Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2283

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
681624 UC EXPL 10-3577 LH 464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen werkgever en gewezen werknemer over actuariële herrekening van prepensioen in het licht van de amendementen van Tweede Kamerlid Vendrik. Volledige actuariële herrekening is in dit geval arbeidsvoorwaarde geworden, die werkgever niet eenzijdig kon wijzigen. Toetsing aan het arrest Stoof/Mammoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0091
PJ 2011/49

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 681624 UC EXPL 10-3577 LH 464

vonnis d.d. 2 februari 2011

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. R. van der Stege,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Postkantoren B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Postkantoren,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. D.J. Wentink-Kolk.

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

Postkantoren heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en Postkantoren heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. [eiser], geboren op [1944], is van 1 januari 1998 tot 1 november 2009 in dienst geweest van (de rechtsvoorgangster van) Postkantoren, laatstelijk in de functie van hoofd beheer afdeling IPC tegen een bruto loon van € 6.177,26 per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten). Op de arbeidsovereenkomst was de CAO Postkantoren BV (hierna te noemen de CAO) van toepassing.

1.2. Net als de daaraan voorafgegane CAO’s, kende de CAO die in de periode van 1 april 2009 tot 1 januari 2010 heeft gegolden een prepensioenregeling, die aan de werknemer, geboren vóór 1 januari 1950, die in dienst was op 31 december 2000 en sindsdien ononderbroken in dienst is gebleven, recht verleent op een prepensioenuitkering met ingang van de zestiende kalenderdag van de maand die volgt op de derde volle kalendermaand na de dag waarop de werknemer 61 jaar wordt. [eiser] had vanaf 16 april 2006 de mogelijkheid met prepensioen te gaan.

1.3. Met ingang van 1 januari 2005 is de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) zodanig gewijzigd dat regelingen, die het werknemers mogelijk maken te stoppen met werken vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, niet langer fiscaal worden gefacilieerd zoals dat voordien het geval was. Artikel 38 c Wet LB 1964 geeft een overgangregeling voor werknemers die vóór 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt. Ingevolge deze overgangsbepaling bleef de fiscale faciliëring, zoals die tot en met 31 december 2004 heeft gegolden, ook na 31 december 2005 ongewijzigd gehandhaafd, indien nog uitsluitend uitkeringen zouden worden gedaan die met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum. Dit leidde ertoe dat indien de uitkeringen volledig (100%) actuarieel werden herrekend, de eindheffing van het toenmalige artikel 32aa Wet LB 1964 niet van toepassing was. Deze overgangsbepaling strekte ertoe oudere werknemers te stimuleren langer door te werken.

1.4. De in de CAO opgenomen prepensioenregeling is daarna ongewijzigd gehandhaafd. Postkantoren heeft de uitkeringen aan geprepensioneerden 100% actuarieel doen herrekenen. [eiser] is op en na 16 april 2006 blijven doorwerken. Op zijn verzoek (en met bemiddeling van de heer [adviseur], adviseur arbeidszaken van Postkantoren) heeft de uitvoerder van de regeling, TKP Pensioen B.V. (hierna: TKP), op 15 november 2007 een indicatieve berekening gemaakt van de aan [eiser] toekomende prepensioenuitkering, in het geval hij per 1 april 2008 zou stoppen met werken. De bruto uitkering zou dan naar verwachting uitkomen op € 8.726,71 per maand. [eiser] heeft ervoor gekozen door te blijven werken.

1.5. Bij amendement van het Tweede Kamerlid Vendrik c.s. van 21 november 2007 is voorgesteld genoemd artikel 38c Wet LB 1964 te wijzigen in die zin dat de fiscale faciliëring ook geldt indien geen sprake is van 100% actuariële herrekening, maar van een verhoging van de uitkeringen die minimaal gelijk is aan 50% van de verhoging van de uitkeringen die zou resulteren bij een herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Met ingang van 1 januari 2008 is een overeenkomstige wijziging van genoemde bepaling in werking getreden.

1.6. Tot 1 september 2008 is Postkantoren de prepensioenuitkeringen volledig (100%) actuarieel blijven herrekenen. Op verzoek van [eiser] heeft TKP op 17 december 2008 opnieuw een indicatie van zijn prepensioen gegeven. Omdat Postkantoren had besloten de uitkeringen vanaf 1 september 2008 nog slechts te verhogen met 50% van de verhoging die zou resulteren bij een 100% actuariële herrekening, resulteerde de berekening in een verwacht prepensioen per 1 januari 2009 van € 14.843,33 bruto per maand. Postkantoren heeft [eiser] niet in kennis gesteld van haar voornemen om het prepensioen met ingang van 1 september 2008 niet meer 100% actuarieel te herrekenen.

1.7. [eiser] is met ingang van 1 november 2009 met prepensioen gegaan. Over de maanden november en december 2009 heeft hij van Postkantoren een uitkering van € 55.371,56 bruto per maand ontvangen.

De vordering en de standpunten van partijen

2.1. [eiser] vordert, na wijziging van de eis, primair dat Postkantoren wordt veroordeeld om aan hem over de maanden november en december 2009 een uitkering op grond van de in haar onderneming geldende prepensioenregeling te voldoen, die is gebaseerd op een volledige actuariële herrekening van de prepensioenuitkeringen die hij zou hebben ontvangen, indien hij met ingang van 16 april 2006 van de mogelijkheid tot prepensionering gebruik had gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid tot de voldoening, althans - subsidiair- om aan hem te voldoen een geldbedrag, door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, met veroordeling van Postkantoren in de proceskosten.

2.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Postkantoren hem vanaf 2006 heeft meegedeeld en bevestigd dat zijn prepensioenuitkeringen volledig actuarieel zouden worden herrekend, indien hij later dan 16 april 2006 met prepensioen zou gaan. Deze wijze van herrekening, die ook ten grondslag lag aan de indicatie die TKP in november 2007 verstrekte, is onderdeel gaan uitmaken van de voorwaarden waaronder [eiser] voor Postkantoren werkzaam was. [eiser] heeft erop gerekend, en erop mogen vertrouwen, dat zijn prepensioen te zijner tijd 100% actuarieel zou worden herrekend. Mede daarom is hij na 16 april 2006 blijven doorwerken. Postkantoren heeft de ‘oprenting’ per 1 september 2008 teruggebracht van 100 naar 50% zonder [eiser] tijdig over haar voornemen in te lichten en zonder hierover vooraf met hem te overleggen. Tot deze eenzijdige wijziging was zij niet gerechtigd. [eiser] beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008 inzake Stoof/Mammoet (JAR 2008,204). Door hem aldus de gelegenheid te ontnemen zich over de ingangsdatum van zijn prepensioen te beraden, heeft Postkantoren gehandeld in strijd met het goed werkgeverschap.

3. Postkantoren betwist de vordering. De prepensioenregeling in de CAO is door de wijzigingen van de fiscale wetgeving per 1 januari 2006 en 1 januari 2008 niet veranderd. Het stond Postkantoren vrij om de wijze van herrekening van prepensioenuitkeringen in de loop van 2008 aan te passen aan de per 1 januari 2008 gewijzigde fiscale regels. De rechtspraak waarop [eiser] zich beroept, vindt geen toepassing omdat van een eenzijdige wijziging van gemaakte afspraken geen sprake was. Aan de indicatieve berekeningen van TKP kon [eiser] ten aanzien van (de hoogte van) zijn toekomstige prepensioen geen rechten ontlenen. Hem is (door de heer [adviseur]) slechts uitleg gegeven over de wijze waarop de CAO-regeling destijds werd uitgevoerd. Met hem is niet afgesproken dat hij op volledige actuariële herrekening aanspraak kon blijven maken. Van enige toezegging of garantie in die zin is evenmin sprake geweest. [eiser] was van de wetswijzigingen op de hoogte en heeft er bewust voor gekozen na 16 april 2006 te blijven doorwerken en pas per 1 november 2009 met prepensioen te gaan. Postkantoren heeft geen invloed uitgeoefend op zijn beslissing om tot 1 november 2009 te blijven doorwerken. De gevolgen van die keuze, verband houdende met gewijzigde fiscale regels, komen voor rekening van [eiser].

De beoordeling van het geschil

4.1. Partijen twisten over de vraag of Postkantoren in de loop van 2008 gerechtigd was om de prepensioenuitkeringen van [eiser] niet langer volledig, maar nog slechts voor de helft actuarieel te herrekenen. Volgens Postkantoren stond het haar vrij om de wijze van ‘oprenting’, ook zonder hierover van tevoren met [eiser] te overleggen, aan te passen aan de per 1 januari 2008 gewijzigde fiscale regels, nu van een collectieve of individuele afspraak of toezegging om het prepensioen 100% actuarieel te blijven herrekenen geen sprake was. Volgens [eiser] behoefde Postkantoren daarvoor zijn instemming, althans had zij hem daarover een redelijk voorstel moeten doen en had zij slechts tot eenzijdige wijziging kunnen overgaan indien redelijkerwijs van hem gevergd kon worden dit voorstel te aanvaarden. De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

4.2. Voorop gesteld wordt, dat uit de per 1 januari 2008 in werking getreden wijziging van de overgangsregeling van artikel 38 lid 2 aanhef en onder b Wet LB 1964 voor Postkantoren niet de verplichting voortvloeide om de prepensioenuitkeringen van [eiser] daarna nog slechts voor 50% te herrekenen. Blijkens de toelichting op het amendement Vendrik van 21 november 2007 strekte de voorgestelde wijziging ertoe de voorwaarde (van actuariële herrekening) voor het buiten toepassing blijven van de eindheffing van het (nieuwe) artikel 32ba Wet LB 1964 te versoepelen: ‘Door sociale partners is (-) verzocht om iets meer flexibiliteit onder de randvoorwaarde dat langer doorwerken blijft lonen. Daartoe dient de minimumvereiste van 50% in het amendement. (-) Het amendement is aldus bevorderlijk voor het draagvlak onder de overgangsregeling, omdat sociale partners een afgebakende ruimte krijgen voor sector-specifieke oplossingen. De verantwoordelijkheid voor de precieze invulling en toepassing van het overgangsrecht komt da(a)rmee meer bij werkgevers en werknemers te liggen, terwijl de grondgedachte van de overgangsregeling - langer doorwerken moet lonen - van kracht blijft.’ Op grond hiervan was het aan Postkantoren om te beslissen hoe - en vanaf wanneer - zij de uitkeringen van haar geprepensioneerden anders zou herrekenen dan zij tevoren had gedaan.

4.3. Vervolgens is de vraag of Postkantoren van deze beslissingsruimte gebruik heeft mogen maken door de ‘oprenting’ zonder voorafgaand overleg met [eiser] per 1 september 2008 te halveren. Bij de beantwoording van deze vraag kan in het midden blijven of tussen partijen uitdrukkelijk is overeengekomen dat [eiser] aanspraak kon (blijven) maken op volledige actuariële herrekening van zijn prepensioen. Vast staat immers dat Postkantoren er in 2006 voor heeft gekozen om, teneinde te kunnen profiteren van de fiscale faciliteiten, de uitkeringen van haar geprepensioneerden die na de vroegst mogelijke ingangsdatum van hun prepensioen hebben doorgewerkt, volledig te herrekenen. Aldus is deze wijze van actuariële herrekening gaan behoren tot de arbeidsvoorwaarden van [eiser], op de naleving waarvan hij voorshands mocht rekenen. Dit betekende weliswaar niet dat Postkantoren in de gekozen wijze van uitvoering van de CAO-regeling nimmer verandering zou mogen brengen, maar bracht wel mee dat zij òfwel daarvoor de instemming van [eiser] behoefde, òfwel bij een eenzijdige wijziging aan de daarvoor gegeven toets diende te voldoen.

4.4. Postkantoren heeft zich niet beroepen op een eenzijdige wijzigingsbeding, als bedoeld in artikel 7:613 BW. Nu niet is gesteld of gebleken dat zij zich schriftelijk de bevoegdheid tot eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden heeft voorbehouden, doet zich niet de situatie voor dat Postkantoren, weliswaar met inachtneming van de beperkingen die artikel 7:613 BW ter bescherming van de werknemer(s) stelt, arbeidsvoorwaarden eenzijdig mocht wijzigen, ongeacht de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven (vgl. r.o. 3.3.3. van het arrest Stoof/Mammoet). [eiser] was daarom in beginsel niet gehouden de wijziging in de herrekening van zijn prepensioen te aanvaarden. Daarover diende Postkantoren in beginsel met hem overeenstemming te (trachten te) bereiken. In dat verband zijn de voor partijen als werkgever en werknemer over en weer uit artikel 7:611 BW voortvloeiende verplichtingen van belang. Aan deze wetsbepaling heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 26 juni 1998 NJ 1998,767 (Van der Lely/Taxi Hofman) de maatstaf ontleend dat de werknemer op redelijke voorstellen van de werkgever positief behoort in te gaan, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Zoals de Hoge Raad in het arrest Stoof/Mammoet heeft benadrukt, dient bij de hantering van deze maatstaf in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede - naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming - de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. Deze toets moet ook in dit geding worden aangelegd. Daaraan staat niet in de weg dat bij de kwestie van de herrekening van prepensioenuitkeringen mogelijk de belangen van verscheidene werknemers betrokken waren. Vast staat dat het Postkantoren ermee bekend was dat (in elk geval) [eiser] behoorde tot de werknemers op wie de overgangsregeling van artikel 38c Wet LB 1964 van toepassing was.

4.5. Nu Postkantoren heeft nagelaten tijdig vóór 1 september 2008 aan [eiser] enig voorstel tot wijziging van de herrekening van zijn prepensioen te doen, heeft zij niet gehandeld zoals van een goed werkgever verwacht mocht worden. Het enkele ontbreken van een dergelijk voorstel maakt dat van [eiser] niet in de gelegenheid is geweest zich nader te bezinnen op de ingangsdatum van zijn prepensioen. Onder deze omstandigheden kon redelijkerwijs niet van hem worden gevergd dat hij zich bij het besluit van Postkantoren om zijn prepensioen nog slechts voor de helft te herrekenen neerlegde.

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire vordering toewijsbaar is, zoals hierna omschreven. Dit geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente, nu dit deel van de vordering niet afzonderlijk is betwist. Op het bezwaar dat Postkantoren tegen de eiswijziging heeft gemaakt, behoeft niet te worden beslist, nu deze wijziging geen betrekking heeft op het primair gevorderde.

4.7. Postkantoren wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Postkantoren om aan [eiser] over de maanden november en december 2009 een uitkering op grond van de in haar onderneming geldende prepensioenregeling te voldoen, die is gebaseerd op een volledige actuariële herrekening van de prepensioen-uitkeringen die hij zou hebben ontvangen, indien hij met ingang van 16 april 2006 van de mogelijkheid tot prepensionering gebruik had gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente over hetgeen Postkantoren onbetaald heeft gelaten vanaf de verschuldigdheid tot de voldoening;

veroordeelt Postkantoren tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.412,01, waarin begrepen € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.