren dat hij in opdracht van [eiser sub 5] wordt gevolgd;

­ publiekelijk te beweren dat [eiser sub 5] de Nederlandse Madoff is;

­ publiekelijk te spreken over zijn aangiftebrief van 25 september 2009;

­ publiekelijk te beweren dat functionarissen van [eiser sub 5] in het verleden strafbare feiten hebben gepleegd.

De vorderingen van [eiser sub 5] tot het opleggen van een spreekverbod met betrekking tot uitlating “de cijfers stinken” en met betrekking tot de onder ?3.6 bedoelde “[eiser sub 5]-tapes” zijn door de voorzieningenrechter afgewezen.

3.13. In oktober 2009 heeft [A] op briefpapier van [B] een brief gestuurd naar onder andere deurwaarders, advocaten en media, waarin onder meer is geschreven:

“Mijn kantoor is de afgelopen jaren bekend geworden door het blootleggen van tal van grote beleggingsfraudezaken: in 2007 [xxx/Golden Sun] en Royal Dubai; in 2008 Palm Invest, Easy Life en Carribean Comfort; in 2009 Partrust en [groep]. Zie verder – de best bezochte advocaten website van Nederland – www.[B].nl

Uit onderzoek van [B] blijkt dat in de afgelopen jaren ruim 6 miljard euro is ‘opgehaald’ bij zo’n 100.000 particulieren, zoals u, door zo’n 120 aanbieders van al dan niet dubieuze fondsen.

Het is ons bekend dat veel mensen zoals u geld hebben uitgeleend aan maatschappen, commanditaire vennootschappen en obligatiefondsen. Wij hebben reden om aan te nemen dat het soms maar de vraag is of u uw inleg terugkrijgt, los van het u beloofde rendement. Op onze site worden 30 fondsen specifiek vermeld. Het Functioneel Parket te Amsterdam heeft nog 34 andere zaken in onderzoek*.

Wij zijn u graag van dienst en door de enorme aantallen deelnemers aan ons ‘groepsacties’ is het mogelijk een relatief ‘lage’ basisfee af te spreken en bij succes een ‘aanvullende’ fee van circa 10%. Klinkt dit interessant? Is het ook! Ruim 20.000 cliënten gingen u reeds voor.

[B] wil u graag adequate rechtshulp verlenen en heeft daartoe een aantrekkelijk voorstel gereed met een relatief ‘lage’’ basisfee en een succesfee. Op de achterzijde van deze brief vindt u de bestellijst. Zodra wij uw formulier ontvangen hebben, ontvangt u binnen 24 uur een voorstel zonder kosten of andere verplichtingen.

De komende maanden staan wij met een team van 20 medewerkers voor u klaar. Wij hebben zelfs een 24/7 piketdienst in het leven geroepen voor “financiële trauma advocatuur”. De [B] piketdienst is bereikbaar op [telefoonummer].”

Bij deze brief was een “Bestellijst” gevoegd waarop cliënten konden aangeven of zij in een aantal voorgedrukte fondsen hadden belegd en of zij daarnaar een onderzoek wensten. Daarbij waren onder andere vermeld: “[eiser sub 5]: 1) Aandelen 2) Obligatieleningen 3) Maatschappen/Commanditaire vennootschappen”.

3.14. Op 24 november 2009 is [B] in staat van faillissement verklaard.

3.15. Op 16 juni 2010 heeft de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam inzake een klacht van [eiser sub 5] tegen [A] onder meer het volgende overwogen:

“4.2 Voor wat betreft het verspreiden van informatie, mag in het algemeen van een advocaat worden verwacht dat hij dit slechts doet, indien hij zeker weet dat deze juist is. Dat geldt te meer indien de informatie in de media wordt verspreid. Indien de informatie van zijn cliënt afkomstig is, is deze grondige controle voor de advocaat in mindere mate vereist. In dit geval betreft het geen informatie afkomstig van een of meer cliënten van verweerder. Van verweerder had derhalve mogen worden verwacht dat hij zijn verklaring over het onderzoek van de SEC eerst op juistheid had gecontroleerd, alvorens deze in de media te verspreiden. Het verweer dat er zoveel geruchten over de SEC en klagers de ronde deden, levert geen rechtvaardiging op voor de gebezigde beschuldiging, mist bovendien feitelijke grondslag en staat tot slot haaks op de tijdens de zitting gegeven verklaring van verweerder dat er niets aan de hand was met klagers. Juist indien er sprake is van geruchten mag van een advocaat worden verwacht dat hij deze nader onderzoekt.

4.3 Dit geldt ook ten aanzien van de uitlating “Nederlandse Madoff”, waarbij een zelfde soort patroon van handelen is waar te nemen. Verweerder heeft op ongefundeerde wijze klagers in de media met “Madoff” vergeleken, waarbij mede gelet op de naam die verweerder in het publieke domein heeft verworven, de indruk wordt gewekt dat er sprake zou kunnen zijn van fraude. Het verweer dat de uitlating niet serieus was bedoeld, maar dat dit een grap was van een kantoorgenoot acht de raad niet alleen ongeloofwaardig, maar geeft ook aan dat verweerder onvoldoende inzicht heeft in de gevolgen die zo een opmerking voor anderen heeft.

4.4 De uitlating van verweerder tegen De Telegraaf dat H. opdracht zou hebben gegeven hem en zijn gezin te achtervolgen staat in schril contrast met de mededeling ter zitting gedaan dat klagers niets valt te verwijten. Met de twee kort geding vonnissen staat de onrechtmatigheid van deze en de overige uitlatingen vast en is bovendien het stelselmatig karakter hiervan gegeven.

4.5 De stelselmatige verspreiding van onjuiste informatie door verweerder vormt een grove veronachtzaming van de door een advocaat in acht te nemen betamelijkheid. Verweerder had zich dienen te realiseren dat de inhoud van zijn verklaringen de kern van de activiteiten van een beursgenoteerd fonds, waarbij een goede informatievoorziening van wezenlijk belang is, raakt. Bovendien had verweerder zich in dat verband moeten realiseren dat extra voorzichtigheid is geboden, omdat hij in de media een bepaalde naam heeft verworven, waardoor door sommigen een zekere waarde aan zijn verklaringen wordt gehecht. Mede gelet op de stukken in het klachtdossier, kan de raad zich niet aan de indruk onttrekken dat deze uitlatingen (vooral) bedoeld waren om cliënten te werven. Het valt verweerder aan te rekenen zijn eigen (commerciële) belang met voorbijgaan aan de rechten en belangen van derden op zodanige wijze na te streven.

4.6 Gelet op het voorgaande is dit klachtonderdeel gegrond.

(…)

4.9 Klachtonderdeel c bevat de klacht dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan ‘stalking’ door het rechtstreeks en aanhoudend telefonisch belagen van functionarissen van klagers.

4.10 Hoewel de inhoud van de sms-berichten niet in het dossier is aan te treffen, heeft verweerder toegegeven dat drie tot vier sms-berichten door hem rechtstreeks aan functionarissen van klagers zijn toegestuurd. Zijn verweer dat hij zelf partij in deze was, slaagt niet, omdat het hem duidelijk was dat zijn wederpartij een advocaat had. Daarenboven is het de raad gebleken dat verweerder naar believen van stelling wijzigt of hij wel of niet voor cliënten optreedt, dan wel zelf partij is. Het feit dat verweerder rechtstreeks meerdere malen sms-berichten stuurt aan de wederpartij, terwijl deze een advocaat heeft, past een advocaat niet. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.”

3.16. Op 19 juli 2010 heeft de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam twee beslissingen genomen met betrekking tot door [eiser sub 5] tegen [A] ingediende klachten. In de eerste zaak heeft de Raad van Discipline onder meer het volgende overwogen:

“3.2 Verweerder stuurde op 10 augustus 2009 een tweetal sms berichten naar klager. Bericht 1 bevatte de volgende tekst: “Door wie word ik achtervolgd? Ik wil dat dat meteen stopt! Anders doe ik aangifte!” Bericht 2 had de volgende tekst: “Ha, ha grapjas. Nee bij mij werd er ’s nachts aangebeld door een kale man met een litteken op zijn gezicht. Kon hem niet goed verstaan, maar heb hem naar jou verwezen.”

(…)

4.2. De raad is van oordeel dat het eerste bericht, dat geen dreigement bevat, niet als ongeoorloofd kan worden beschouwd en verweerder zich daarmee niet klachtwaardig heeft gedragen. Van het tweede bericht kan dat wel worden gesteld. Verweerder heeft gesteld dat hij dit bericht heeft doorgestuurd maar ook dat dit, gezien de inhoud van het bericht en de wijze waarop het kan worden opgevat, niet ongeoorloofd was. Verweerder heeft daarvoor zijn excuses aangeboden. Dit betekent dat de klacht voor zover het dat bericht betreft gegrond is.”

3.17. In de tweede zaak heeft de Raad van Discipline onder meer overwogen:

“4.1. Voor wat betreft het verspreiden van informatie mag in het algemeen van de advocaat worden verwacht dat hij dit slechts doet indien hij zeker weet dat de informatie juist is. Indien de informatie van een cliënt afkomstig is, is deze grondige controle voor de advocaat in mindere mate vereist. In dit geval is de informatie verkregen van een informant van verweerder, die zijn identiteit niet prijs geeft en baseert verweerder zich op het gestelde in een brief van AFM en een met AFM gevoerd telefoongesprek. De informatie is derhalve van derden verkregen.

4.2. Verweerder heeft in de aangifte van 25 september 2009 aan het Hoofd Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie over klagers zware diffamerende beschuldigingen geuit, die ook privé personen zwaar treffen. Verweerder heeft ter zitting toegegeven dat zijn uitlatingen wat te sterk zijn geweest. De raad is van oordeel dat de door verweerder gedane uitlatingen te weinig onderbouwd zijn en de uitlatingen niet uit de aan verweerder ter beschikking staande informatie kon worden afgeleid en deze stellingen daarmee niet zo stellig in de aangifte geponeerd hadden mogen worden. Dit betekent dat klachtonderdeel (a) gegrond is.

4.3. De raad is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verweerder de gemaakte afspraak met betrekking tot de mediastilte heeft geschonden door contact op te nemen met journalisten. Voorts acht de raad de afspraken niet zodanig dat dit de reclame-uitingen, in de vorm van de zogenaamde bestellijsten, van verweerder verbood. Dit betekent dat klachtonderdeel (b) ongegrond is.”

3.18. Op 19 juli 2010 heeft de Raad van Discipline voorts in een door de Autoriteit Financiële Markten tegen [A] ingediende klacht onder meer het volgende overwogen:

“3.2 Op 2 september 2009 stuurde klaagster een brief naar verweerder met de volgende inhoud:

“Voor vandaag hadden wij een telefonische afspraak geagendeerd in verband met uw laatste e-mailberichten d.d. 17 en 22 september 2009 aan de heer [X]. Daarin lijkt u te suggereren dat er in een aan [Y] gelieerde vennootschap strafbare feiten worden gepleegd, althans gedragingen plaatsvinden die financieel rechtelijk laakbaar zouden zijn. Indien zulks zou kunnen worden vastgesteld dan heeft dit zonder meer (onderzoeks)aandacht van [klaagster]. Zij beschikt daartoe over vergaande bevoegdheden. Voor de juridisch proportionele aanwending daarvan is echter wel noodzakelijk dat [klaagster] over concrete aanwijzingen beschikt.

Tijdens ons aanvankelijk geagendeerde telefonisch onderhoud had ik graag de mogelijkheid met u besproken om uw vingerwijzingen nader te concretiseren c.q. te onderbouwen, bijvoorbeeld met de volledige gegevens van degenen op wiens verklaringen u uw stellingen baseert”.

3.3 Op 23 september 2009 vond alsnog een telefonisch onderhoud tussen klaagster en verweerder plaats. Na dit onderhoud stuurde klaagster een mailbericht naar verweerder met onder meer de volgende tekst:

“Evenwel goed dat u toch nog de gelegenheid hebt gevonden om onze afspraak doorgang te kunnen laten vinden. Ik heb ons gesprek overigens zeer gewaardeerd. Zoals ik u al toelichtte heeft [klaagster] behoefte aan een nadere concretisering van Uw vermoedens; zowel vanuit een louter operationeel als onderzoektactisch oogpunt. Ik verwijs kortheidshalve naar mijn brief van vandaag. Die sluit ik bij dit mail bericht. In dat kader heb ik er goede nota van genomen dat U beschikt over de personalia van de gedupeerde consumenten en degenen die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan valsheid in geschift.

Daarvan neemt [klaagster] graag kennis. Ik houd mij beschikbaar voor het maken van een afspraak om hieraan een vervolg te geven.”

3.4 Op 25 september 2009 stuurde verweerder een brief aan het Hoofd Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie waarin hij namens zijn kantoor aangifte deed tegen een aantal rechtspersonen en natuurlijke personen. In deze brief schreef verweerder: “[klaagster] heeft reeds aan mij bevestigd, dat een en ander aanleiding voor haar is om een grootscheeps integriteitonderzoek naar [Y] te starten, zie bijlage 3.”

(…)

4.1. Voor wat betreft het verspreiden van informatie mag in het algemeen van de advocaat worden verwacht dat hij dit slechts doet indien hij zeker weet dat dit juist is. Indien de informatie van een cliënt afkomstig is, is deze grondige controle voor de advocaat in mindere mate vereist. In dit geval betreft het echter geen informatie van een cliënt van verweerder maar informatie over een bestuursorgaan die wordt gegeven aan het openbaar ministerie.

4.2. Mede gezien de stelligheid van de uitlating die verweerder deed over klaagster, te weten dat laatstgenoemd heeft bevestigd een grootscheeps integriteitonderzoek te starten naar [Y] is de raad van oordeel dat verweerder deze uitlating niet had kunnen doen zonder zeker te weten dat dit juist was en ook aan verweerder was bevestigd. De raad is van oordeel dat het door verweerder gestelde niet uit de brief en de mail van klaagster kon worden afgeleid. Dat dit in het gevoerde telefoongesprek is verteld, is voorts niet komen vast te staan.

4.3. Dit betekent dat de klacht en het bezwaar gegrond zijn.”

4. Het geschil

in de zaak 274704

4.1. [eiser sub 5] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [A] en [B] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door [eiser sub 5] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de gezamenlijk en/of onafhankelijk van elkaar door gedaagden jegens [eiser sub 5] gepleegde onrechtmatige uitlatingen en gedragingen;

II. [A] en [B] hoofdelijk te veroordelen – des de een betalende de ander zal zijn gekweten – om binnen 2 weken na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn een bedrag van € 540.136,14, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening aan [eiser sub 5] te betalen;

III. te verklaren voor recht dat [A] en [B] hoofdelijk – des de een betalende de ander zal zijn gekweten – aansprakelijk zijn voor alle door [eiser sub 5] geleden en nog te lijden schade, uitgaande boven het bedrag vermeld onder II, dit meerdere nader op te maken bij staat;

IV. veroordeling van [A] en [B] – des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten – in de kosten van het geding, te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen deze termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

in de zaak 279488

4.2. [eiser sub 5] vordert:

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1], Stichting Derdengelden, [gedaagde sub 3], [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door [eiser sub 5] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de door [gedaagde sub 1], Stichting Derdengelden, [gedaagde sub 3], [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau jegens [eiser sub 5] gepleegde onrechtmatige uitlatingen en gedragingen;

II. [gedaagde sub 1], Stichting Derdengelden, [gedaagde sub 3], [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau hoofdelijk te veroordelen – des de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – om binnen 2 weken na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn een bedrag van € 540.136,14, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening aan [eiser sub 5] te betalen;

III. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1], Stichting Derdengelden, [gedaagde sub 3], [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau hoofdelijk – des de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – aansprakelijk zijn voor alle door [eiser sub 5] geleden en nog te lijden schade, uitgaande boven het bedrag vermeld onder II, dit meerdere nader op te maken bij staat;

IV. veroordeling van [gedaagde sub 1], Stichting Derdengelden, [gedaagde sub 3], [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – in de kosten van het geding, te voldoen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen deze termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

in beide zaken

4.3. [eiser sub 5] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen dat [A] begin 2008 [eiser sub 5] heeft benaderd met de mededeling dat de [eiser sub 5]-groep zou worden geplaatst op de “conceptlijst 40 potentiële malafide (vastgoed)beleggingsfondsen” van de Vereniging Vastgoed Participanten (VVP), een door [A] opgerichte vereniging, waarvan hij zelf voorzitter en woordvoerder is. Van plaatsing op de lijst zou worden afgezien als de [eiser sub 5]-Groep lid zou worden van een bepaalde organisatie van vastgoedaanbieders. De [eiser sub 5]-groep is geen lid van deze organisatie geworden en is ook niet op de conceptlijst geplaatst. Daarnaast verscheen er op 7 augustus 2009 op de website van [A] een link naar een enkele maanden oud artikel op de website www.inveztor.com. Daarmee werd de indruk gewekt dat het om een net verschenen kritisch artikel over de [eiser sub 5]-groep zou gaan. In de eerste helft van augustus 2009 heeft [A] voorts een CD met opnames – door [A] de “[eiser sub 5]-tapes” genoemd – toegestuurd naar de AFM voor onderzoek.

4.4. Op 12 en 13 augustus 2009 heeft [A] twee vragenlijsten naar de [eiser sub 5]-groep gestuurd waarop volgens [A] vragen voorkwamen die zouden zijn gesteld door “tal van beleggers en relaties van [B]”. [A] heeft – ondanks een daartoe strekkend verzoek van [eiser sub 5] – nagelaten de NAW-gegevens van die beleggers en relaties aan [eiser sub 5] te verschaffen. Een groot deel van de vragen konden met behulp van openbare informatie beantwoord worden. Een aantal vragen bevatte onjuiste beweringen. [A] kondigde aan deze vragenlijsten – inclusief de vragen met onjuiste beweringen – publiek te maken. Door dat te doen zou [A] zich schuldig maken aan marktmanipulatie (artikel 5:58 lid 1 onder d Wft), aldus [eiser sub 5].

4.5. Op 13 augustus 2009 heeft [A] ten laste van [eiseres sub 3] beslag gelegd bij de Rabobank in verband met een vordering van een cliënt van hem. Het proces-verbaal van beslaglegging stuurde hij naar diverse media. In de laatste week van augustus 2009 liet [A] beslag leggen ten laste van de [eiser sub 5]-groep omdat hij € 1.000,000,00 schade zou hebben geleden als gevolg van uitlatingen van de [eiser sub 5]-groep. [A] heeft de AFM geïnformeerd over de beslaglegging. Het verzoekschrift tot het leggen van het beslag heeft [A] laten plaatsen op de website www.925.nl. In het verzoekschrift waren NAW-gegevens van [eiseres sub 5] vermeld. Overigens heeft [A] in augustus 2009 herhaaldelijk per mail en sms contact gezocht met [eiseres sub 5] en andere medewerkers van [eiser sub 5].

4.6. [eiser sub 5] stelt dat de onder ?3.3, ?3.5 tot en met ?3.11, ?3.13 en ?4.5 tot en met ?4.8 omschreven gedragingen van [A] onrechtmatig zijn jegens [eiser sub 5]. Voorts stelt hij dat [A] zich door zijn handelwijze schuldig heeft gemaakt aan “corporate stalking”, wat eveneens onrechtmatig is tegenover [eiser sub 5]. [A] dient daarom de schade te vergoeden die [eiser sub 5] als gevolg daarvan heeft geleden.

4.7. [A] betwist aansprakelijk te zijn voor de door [eiser sub 5] gestelde schade. Volgens hem heeft hij nimmer voor zichzelf of in privé gesproken, maar steeds uitsluitend namens [B]. Hij betwist voorts dat [eiser sub 5] als gevolg van de door haar gestelde feiten en omstandigheden schade heeft geleden, terwijl [eiser sub 5] volgens [A] bovendien niet heeft aangegeven welke vennootschap de gestelde schade heeft geleden. Daarnaast stelt [A] dat de door [eiser sub 5] gestelde schade ook kan zijn veroorzaakt door de kredietcrisis of door rechtmatige gedragingen van [A], in welke beide gevallen er geen schadevergoedingsplicht van [A] bestaat. Volgens [A] heeft hij nimmer gezegd: “er zou een onderzoek bij de SEC lopen”, “de cijfers stinken” en “[eiser sub 5] laat [A] achtervolgen”. Hij biedt bewijs aan van de stelling dat hij nimmer tegen de journalist van het blad Vastgoedmarkt heeft gezegd dat er een onderzoek bij de SEC zou lopen.

4.8. Ook [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau voeren verweer. Op de standpunten van partijen in dat geschil, zal hierna worden teruggekomen.

5. De beoordeling

Met betrekking tot [A] en [B]

5.1. De rechtbank gaat allereerst in op de individuele uitlatingen van [A] en [B], waarvan [eiser sub 5] stelt dat die onrechtmatig zijn. Met betrekking tot die uitlatingen stelt de rechtbank voorop dat het [A] op grond van artikel 10 EVRM in beginsel vrij staat om zich over de op de markt opererende (vastgoed) beleggingsfondsen kritisch uit te laten en daarover zijn mening te geven of te publiceren. Daarbij dienen echter de grenzen die de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer met zich brengt niet te worden overschreden. Van een dergelijke overschrijding kan sprake zijn, indien de gepubliceerde uitlatingen feitelijk onjuist of onnodig grievend zijn.

5.2. De eerste uitlating van [A] waarnaar [eiser sub 5] verwijst, betreft de onder ?3.3 omschreven uitlatingen in het maandblad Vastgoedmarkt. Over de uitlatingen in dit maandblad heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 1 april 2009 reeds het onder ?3.4 gegeven oordeel gegeven. [eiser sub 5] heeft – naast hetgeen hij in de kort gedingprocedure had aangevoerd – geen nadere argumenten aangevoerd ter onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de onrechtmatigheid van de uitlatingen van [A]. Ook de stelling van [A] in de onderhavige procedure dat hij de uitlating niet heeft gedaan zoals die in het maandblad is opgenomen, is reeds door de voorzieningenrechter bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank is met de voorzieningenrechter – en op dezelfde gronden als zijn vermeld in het kortgedingvonnis – van oordeel dat [A]’ uitlatingen omtrent het SEC onderzoek naar [eiser sub 5] in de Verenigde Staten onrechtmatig zijn geweest. Om herhaling te voorkomen verwijst de rechtbank naar hetgeen de voorzieningenrechter in dit kader heeft overwogen.

5.3. Met betrekking tot het onder ?3.5 weergegeven bericht dat op de website van [B] heeft gestaan, heeft [A] niet weersproken dat dit inhoudelijk onjuist is. De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen van dergelijke onjuiste informatie op de website in beginsel onrechtmatig is jegens [eiser sub 5]. De rechtbank merkt hierbij op dat uit de stellingen van [eiser sub 5] blijkt dat [A] het bericht na sommatie daartoe binnen een kwartier van de website heeft verwijderd en dat niet duidelijk is hoe lang het bericht op de website heeft gestaan. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden op voorhand niet duidelijk is dat [eiser sub 5] schade heeft geleden als gevolg van de plaatsing van het onjuiste bericht.

5.4. De onder ?3.6 geciteerde tekst die door het magazine Miljonair aan [eiser sub 5] is toegestuurd voor het geven van commentaar, is uiteindelijk niet gepubliceerd. Of de daarin opgenomen uitlatingen onrechtmatig zijn jegens [eiser sub 5] is daarom met name van belang in het kader van de hierna te beantwoorden vraag of sprake is van corporate stalking, waarop de rechtbank hierna nog terugkomt.

5.5. De voorzieningenrechter te Utrecht heeft bij vonnis van 21 oktober 2009 reeds geoordeeld over het onder ?3.7 geciteerde artikel in de Telegraaf van 14 augustus 2009, de onder ?3.11 geciteerde aangiftebrief en de onder ?4.3 genoemde “[eiser sub 5]-tapes”. Ook hiervoor geldt dat [eiser sub 5] geen nadere onderbouwing voor zijn stellingen met betrekking tot de onrechtmatigheid van de bedoelde uitlatingen heeft gedaan [A] betwist thans dat hij de uitlating heeft gedaan dat hij in opdracht van [eiser sub 5] werd gevolgd. Uit de door hem overgelegde pleitnota van het in oktober 2009 gehouden kort geding volgt echter dat [A] op dat moment niet heeft betwist dat hij die uitlating had gedaan. Bovendien heeft hij – zoals blijkt uit hetgeen onder ?3.16 is opgenomen – een tweetal sms-berichten verstuurd die ook betrekking hebben op een door [A] vermeende achtervolging in opdracht van [eiser sub 5]. Gezien deze feiten en omstandigheden had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [A] gelegen zijn standpunt dat hij niet gezegd heeft in opdracht van [eiser sub 5] achtervolgd te worden nader te motiveren. Nu hij dat heeft nagelaten zal de rechtbank verder aan deze stelling van [A] voorbijgaan. Dat betekent dat de rechtbank met de voorzieningenrechter van oordeel is dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door publiekelijk te beweren dat hij in opdracht van [eiser sub 5] werd gevolgd, dat [eiser sub 5] de “Nederlandse Madoff” is, door de aangiftebrief van 25 september 2009 aan de media te verstrekken en door te beweren dat de functionarissen van [eiser sub 5] in het verleden strafbare feiten hebben gepleegd.

5.6. [eiser sub 5] stelt dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door aan het tijdschrift Vastgoedmarkt te melden dat de [eiser sub 5]-groep niet in staat zou zijn om salarissen van medewerkers te betalen (zie ?3.8). Het bewuste artikel waarin die uitspraak is gedaan gaat over het beslag dat [eiser sub 5] zelf heeft gelegd onder [B]. Kennelijk heeft de redactie van Vastgoedmarkt [B] om een reactie gevraagd. In dat kader is namens [B] verklaard dat men het ongepast vindt dat [eiser sub 5], nu hij “blijkbaar” zijn eigen medewerkers niet meer kan betalen, tracht de medewerkers van [B] te raken. Gezien het kader waarin deze uitspraak is gedaan, het voorbehoud dat daarin gezien het woord “blijkbaar” is gemaakt en de rol die [eiser sub 5] daarin zelf heeft gespeeld (te weten het meewerken aan het verschijnen van een artikel waarin het door [eiser sub 5] gelegde beslag wordt gepubliceerd in Vastgoedmarkt), is de rechtbank van oordeel dat die uitspraak niet als onrechtmatig heeft te gelden.

5.7. Voor het onder ?3.9 genoemde sms-bericht geldt dat dit volgens [eiser sub 5] door [A] aan zijn raadsman is gestuurd. Het sms-bericht is derhalve niet in de openbaarheid gebracht. De rechtbank zal de vraag of het versturen van dit bericht onrechtmatig is dan ook behandelen in het kader van de vraag of de handelwijze van [A] te kwalificeren is als corporate stalking en op grond daarvan onrechtmatig is.

5.8. Uit de onder ?3.10 geciteerde tekst in het magazine Miljonair volgt dat [A] de naam van [eiser sub 5] wederom koppelt aan “de Nederlandse Madoff”. De rechtbank heeft hiervoor reeds (met de voorzieningenrechter in haar vonnis van 21 oktober 2009) geoordeeld dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser sub 5] op die wijze aan te duiden. Dat geldt derhalve ook voor de uitlating in het magazine Miljonair.

5.9. Met betrekking tot de onder ?3.13 geciteerde brief van oktober 2009 en de daarbij gevoegde “bestellijst” heeft de rechtbank in het provisioneel vonnis van 13 januari 2010 reeds overwogen dat de daarin opgenomen uitingen voorshands als onrechtmatig worden beoordeeld. De rechtbank is ook thans van oordeel dat die uitlatingen onrechtmatig zijn en handhaaft de daarvoor in voornoemd vonnis gegeven motivering.

5.10. Resteert de vraag of [A] zich door zijn handelwijze heeft schuldig gemaakt aan “corporate stalking”. [eiser sub 5] stelt dat daarvan sprake is nu [A] functionarissen van de [eiser sub 5]-Groep regelmatig heeft belaagd met telefoontjes en sms-berichten, waarin hij bedreigt, beschuldigt, manipuleert en irriteert. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Uit de door partijen overgelegde stukken volgt dat de verhouding tussen partijen reeds snel na hun eerste contact is verslechterd. Dit heeft er toe geleid dat partijen over en weer procedures tegen elkaar zijn gaan aanspannen, beslagen hebben gelegd en aangiftes tegen elkaar zijn gaan doen. Bovendien hebben zij beiden de media te woord gestaan en zich daarin op onvriendelijke wijze over elkaar uitgelaten. Aan [eiser sub 5] moet worden toegegeven dat hij de contacten met [A] niet heeft geïnitieerd. Anderzijds kan de rol van [eiser sub 5] in de verslechtering van de relatie tussen partijen niet geheel worden uitgewist. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de onder ?3.7 geciteerde uitspraken van de raadsman van [eiser sub 5], die [A] “knettergek” en een “juridische pyromaan” noemt. Gezien de rol van beide partijen in de verslechtering van hun verhouding is de rechtbank van oordeel dat de telefoontjes en sms-jes van [A] niet los kunnen worden gezien van de hiervoor vermelde uitlatingen en gedragingen van [eiser sub 5]. Alles tegen elkaar afwegende is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van [A] niet kan worden aangemerkt als belaging. Voor zover de vorderingen van [eiser sub 5] zijn gebaseerd op de stelling dat sprake is van “corporate stalking” zullen deze derhalve worden afgewezen.

5.11. [A] heeft nog aangevoerd dat alle door hem gedane uitlatingen door hem zijn gedaan namens [B], zodat hij daarvoor niet in privé kan worden aangesproken. Zoals de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 1 april 2009 reeds heeft overwogen, moet het er met betrekking tot de onder ?5.2 bedoelde uitlating voor gehouden worden dat het de journalist er om te doen was [A]’ mening te horen en niet de mening van het kantoor. Met betrekking tot deze uitlating volgt de rechtbank [A] derhalve niet. Hetzelfde geldt voor de ?5.8 bedoelde uitlating in het tijdschrift Miljonair. De uitlatingen bedoeld onder ?5.3, ?5.5 en ?5.9 zijn naar het oordeel van de rechtbank echter gedaan door [B]. De onder ?5.3 bedoelde tekst verscheen immers op de website van [B]. De onder ?5.5 genoemde aangifte is gedaan namens [B]. De aangifte begint immers als volgt:

“Middels deze doet mijn kantoor, [B] B.V., aangifte van (het vermoeden van) beleggingsfraude, meer specifiek van i) valsheid in geschrifte, opgave van onware gegevens en schending van de verplichting gegevens te verstrekken en/of ii) oplichting en/of iii) verduistering en/of iv) overtreding van de Wet op het financieel toezicht (Wft).”

Verder is de onder ?3.13 geciteerde brief geschreven op papier van [B], terwijl uit de tekst van de brief ook volgt dat [B] de afzender is.

5.12. Gezien het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat [A] en [B] verschillende uitlatingen hebben gedaan die onrechtmatig worden geacht ten opzichte van [eiser sub 5]. [A] is dan ook gehouden de schade te vergoeden die [eiser sub 5] heeft geleden als gevolg van de onder ?5.2 en ?5.8 bedoelde uitlatingen.

5.13. [B] heeft geen verweer gevoerd tegen de door [eiser sub 5] ingestelde vorderingen. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de onder ?5.3, ?5.5 en ?5.9 genoemde uitlatingen zijn verricht door [B] en dat deze onrechtmatig zijn tegenover [eiser sub 5]. De rechtbank zal daarom in zoverre de gevorderde verklaring voor recht geven. Voor zover een ruimere verklaring voor recht is gevorderd door [eiser sub 5], komt deze de rechtbank ongegrond voor, zodat die zal worden afgewezen.

5.14. [B] is op 24 november 2009 in staat van faillissement verklaard. Op grond van artikel 29 van de Faillissementswet worden aanhangige procedures die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben geschorst. De door [eiser sub 5] gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en tot vergoeding van een bedrag van € 540.136,14 als voorschot hierop zijn aan te merken als een procedure die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft. De rechtbank zal derhalve in het dictum van dit vonnis verstaan dat de procedure tegen [B] met betrekking tot die vorderingen is geschorst.

De gevorderde schadevergoeding

5.15. [eiser sub 5] vordert veroordeling van [A] tot vergoeding van de door hem geleden schade, nader op te maken bij staat. Voorts vordert [eiser sub 5] een voorschot op de schadevergoeding van € 540.136,14.

5.16. Voor de toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk wordt gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat [eiser sub 5] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verschillende eiseressen schade hebben geleden als gevolg van de uitlatingen van [A] en [B], nu niet uit te sluiten is dat potentiële investeerders zich door de negatieve berichtgeving hebben laten afhouden van het doen van investeringen via de [eiser sub 5]-Groep. Nu de exacte hoogte van die schade thans niet te berekenen is, en voorts niet duidelijk is welke partij mogelijk schade heeft geleden, zal de vordering tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, worden toegewezen.

5.17. Het door [eiser sub 5] gevorderde voorschot van € 540.136,14 is als volgt opgebouwd:

126,7[G] (CFO van [eiseres sub 2]) € 57.[E] (COO van [eiseres sub 2]) € 12.825,00

58 uur [G] (CEO van [eiseres sub 2]) € 34.800,00

Kosten advocatenkantoor Paul Weiss € 5.473,64

Kosten advocatenkantoor Spigthoff € 30.000,00

Reputatieschade € 400.000,00

Totaal € 540.136,14

5.18. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de medewerkers van [eiser sub 5] daadwerkelijk het aantal uren hebben besteed aan werkzaamheden die verband houden met de thans onrechtmatig geachte uitlatingen. Evenmin is vast komen te staan dat de door [eiser sub 5] berekende uurtarieven (€ 450,00 voor [J] en [E] en € 600,00 voor [G]) als redelijk zijn aan te merken. Evenmin is komen vast te staan dat het noodzakelijk was de kosten voor advocatenkantoor Paul Weiss te maken terwijl voorts niet duidelijk is welk gedeelte van de kosten van advocatenkantoor Spigthoff betrekking heeft op de onrechtmatig geachte uitlatingen. Om eventuele reputatieschade te becijferen zal nader onderzoek noodzakelijk zijn. Voor de stelling dat die reputatieschade in elk geval meer zal belopen dan het thans door [eiser sub 5] als voorschot gevorderde bedrag van € 400.000,00, is nog geen begin van bewijs aanwezig. Voor al deze schadeposten geldt derhalve dat [eiser sub 5] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de gestelde schade daadwerkelijk heeft geleden. Gezien het vorenstaande zal de rechtbank het gevorderde voorschot afwijzen.

Met betrekking tot [gedaagde sub 1]

5.19. [gedaagde sub 1] hield alle aandelen in en was enig bestuurder van [B]. [eiser sub 5] stelt dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de door [A] en [gedaagde sub 3] gedane onrechtmatige uitlatingen, omdat zij hun gedrag heeft toegelaten en niet heeft ingegrepen.

5.20. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [gedaagde sub 1] bestuurder was van [B] – en zij in die hoedanigheid dus maatregelen zou kunnen treffen tegen werknemers van [B] – niet reeds met zich brengt dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor onrechtmatige gedragingen van [B], [A] of [gedaagde sub 3]. Het had dan ook op de weg van [eiser sub 5] gelegen nader te onderbouwen waarom er in dit geval sprake zou zijn van bestuurdersaansprakelijkheid. Nu [eiser sub 5] dit heeft nagelaten komt de vordering van [eiser sub 5] tegen [gedaagde sub 1] de rechtbank ongegrond voor. Deze zal daarom worden afgewezen.

Met betrekking tot de Stichting Derdengelden

5.21. [eiser sub 5] stelt aanwijzingen te hebben dat [B] misbruik heeft gemaakt van de Stichting Derdengelden door deze Stichting gelden te laten ontvangen die bestemd waren voor het – inmiddels gefailleerde – [B]. Hierdoor zijn die gelden onttrokken aan het verhaal van [eiser sub 5] op [B]. De Stichting Derdengelden is daarom volgens [eiser sub 5] aansprakelijk voor de door [eiser sub 5] als gevolg daarvan geleden schade.

5.22. De stelling van [eiser sub 5] dat de Stichting Derdengelden gelden zou hebben ontvangen die bestemd waren voor [B] is door [eiser sub 5] op geen enkele wijze nader onderbouwd. [eiser sub 5] heeft bovendien niet gesteld welke bedragen op deze wijze aan het verhaal van [eiser sub 5] zouden zijn onttrokken. Ook deze vordering komt de rechtbank daarom ongegrond voor, zodat deze zal worden afgewezen.

Met betrekking tot [gedaagde sub 3]

5.23. [eiser sub 5] stelt dat [gedaagde sub 3] onrechtmatig gehandeld heeft door op de website van Vastgoedmarkt geciteerde de opmerking te plaatsen:

“Woordvoerder [gedaagde sub 3] van [B] stelt dat de onderbouwing van het verzoek tot beslag legging ‘geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren brengt’. [B] vindt het ‘zeer ongepast dat [eiser sub 5] nu hijzelf blijkbaar niet meer in staat is al zijn eigen medewerkers te betalen ook tracht alle medewerkers van [B] te raken’.”

Volgens [eiser sub 5] is [gedaagde sub 3] aansprakelijk voor de door [eiser sub 5] als gevolg hiervan geleden schade.

5.24. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van [eiser sub 5] had gelegen om te onderbouwen op welke wijze hij als gevolg van deze opmerking schade heeft geleden. Dat heeft [eiser sub 5] echter nagelaten. Dat klemt te meer nu uit de geciteerde passage blijkt dat [gedaagde sub 3] namens [B] sprak en [eiser sub 5] niet heeft toegelicht waarom [gedaagde sub 3] zelf aansprakelijk jegens [eiser sub 5] zou zijn. De vorderingen van [eiser sub 5] komen de rechtbank daarom ongegrond voor, zodat deze zullen worden afgewezen.

Met betrekking tot [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau

5.25. [eiser sub 5] stelt dat [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau aansprakelijk jegens haar zijn, omdat zij op 23 september 2009 een e-mail hebben gestuurd aan [A], waarin zij zeer ernstige beschuldigingen hebben geuit aan het adres van [eiser sub 5] en aan haar verbonden functionarissen. [A] heeft deze beschuldigingen aangegrepen door – zonder enig nader onderzoek van zijn kant – daarop de aangifte tegen [eiser sub 5] te baseren. Volgens [eiser sub 5] hebben [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau onrechtmatig jegens haar gehandeld door medewerking te verlenen aan de valse aangifte door [A].

5.26. [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau betwisten dat zij aansprakelijk zijn jegens [eiser sub 5]. Volgens hen heeft [eiseres sub 4] advieswerkzaamheden verricht voor [eiseres sub 3], maar werden de door [eiseres sub 4] daarvoor verstuurde facturen niet door [eiseres sub 3] voldaan. Zij heeft haar vordering op [eiseres sub 3] daarom ter incasso uit handen gegeven aan een advocaat, [A]. In dat kader heeft zij [A] informatie verstrekt. Zij is echter niet betrokken geweest bij het doorgeven van deze informatie door [A] aan derden.

5.27. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [eiseres sub 4] de door haar ingeschakelde advocaat [A] informatie over [eiser sub 5] heeft verstrekt, niet als onrechtmatig gekwalificeerd kan worden. [eiseres sub 4] mocht er immers van uitgaan dat [A], als advocaat, de door haar aan hem verstrekte informatie vertrouwelijk zou behandelen. In elk geval hoefde zij er niet van uit te gaan dat [A] deze informatie openbaar zou maken op de wijze zoals [eiser sub 5] thans stelt. Zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – valt derhalve niet in te zien waarom [eiseres sub 4] of het Paranormaal Adviesbureau aansprakelijk zouden zijn voor de wijze waarop [A] met de door [eiseres sub 4] aan hem verstrekte informatie is omgegaan. De vorderingen van [eiser sub 5] jegens [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau zullen daarom worden afgewezen.

5.28. [A] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser sub 5]. In de omstandigheid dat de vorderingen van [eiser sub 5] deels zijn afgewezen ziet de rechtbank aanleiding voor wat betreft de tarieven van de proceskosten aan te knopen bij het toegewezen deel van de vorderingen van [eiser sub 5]. De kosten aan de zijde van [eiser sub 5] worden begroot op:

- dagvaarding € 72,25

- vast recht 262,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.238,25

5.29. [eiser sub 5] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres sub 4] en het Paranormaal Adviesbureau. Deze kosten worden begroot op:

- vast recht € 4.836,00

- salaris procureur 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.996,00

5.30 De rechter ten overstaan van wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden heeft dit vonnis om organisatorische redenen niet meegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat [A] onrechtmatig gehandeld heeft jegens [eiser sub 5] door zijn onder ?5.2 en ?5.8 bedoelde uitlatingen, en dat hij aansprakelijk is voor alle door eisers geleden en nog te lijden schade ten gevolge van deze uitlatingen,

6.2. verklaart voor recht dat [B] onrechtmatig gehandeld heeft jegens [eiser sub 5] door haar onder ?5.3, ?5.5 en ?5.9 bedoelde uitlatingen,

6.3. verstaat dat de procedure tegen [B] is geschorst voor zover die betrekking heeft op de vordering(en) tot schadevergoeding,

6.4. veroordeelt [A] in de aan de zijde van eisers gevallen proceskosten, tot op heden begroot op € 1.238,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.5. veroordeelt eisers hoofdelijk, des dat de een betalende de andere zullen zijn bevrijd in de aan de zijde van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] gevallen proceskosten, tot op heden begroot op € 9.996,00,

6.6. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder ?6.4 en ?6.5 uitgesproken kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, mr. J.K.J. van den Boom en mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.