Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP1026

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
16/601424-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een periode van 7 maanden schuldig gemaakt aan grootschalige en professionele handel in hennepstekken: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 56 dagen en een werkstraf van 240 uur, waarvan 120 uur voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601424-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende [adres] b, [woonplaats]

raadsman mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 december 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Op 3 januari 2011 is het onderzoek formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij acht echter niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd en vordert verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrij te spreken.

Zij baseert zich daarbij op de – grotendeels – bekennende verklaring van verdachte alsmede een aantal tapgesprekken in combinatie met de verschillende observaties.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank in beginsel tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit, maar dat het in de tenlastelegging genoemde aantal van 16.200 hennepstekken niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van CIE-informatie met betrekking tot handel in verdovende middelen door de eigenaar en medewerkers van growshop “[growshop]” werd in januari 2008 door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Gedurende dit onderzoek ontstond het vermoeden dat er sprake was van een criminele organisatie die, met genoemde growshop als centraal middelpunt, zich bezig hield met georganiseerde en professionele hennepteelt. Op 25 november 2008 werden in diverse woningen van verdachten en in de growshop doorzoekingen verricht, waarbij onder meer op verschillende plekken hennepresten, grote geldbedragen, agro-artikelen en hennepkwekerijen werden aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘IJssel’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 18 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangegeven welk strafbaar feit of welke strafbare feiten worden gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen ervan worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In zaakdossier 3 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie – zakelijk

weergegeven - inhoudende: In [growshop] kun je alles kopen voor het gebeuren wiet, ik bracht de stekken. Ik deed het minste zaken met [medeverdachte 1]. Meestal met [medeverdachte 2] en ook met [medeverdachte 3]. We hadden een vaste prijs afgesproken. Ik kwam vanaf maart/april 2008 bij [growshop] om wat af te leveren. Ik bemiddelde. Ik kweekte niet zelf. Ik haalde ze op en bracht ze weg.

Mijn dozen waren 150 stekken. Ik leverde 500 tot 700 hennepstekjes per week. Grootste aantal hennepstekken dat ik in 1 week heb geleverd aan [growshop] was 1500, een keer 2000. Ik verkocht de stekken voor € 1,80. Ik betaalde

€ 1,35. Heel af en toe € 1,50.

Ik heb nooit iets anders gebracht dan stekjes;

- uit onderzoek is gebleken dat verdachte onder meer gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] en in de gesprekken aangeduid wordt met de naam [naam]. Hij maakte bovendien gebruik van een blauwe Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] en een rode Renault Megane met kenteken [kenteken]

- de inhoud van afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten in combinatie met diverse observaties.

Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 te Houten opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht. Niet bewezen acht de rechtbank dat hij dat tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 01 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 te

Houten opzettelijk heeft verkocht een grote hoeveelheid hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 56 dagen met aftrek van voorarrest, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft bij de formulering van haar eis aangegeven dat zij in het voordeel van verdachte rekening gehouden heeft met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in zijn nadeel met het feit dat hij in 2004 veroordeeld is voor hennepteelt.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de door de officier van justitie gevorderde straf flink te matigen, gelet op de proceshouding van verdachte en het tijdsverloop. Verdachte heeft lange tijd in onzekerheid verkeerd over de wijze van afdoening van de zaak, hetgeen zijn positie op de arbeidsmarkt heeft geschaad.

Bovendien gaat het in de onderhavige zaak om hennepstekken en niet om volgroeide hennepplanten. Dit is ook reden voor matiging.

De officier van justitie heeft bij de formulering van haar eis ten onrechte rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor hennepteelt, nu deze veroordeling van 2004 is en verdachte sinds zijn invrijheidstelling niet meer voor soortgelijke feiten is veroordeeld, aldus de raadsman.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in een periode van 7 maanden schuldig gemaakt aan grootschalige en professionele handel in hennepstekken. Met deze handel zijn forse geldbedragen gemoeid en ook de verdiensten die uit deze handel worden verkregen zijn groot.

Verdachte heeft zich een schakel in het telen, bewerken en verwerken van hennep getoond. Bestrijding van de hennepteelt in al zijn schakels wordt door de overheid van groot belang geacht. Hennep levert namelijk, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers.

Bovendien gaat het gebruik van softdrugs veelal gepaard met het plegen van andere strafbare feiten, hetgeen onrust in de samenleving veroorzaakt.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte op 8 juni 2004 door de politierechter te Utrecht is veroordeeld terzake van -kort gezegd- hennepteelt.

De rechtbank houdt voorts overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de omstandigheid dat verdachte op 27 mei 2010 door de politierechter is veroordeeld tot een geldboete van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis terzake van rijden onder invloed.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de oplegging van een straf als door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal echter, meer dan de officier van justitie reeds heeft gedaan, rekening houden met het tijdsverloop. De rechtbank acht derhalve de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht alsmede een deels voorwaardelijke werkstraf passend en geboden.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 56 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, waarvan 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mrs. J. Ebbens en M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2011.