Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP1456

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
283213 / HA ZA 10-561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt een dwangbevel tot invordering van dwangsommen van de gemeente Utrecht buiten effect nu de brief die bedoeld was ter stuiting van de verjaring naar een onjuist adres is gezonden en deze ook niet aan de eiser in deze verzetprocedure is uitgereikt. Het beroep op verjaring slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 283213 / HA ZA 10-561

Vonnis in verzet van 19 januari 2011

in de zaak van

[eiser in verzet],

wonende te [woonplaats],

eiser in het verzet,

advocaat mr. O.P. van der Linden te Utrecht.

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde in het verzet,

advocaten mr. M.C. Muus en mr. C.W. Oudenaarden te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser in verzet] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 april 2010;

- de akte van [eiser in verzet] van 19 augustus 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 19 augustus 2010;

- de akte van de Gemeente van 22 september 2010;

- de akte uitlating producties van [eiser in verzet] van 20 oktober 2010;

- de nadere akte van de Gemeente van 3 november 2010;

- de akte van [eiser in verzet] van 17 november 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser in verzet] heeft gewoond in een recreatiewoning op camping [camping] (hierna: de camping) aan de [adres], perceel [nummer], huisje [nummer] in Utrecht (hierna: het recreatieverblijf).

2.2. Bij brief van 4 juli 2005, verzonden op 8 juli 2005, heeft de Gemeente [eiser in verzet] schriftelijk gelast om voor 7 juli 2007 de permanente bewoning van het recreatieverblijf te staken en gestaakt te houden. Tevens heeft de Gemeente [eiser in verzet] in die brief een dwangsom opgelegd van EUR 4.000,-- voor elke week of deel van de week waarin de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 20.000,--. Naar aanleiding van een door [eiser in verzet] tegen deze last onder dwangsom ingediend bezwaarschrift heeft de Gemeente de termijn waarin de permanente bewoning moest worden beëindigd verruimd tot 1 januari 2009.

2.3. Bij brief van 23 februari 2009 heeft de Gemeente [eiser in verzet] gelast zijn op de camping illegaal geplaatste recreatiewoning voor 1 juni 2009 te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Naar aanleiding hiervan heeft de advocaat van [eiser in verzet] op 11 maart 2009 een brief aan de Gemeente gezonden, waarin is vermeld:

“[…] De heer [eiser in verzet] heeft naar aanleiding van de aangekondigde handhaving van het permanente wonen besloten dat hij gaat verhuizen. Het is voor hem mogelijk op korte termijn elders woonruimte te huren. Het gebruik van zijn chalet zal hij conform de recreatieve bestemming voortzetten. […]”

2.4. In een afschrift uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de Gemeente van 7 april 2010 is vermeld dat [eiser in verzet] van 28 mei 1996 tot 15 april 2009 heeft gewoond op het adres [adres] in Utrecht en dat hij op laatstgenoemde datum is vertrokken naar [woonplaats]. In april 2009 heeft [eiser in verzet] in de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van [woonplaats] laten registreren dat hij in die gemeente is gaan wonen op het adres [adres].

2.5. De Gemeente heeft [eiser in verzet] door middel van een brief, die is gedateerd 2 juli 2009 en waarop als datum van verzending 6 juli 2009 is vermeld, gesommeerd om binnen vier weken na verzenddatum EUR 16.000,-- aan de Gemeente te betalen. In deze brief staat het volgende:

“[…] Na 1 januari 2009 is uit onderzoek door MB-All B.V. gebleken dat u de permanente bewoning van uw recreatieverblijf niet of niet tijdig gestaakt heeft. Hierdoor zijn door u dwangsommen verbeurd tot het maximumbedrag van € 20.000,--. Door verjaring kunnen wij € 4.000,-- van deze dwangsommen niet meer invorderen. Ter zekerstelling van onze rechten en de stuiting van de verjaring van de overige dwangsommen maken wij hierbij formeel aanspraak op betaling van het bedrag van € 16.000,-- aan verbeurde dwangsommen wegens het niet voldoen aan de aanschrijving van 4 juli 2005. […]”

Deze brief is zowel per gewone post als aangetekend, met bericht van ontvangst, verzonden naar het adres [adres], perceel [nummer], huisje [nummer] in Utrecht. In een brief van 28 september 2010 heeft TNT post de Gemeente bericht dat zij de zending van het poststuk van 6 juli 2009 niet meer kan traceren omdat deze langer dan een jaar geleden verzonden is.

2.6. Uit een “proces-verbaal bezoek hoofdwoonverblijf” van de Gemeente van 29 september 2009 blijkt dat [eiser in verzet] in de GBA van [woonplaats] ingeschreven stond als woonachtig op het adres [adres] te [woonplaats]. Voorts is in dit proces-verbaal vermeld dat bij een bezoek door de verbalisant op voornoemde datum aan dit GBA-adres door een zwager van [eiser in verzet] is meegedeeld dat [eiser in verzet] sinds april 2009 medebewoner is en beschikt over de zolder.

2.7. Bij brief gedateerd 23 november 2009, verzonden op 24 november 2009, heeft de Gemeente [eiser in verzet] opnieuw gesommeerd tot betaling van EUR 16.000,-- terzake van verbeurde dwangsommen. Voorts kondigde [eiser in verzet] in die brief aan dat de indien [eiser in verzet] niet binnen de gestelde termijn zou betalen, zij over zou gaan tot invordering van het te betalen bedrag door middel van het uitbrengen van een dwangbevel. Ook deze brief is zowel per gewone post als aangetekend, met bericht van ontvangst, verzonden naar het adres [adres], perceel [nummer], huisje [nummer] in Utrecht. TNT post heeft de aangetekend verzonden brief aangeboden op 25 november 2009 maar de postbezorger heeft [eiser in verzet] toen niet aangetroffen. [eiser in verzet] heeft deze brief vervolgens niet op het postkantoor afgehaald.

2.8. Op 23 december 2009 hebben de burgemeester en wethouders van de Gemeente een dwangbevel tegen [eiser in verzet] afgegeven ter invordering van verbeurde dwangsommen tot in totaal EUR 16.000,-- (hierna: het dwangbevel). Een grosse van het dwangbevel is in opdracht van de Gemeente op 11 januari 2010 door een deurwaarder aan [eiser in verzet] betekend door achterlating daarvan op het adres [adres] in [woonplaats].

3. Het geschil

3.1. [eiser in verzet] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, hem tot goed opposant tegen het dwangbevel verklaart en dit dwangbevel buiten effect stelt, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding, althans, uitsluitend ingeval artikel 4:123 Algemene wet bestuursrecht van toepassing zou zijn, de Gemeente te gelasten de invordering te staken en het dwangbevel buiten werking te stellen.

3.2. De Gemeente voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser in verzet] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. [eiser in verzet] betoogt primair dat de dwangsommen niet verbeurd zijn omdat hij de last onder dwangsom niet heeft overtreden en subsidiair dat de vordering van de Gemeente verjaard is. De rechtbank zal de stellingen van [eiser in verzet] in deze volgorde bespreken.

4.3. Bij dagvaarding heeft [eiser in verzet] gesteld dat hij sinds eind 2008 in [woonplaats] woont. Ter zitting heeft [eiser in verzet] echter aangevoerd dat hij eind 2008 bij zijn dochter in [plaats] woonde en dat hij in januari 2009 bij zijn zus in [woonplaats] is gaan wonen. Deze stellingen zijn tegenstrijdig en bovendien op geen enkele wijze door [eiser in verzet] onderbouwd. Op grond van de volgende omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [eiser in verzet] gedurende de eerste maanden van 2009 nog in zijn recreatieverblijf woonde:

- de advocaat van [eiser in verzet] heeft in maart 2009 de Gemeente meegedeeld dat [eiser in verzet] naar aanleiding van de aangekondigde handhaving van de permanente bewoning op de camping ging verhuizen (zie 2.3);

- [eiser in verzet] heeft zich per 15 april 2009 uit laten schrijven uit het GBA van Utrecht en heeft in die maand in de GBA van [woonplaats] als woonadres [adres] (in [woonplaats]) laten registreren (zie 2.4);

- de zwager van [eiser in verzet], woonachtig op laatstgenoemd adres, heeft tegenover een medewerker van de Gemeente verklaard dat [eiser in verzet] sinds april 2009 medebewoner is (zie 2.6).

Hieruit volgt dat [eiser in verzet] de last onder dwangsom met ingang van 1 januari 2009 gedurende enkele maanden heeft overtreden.

4.4. De Gemeente heeft aan [eiser in verzet] een dwangsom opgelegd van EUR 4.000,-- voor elke week waarin hij met ingang van 1 januari 2009 nog in het recreatieverblijf zou wonen. Zij stelt zich op het standpunt dat de dwangsom van EUR 4.000,-- met betrekking tot de eerste week van 2009 op 6 juli 2009 is verjaard (zie ook 2.5). Hieruit kan worden afgeleid dat de vordering van de Gemeente van EUR 16.000,-- betrekking heeft op de overtreding van de last onder dwangsom in de weken 2 tot en met 5 van 2009. De rechtbank zal daar van uitgaan. Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de dwangsommen over de weken 2 tot en met 5 van 2009 verbeurd zijn.

4.5. In verband met zijn stelling dat de vordering van de Gemeente is verjaard betoogt [eiser in verzet] dat hij de brieven van de Gemeente van 6 juli 2009 en 24 november 2009 niet heeft ontvangen. Volgens de Gemeente is de verjaring echter tijdig gestuit als gevolg van de verzending van deze twee brieven. In verband daarmee betoogt de Gemeente primair dat op deze brieven niet de civielrechtelijke bewijsregels terzake van de ontvangst maar de bestuursrechtelijke bewijsregels van toepassing zijn, op grond waarvan voldoende is dat wordt bewezen dat de brieven aan [eiser in verzet] zijn verzonden. Subsidiair, voor zover de civielrechtelijke bewijsregels wel van toepassing zijn, betoogt de Gemeente dat er geen enkele reden is om eraan te twijfelen dat [eiser in verzet] alle brieven van de Gemeente heeft ontvangen.

4.6. De rechtbank overweegt als volgt. Tot 1 juli 2009 bepaalde artikel 5:35 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd. De hier genoemde verjaringstermijn is op de onderhavige vordering van de Gemeente van toepassing. Met inachtneming daarvan moet worden beoordeeld of de vordering van de Gemeente is verjaard op 11 januari 2010, op welke datum het dwangbevel aan [eiser in verzet] is betekend.

4.7. Artikel 3:40 Awb bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41 eerste lid Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Alleen indien bekendmaking niet door toezending of uitreiking kan plaatsvinden, geschiedt deze op een andere geschikte wijze (artikel 3:41 tweede lid Awb). Wanneer de geadresseerde stelt dat hij het besluit niet heeft ontvangen rust op de afzender (het bestuursorgaan) de bewijslast van toezending of uitreiking. Toezending naar een onjuist adres is geen bekendmaking in de zin van artikel 3:41 eerste lid Awb (zie Raad van State 4 november 2009, LJN BK1937, rechtsoverweging 2.4). Het civiele recht hanteert als uitgangspunt dat een tot een persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt (artikel 3:37 Burgerlijk Wetboek). Wanneer de geadresseerde van een per gewone post verzonden brief stelt dat de brief hem niet heeft bereikt, dient de afzender te bewijzen dat die brief de geadresseerde wel heeft bereikt. Met betrekking tot aangetekende brieven geldt civielrechtelijk in een dergelijk geval dat de afzender dient te bewijzen dat hij de brief aangetekend en naar het juiste adres heeft verzonden, en bovendien aannemelijk dient te maken dat de brief aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven (Hoge Raad 4 juni 2004, NJ 2004, 411).

4.8. Zowel bij de toetsing van artikel 3:41 Awb als van artikel 3:37 BW zal ingeval van toezending dus moeten worden nagegaan of het desbetreffende stuk naar het juiste adres is gezonden. Ten aanzien van de brief van de Gemeente van 6 juli 2009 is daarvan geen sprake, nu deze is verstuurd naar het adres [adres], perceel [nummer], huisje [nummer] (de camping). Bij brief van 11 maart 2009 is namens [eiser in verzet] aan de Gemeente meegedeeld dat hij zou gaan verhuizen. Naar aanleiding hiervan mocht de Gemeente er na 11 maart 2009 niet meer op vertrouwen dat zij haar correspondentie die voor [eiser in verzet] bestemd was kon sturen naar het haar op dat moment bekende adres (de camping). Gesteld noch gebleken is dat de Gemeente contact heeft opgenomen met de advocaat van [eiser in verzet], met de vraag naar welk adres zij voor [eiser in verzet] bestemde correspondentie kon sturen voordat zij de brief van 6 juli 2009 verzond. Onder deze omstandigheden had de Gemeente de GBA behoren te raadplegen. Bij raadpleging van haar eigen GBA had de Gemeente kunnen vaststellen dat [eiser in verzet] met ingang van 15 april 2009 niet meer in Utrecht ingeschreven stond. Vaststaat ook dat [eiser in verzet] in april 2009 in de GBA van [woonplaats] als zijn woonadres [adres] te [woonplaats] heeft laten registreren. [eiser in verzet] heeft dan ook de nodige maatregelen getroffen om te bewerkstelligen dat voor hem bestemde poststukken hem zouden kunnen bereiken, terwijl de Gemeente op eenvoudige wijze het GBA-adres van [eiser in verzet] in [woonplaats] had kunnen achterhalen. De rechtbank concludeert dan ook dat de brief van 6 juli 2009 naar een onjuist adres is gezonden, zodat de verzending hiervan geen bekendmaking is in de zin van artikel 3:41 eerste lid Awb. Evenmin is deze brief in civielrechtelijke zin naar het juiste adres gezonden. De verzending van deze brief heeft dus niet tot stuiting van de verjaring geleid.

4.9. Alleen indien de brief van 6 juli 2009 aan [eiser in verzet] is uitgereikt, is de verjaring gestuit. [eiser in verzet] betwist dat deze brief aan hem is uitgereikt. In dit verband voert hij aan dat hij sinds zijn verhuizing naar [woonplaats] in april 2009 nog wel regelmatig maar niet voortdurend op de camping verbleef. TNT post heeft de Gemeente schriftelijk meegedeeld dat zij de aangetekende verzending van de brief van 6 juli 2009 niet meer kan traceren (zie 2.5). De Gemeente heeft bewijs aangeboden van de aanbieding aan [eiser in verzet] dan wel de ontvangst door hem van deze brief, bijvoorbeeld door het horen van postbeambten. Voor zover dit bewijsaanbod ziet op de bezorging per gewone post op de camping of aanbieding van het aangetekende stuk op het adres van [eiser in verzet] op de camping, zonder dat uitreiking heeft plaatsgevonden, wordt dit gelet op het bovenstaande (onjuist adres) gepasseerd. De Gemeente heeft echter ook geen feiten aangevoerd die meebrengen dat haar bewijsaanbod zo moet worden uitgelegd dat zij tevens heeft bedoeld bewijs van uitreiking aan te bieden. Indien uitreiking had plaatsgevonden zou de Gemeente van TNT post een bericht van ontvangst hebben gekregen. Een dergelijk bericht van ontvangst is door de Gemeente niet overgelegd en zij heeft ook niet toegelicht waarom zij niet over een dergelijk bericht van ontvangst beschikt en zij heeft ook geen reden opgegeven waarom zij niet tot overlegging in staat is, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de Gemeente geen bericht van ontvangst van TNT post heeft gekregen. De rechtbank zal de Gemeente dan ook niet in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van haar stelling dat de brief van 6 juli 2009 aan [eiser in verzet] is aangeboden dan wel door hem is ontvangen. Nu niet is komen vast te staan dat de brief van 6 juli 2009 aan [eiser in verzet] is uitgereikt, staat evenmin vast dat de verjaring is gestuit. Er is dus geen nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Reeds daarom heeft ook de brief van

24 november 2009 de verjaring niet (opnieuw) gestuit. Het beroep op verjaring slaagt.

4.10. Omdat de overtreding van de last heeft plaatsgevonden voor inwerkingtreding van de vierde tranche van de algemene wet bestuursrecht is artikel 5:26 Awb (oud) en niet artikel 4:123 (nieuw) van toepassing. Met inachtneming van het bovenstaande zal de vordering van [eiser in verzet] worden toegewezen, voor zover deze luidt dat hij tot goed opposant tegen het dwangbevel wordt verklaard en dat de rechtbank dit dwangbevel buiten effect stelt.

4.11. De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen. De kosten worden aan de zijde van [eiser in verzet] begroot op:

- dagvaarding EUR 87,93

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.932,93

Naar aanleiding van de aanvraag voor een toevoeging die [eiser in verzet] destijds heeft ingediend, heeft de rechtbank hem EUR 65,75 ter zake van vast recht in rekening gebracht. Op

14 januari 2010 heeft de rechtbank van het kantoor van zijn advocaat vernomen dat aan [eiser in verzet] geen toevoeging is verstrekt. Dit brengt mee dat hij alsnog in totaal EUR 263,-- aan vast recht verschuldigd is, zodat [eiser in verzet] aanvullend EUR 197,25 aan de rechtbank dient te betalen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart [eiser in verzet] tot goed opposant tegen het op 11 januari 2010 aan hem betekende dwangbevel van de Gemeente van 23 december 2009, en stelt dit dwangbevel buiten effect,

5.2. veroordeelt de Gemeente in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [eiser in verzet] tot op heden begroot op EUR 1.932,93,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

19 januari 2010.?