Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP1020

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
16/444143-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen hennepplanten geknipt en heeft zich daarmee een schakel in het telen, bewerken en verwerken van hennep getoond. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren, waarvan 20 uren, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/444143-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats]

wonende [adres], [woonplaats]

raadsvrouwe mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 december 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op

3 januari 2011 is het onderzoek formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 16 oktober 2008 tot en met 18 oktober 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten en/of henneptoppen heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat zij op 17 en 18 oktober 2008 in vereniging een grote hoeveelheid hennepplanten en henneptoppen heeft bewerkt.

De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de inhoud van een aantal tapgesprekken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit. De raadsvrouwe heeft daartoe gesteld dat bij de inval van de politie op het kamp aan de [adres] te [plaats] op 16 oktober 2008 een groot aantal personen is aangetroffen, maar dat verdachte daar niet bij was. Bij de aangehouden personen was een vrouw genaamd [naam]. Er is mogelijk sprake van een persoonsverwisseling nu verdachte [verdachte] heet. Uit de stukken wordt niet duidelijk om welke hoeveelheid het gaat. Uit de tapgesprekken valt af te leiden dat men kennelijk druk bezig is, maar onduidelijk blijft waarmee en waar men bezig is. De politie had opnieuw moeten ingrijpen op het moment dat zij vermoedde dat er doorgegaan werd met het knippen van hennepplanten.

Het enkele feit dat verdachte op het kamp was wil nog niet zeggen dat zij ook hennepplanten aan het knippen was. Nu verdachte ontkent en zij door de politie met name ondervraagd is over de aangetroffen hennepkwekerij op de [adres] in [plaats] is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouwe.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van CIE-informatie met betrekking tot handel in verdovende middelen door de eigenaar en medewerkers van growshop “[growshop]” werd in januari 2008 door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Gedurende dit onderzoek ontstond het vermoeden dat er sprake was van een criminele organisatie die, met genoemde growshop als centraal middelpunt, zich bezig hield met georganiseerde en professionele hennepteelt. Op 25 november 2008 werden in diverse woningen van verdachten en in de growshop doorzoekingen verricht, waarbij onder meer op verschillende plekken hennepresten, grote geldbedragen, agro-artikelen en hennepkwekerijen werden aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘IJssel’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 18 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangegeven welk strafbaar feit of welke strafbare feiten worden gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen ervan worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In zaakdossier 4 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals haar ten laste is gelegd, dat zij in de periode van 16 oktober 2008 tot en met 18 oktober 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten en/of henneptoppen heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Door leden van het observatieteam wordt op 16 oktober 2008 veel bedrijvigheid waargenomen bij een schuur behorend bij de laatste caravan van het woonwagenkamp aan de [adres] te [plaats]. Tijdens een nader onderzoek op 16 oktober 2008 omstreeks 12.45 uur wordt aldaar een aantal personen aangetroffen, dat bezig is met het knippen van hennepplanten. Eén van de aldaar aanwezige personen is [medeverdachte 1]. In de schuur worden ook diverse niet geknipte hennepplanten alsmede twee speciekuipen en een emmer met henneptoppen aangetroffen. Zowel een henneptop uit de speciekuip als een losse plant zijn bemonsterd en positief getest op cannabis.

Voorts is er een aantal tapgesprekken. Op 16 oktober 2008 te 19.03 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] of ze gewoon weer begonnen is, hetgeen bevestigend beantwoord wordt door [medeverdachte 1].

In een telefoongesprek op 17 oktober 2008 te 17.45 uur tussen [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven vrouw die zich [medeverdachte 3] noemt geeft [medeverdachte 1] aan dat zij morgen moet werken en gisteren ook gewerkt heeft. Als [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] vraagt of zij vanavond ook moet werken geeft [medeverdachte 1] een bevestigend antwoord en voegt daaraan toe “en morgenavond en morgen de hele dag tot een uur of tien”.

Op 17 oktober 2008 te 17.45 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt hem in dit telefoongesprek dat zij met de zus van [medeverdachte 2] aan het werk is en dat zij in hetzelfde ploegje zitten. Om 12.00 uur zijn zij klaar.

Verdachte heeft op de zitting van 15 december 2010 verklaard dat zij de zus van [medeverdachte 2] is.

Op 18 oktober 2008 te 9.56 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [verdachte] met de vraag of [medeverdachte 1] eraan komt. In een daaropvolgend gesprek op 18 oktober 2008 te 10.11 uur tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geeft [medeverdachte 1] aan dat zij ook weer gaat werken.

Op basis van het bovenstaande gaat de rechtbank er van uit dat [medeverdachte 1] na de ontmanteling van de knipruimte op de [adres] te [plaats] op 16 oktober 2008 verder is gegaan met het knippen van de hennepplanten, waarbij zij zowel op 17 als op 18 oktober 2008 heeft samengewerkt met verdachte. Nu [medeverdachte 1] in een van de gesprekken spreekt over de zus van [medeverdachte 2] en verdachte verklaard heeft dat zij dat is, acht de rechtbank niet aannemelijk dat er van een persoonsverwisseling sprake is.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op momenten in de periode van 16 oktober 2008 tot en met 18 oktober 2008 te [plaats],

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk heeft verwerkt een grote hoeveelheid hennepplanten en henneptoppen

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod,meermalen gepleegd;

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft bij de formulering van haar eis aangegeven rekening gehouden te hebben met het tijdsverloop. Zij is bij de formulering van haar eis voorts uitgegaan van een hoeveelheid verwerkte hennep van 10 kilogram.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft de rechtbank verzocht in het geval van een veroordeling ermee rekening te houden dat de zaken van de personen die op 16 oktober 2008 bij de ontmanteling van de knipruimte zijn aangehouden in een eerder stadium zijn afgedaan door de politierechter in deze rechtbank. In die zaken zijn geldboetes variërend van € 50,00 tot

€ 500,00 opgelegd. Zij vraagt zich derhalve af waarom verdachte later moet verschijnen voor de meervoudige kamer voor strafzaken. Zij verzoekt de rechtbank met deze omstandigheden rekening te houden bij een strafoplegging

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op 17 en 18 oktober samen met anderen hennepplanten geknipt en heeft zich daarmee een schakel in het telen, bewerken en verwerken van hennep getoond. De bestrijding van hennepteelt in al zijn schakels wordt door de overheid van groot belang geacht. Hennep levert namelijk, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers.

De rechtbank acht voor het aandeel van verdachte in beginsel de oplegging van een straf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden. De rechtbank acht zich daarbij niet gebonden aan de straffen die in de zaken van (de) medeverdachte(n) zijn opgelegd.

Met betrekking tot de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 december 2010 niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank zal, meer nog dan de officier van justitie bij de formulering van haar eis heeft gedaan, rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf als na te melden passend en geboden.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mrs. J. Ebbens en M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2011.