Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2871

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
16-512370-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven. Deze beroving vond 's nachts plaats op twee willekeurige passanten. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 105 dagen, waarvan 90 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512370-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H. Seton, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsvrouwe van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadige straatroof op twee jongens.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat niet kan worden bewezen dat een telefoon en een bedrag van € 10,00 van aangever [slachtoffer 2] zijn weggenomen, nu alleen hij daarover heeft verklaard.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 18 januari 2011 ;

- de aangifte van [slachtoffer 1] ;

- de aangifte van [slachtoffer 2] .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 05 september 2010 in de gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

op de openbare weg, de Prinsesselaan, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1]

heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en een geldbedrag van ongeveer 10 euro en een polshorloge, toebehorende aan die [slachtoffer 2] of die [slachtoffer 1],

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een polshorloge, toebehorende aan die [slachtoffer 2] of die [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad hetzij aan zichzelf en zijn mededaders de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders

- opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer 2] van een fiets heeft getrokken, en

- opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] tegen het lichaam hebben geschopt en tegen het hoofd en/of het lichaam hebben gestompt / geslagen, en

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd/geroepen: "geef geld, geef geld", en

- opzettelijk gewelddadig een polshorloge van de pols/arm van die [slachtoffer 2] heeft gerukt/getrokken, en

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd/geroepen: "doe je horloge af, want anders slaan we je dood" en "geef je spullen af" en "laat voelen, laat voelen", en

- opzettelijk gewelddadig een polshorloge uit een hand van die [slachtoffer 1] heeft gegrist/gepakt, en

- opzettelijk gewelddadig met een breekijzer op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door P.M. Boeting, kinder- en jeugdpsychiater, die op 24 november 2010 een rapport heeft uitgebracht.

Uit het rapport van Boeting blijkt, dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van ADHD met kenmerken van PDD-NOS en van alcoholmisbruik. Daarbij is er volgens Boeting op basis van eerdere testgegevens qua intelligentie sprake van een zeer wisselend niveau van functioneren. Verdachte functioneert in het intelligentie onderzoek van 2007 verbaal op ruim gemiddeld niveau, maar qua praktisch inzichtelijke vaardigheden op moeilijk lerend niveau, aldus Boeting. Verdachte is niet in staat geweest zijn gevoelens en gedrag adequaat te reguleren, de consequenties van zijn handelen juist in te schatten en zijn wil in overeenstemming met dit inzicht te bepalen. Verdachte zou op grond van bovenstaande overwegingen als licht tot verminderd toerekeningsvatbaar kunnen worden aangemerkt, aldus Boeting.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige met betrekking tot de licht tot verminderde toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg afdeling Jeugdreclassering in het kader van de maatregel Hulp en Steun, ook als dit het meewerken aan FFT (functionele gezinstherapie) bij Altrecht inhoudt, indien en voor zover dit door Altrecht noodzakelijk wordt geacht, en het voortzetten van het contact met B-open. Voorts vordert zij een werkstraf van 140 uur, te vervangen door 70 dagen jeugddetentie als de verdachte deze niet naar behoren verricht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een vormverzuim rond de aanhouding van verdachte, waarop artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. In het proces-verbaal van aanhouding is immers opgenomen, dat verdachte op bevel van de officier van justitie buiten heterdaad is aangehouden, hetgeen gezien de feitelijke gang van zaken onmogelijk is. De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat strafvermindering een passende sanctie is wanneer het tot strafoplegging zou komen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven. Deze beroving vond ’s nachts plaats op twee willekeurige passanten. Verdachte heeft daarbij met een koevoet op het hoofd van één van de slachtoffers geslagen en het andere slachtoffer van de fiets getrokken. Dit is een ernstig strafbaar feit dat de rechtbank zwaar laat wegen. Het is bekend dat slachtoffers dergelijke gebeurtenissen als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen geldt dat ook voor de onderhavige slachtoffers. Ook veroorzaken dergelijke straatroven bij anderen in de samenleving een gevoel van onveiligheid.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat – uit een oogpunt van vergelding en normhandhaving, maar ook generale preventie – de door de officier van justitie gevorderde strafeis alleszins gerechtvaardigd is.

De rechtbank zal geen strafvermindering toepassen vanwege het door de verdediging aangevoerde vormverzuim. De rechtbank is van oordeel, dat het proces-verbaal van aanhouding weliswaar foutief vermeldt dat verdachte buiten heterdaad is aangehouden, welke aanhouding naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf rechtmatig was, maar dat verdachte hierdoor op geen enkele wijze in zijn rechtens te respecteren (verdedigings)belangen is geschaad. De rechtbank zal daarom volstaan met de enkele constatering dat hier een vormverzuim heeft plaatsgevonden.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat hij, zowel bij de politie als ter terechtzitting, openheid van zaken heeft gegeven over zijn rol en die van zijn mededaders. Verdachte heeft daarmee verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen. In het voordeel van verdachte laat de rechtbank eveneens meewegen, dat hij niet eerder is veroordeeld.

Het bewezen verklaarde feit is, zoals gezegd, ernstig en rechtvaardigt zonder meer de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Behandeling en begeleiding van verdachte dient thans naar het oordeel van de rechtbank voorrang te krijgen boven verdere afstraffing.

Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Met deze voorwaardelijke straf wordt mede beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Tevens maakt dit voortzetting van de begeleiding door de jeugdreclassering mogelijk, hetgeen de rechtbank noodzakelijk acht. In de duur van de jeugddetentie wil de rechtbank tot uitdrukking brengen dat naar haar oordeel zo spoedig mogelijk met behandeling dient te worden gestart. Tevens zal verdachte een werkstraf worden opgelegd.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.462,36 voor het tenlastegelegde.

De verdediging heeft aangevoerd, dat het nieuw afgesloten telefoonabonnement niet aan verdachte kan worden toegerekend. De termijn van drie maanden waarin verdachte niet heeft kunnen voetballen is moeilijk te beoordelen, volgens de verdediging. De verdediging ziet voorts in de bijgevoegde uitspraak uit de ANWB Smartengeldgids geen aanleiding om de immateriële schadevergoeding af te ronden op een bedrag van € 1.000,00.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot dit bedrag een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 462,36 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal ook een schadevergoedingsmaatregel opleggen zodat de overheid het toegewezen bedrag zal incasseren en de aangever bij niet betaling door verdachte een voorschot kan verkrijgen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 159,70 voor het tenlastegelegde.

De verdediging heeft aangevoerd, dat niet uitgesloten is dat de benadeelde partij zijn mobiele telefoon heeft verloren, nu deze niet bij verdachte of één van de medeverdachten is aangetroffen. Dit deel van de vordering dient daarom te worden afgewezen dan wel niet ontvankelijk te worden verklaard nu het onvoldoende is onderbouwd en behandeling in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot dit bedrag een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De door de benadeelde partij opgevoerde posten betreffen goederen die door verdachte en diens mededaders van hem zijn weggenomen. Dat deze goederen niet zijn teruggevonden maakt dit niet anders. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal ook een schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de overheid het toegewezen bedrag zal incasseren en de aangever bij niet betaling door verdachte een voorschot kan verkrijgen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 56, 77a, 77g, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 105 dagen, waarvan 90 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg afdeling Jeugdreclassering, ook als dit het meewerken aan FFT (functionele gezinstherapie) bij Altrecht inhoudt, indien en voor zover dit door Altrecht noodzakelijk wordt geacht, en het voortzetten van het contact met B-open;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 140 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, jeugddetentie zal worden toegepast van 70 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van

€ 1.462,36, waarvan € 462,36 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], €1.462,36 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 24 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van

€ 159,70 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2], € 159,70 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.C. Oostendorp en mr. I.P.H.M. Severeijns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 februari 2011.