Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP1014

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
16/711292-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 25 november 2008 een vuurwapen en 5 scherpe patronen voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711292-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1961] te [geboorteplaats]

wonende [adres], [woonplaats]

raadsman mr. F. Visser, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 december 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Op 3 januari 2011 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

25 november 2008 te Utrecht een pistool en 5 patronen voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het feit dat het wapen en de patronen in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte heeft direct na de vondst van het wapen en de patronen, en nadat hem de cautie was gegeven, verklaard dat het wapen van hem was. Enkele maanden later heeft hij, nadat hij op het politiebureau ontboden was, nogmaals bekend dat het wapen van hem was.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat verdachte ter terechtzitting heeft ontkend dat het wapen van hem was en zijn eerdere (bekennende) verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt dan wel niet betrouwbaar zijn.

In een nadere onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangegeven dat verdachte zowel tijdens de eerste ondervraging in zijn woning als later op het politiebureau niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te consulteren. Hoewel verdachte tijdens de ondervraging in zijn woning niet was aangehouden, bevond hij zich op dat moment in een situatie waarin hij fysieke en mentale druk voelde. Tijdens de doorzoeking van de woning moest verdachte namelijk op een stoel zitten en mocht hij zich niet bewegen. Bovendien was hij getuige van het feit dat zijn zoon werd aangehouden en afgevoerd.

Onder deze omstandigheden had men verdachte, ook al was hij niet aangehouden actief moeten wijzen op zijn recht om een advocaat te spreken en had niet volstaan mogen worden met het geven van de cautie aan verdachte. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman de rechtbank gewezen op twee conclusies van mr. G. Knigge bij arresten van de Hoge Raad.

Verdachte heeft op 24 februari 2009 nogmaals een verklaring afgelegd, waarbij hij wederom niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te consulteren alvorens hij werd gehoord. Tijdens deze verklaring was verdachte reeds aangehouden en had hij op basis van de heersende jurisprudentie op dit consultatierecht gewezen moeten worden.

Nu dit niet gebeurd is, levert dat een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op, hetgeen tot bewijsuitsluiting dient te leiden.

Voor zover de rechtbank dit verweer niet volgt, is volgens de verdediging de verklaring van verdachte onbetrouwbaar. Gelet op de hiervoor reeds aangegeven omstandigheden kan immers niet uitgesloten worden dat verdachte zijn verklaringen heeft afgelegd ter bescherming van zijn gezin.

Wanneer de belastende verklaringen van verdachte worden uitgesloten van het bewijs is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen, zodat vrijspraak dient te volgen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van CIE-informatie met betrekking tot handel in verdovende middelen door de eigenaar en medewerkers van growshop “[growshop]” werd in januari 2008 door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Gedurende dit onderzoek ontstond het vermoeden dat er sprake was van een criminele organisatie die, met genoemde growshop als centraal middelpunt, zich bezig hield met georganiseerde en professionele hennepteelt. Op 25 november 2008 werden in diverse woningen van verdachten en in de growshop doorzoekingen verricht, waarbij onder meer op verschillende plekken hennepresten, grote geldbedragen, agro-artikelen en hennepkwekerijen werden aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘IJssel’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 18 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangegeven over welk strafbaar feit of welke strafbare feiten wordt gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen ervan worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In zaakdossier 15 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij op 25 november 2008 te Utrecht een pistool en 5 patronen voorhanden heeft gehad.

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 25 november 2008 werden op een kast in het washok in een washand een vuurwapen en 5 patronen aangetroffen. Dit vuurwapen en de patronen zijn nader onderzocht. Het vuurwapen betrof van oorsprong een alarmpistool van het merk Tanfoglio, type GT28, dat omgebouwd was tot een scherp pistool van het kaliber 6,35 mm. De houder van het pistool bevatte 5 scherpe volmantelpatronen van het kaliber 6,35 mm, fabrikaten GFL (6,35MM) en WIN(chester).25Auto. Het pistool is een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De bij het wapen aangetroffen patronen betreffen munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie III van voornoemde wet.

Na de vondst van het wapen en nadat hem de cautie is gegeven is verdachte met de vondst geconfronteerd en heeft hij een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens heeft de officier van justitie opdracht gegeven verdachte in een later stadium voor verhoor te ontbieden op een politiebureau te Utrecht. Verdachte was hiervan op de hoogte.

Verdachte is op 24 februari 2009 gevraagd of hij langs wilde komen op het politiebureau te Vianen. Verdachte heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en, nadat hij aldaar werd aangehouden, heeft hij wederom een verklaring afgelegd met betrekking tot het vuurwapen. Hij heeft verklaard dat hij tijdens het schoonmaken het wapen in één van zijn taxi’s heeft gevonden en het wapen mee naar huis heeft genomen met de bedoeling het vuurwapen een keer bij de politie af te geven. Hij heeft geen vergunning om het wapen in bezit te hebben. Op basis van deze verklaring kan het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Anders dan de verdediging heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring van verdachte mag worden gebruikt voor het bewijs, nu verdachte na de vondst van het wapen en de munitie op 25 november 2008 direct is meegedeeld dat hij hierover nog nader verhoord zou worden. Dit verhoor heeft eerst op 24 februari 2009, dus ongeveer drie maanden later, plaatsgevonden. Verdachte heeft derhalve ruimschoots de gelegenheid gehad om zich eigener beweging tot een advocaat te wenden, hetgeen verdachte kennelijk niet heeft gedaan. Verdachte heeft vervolgens voor de tweede keer een bekennende verklaring afgelegd. Het feit dat verdachte is ontboden op het politiebureau te Vianen, terwijl hem gezegd was dat hij zou worden uitgenodigd door de politie te Utrecht doet aan het voorgaande niet af.

Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte ziet op de eerste verklaring van verdachte.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 november 2008 te Utrecht een wapen van categorie III,

te weten een pistool

een van oorsprong alarmpistool merk Tangfoglio type GT28,

dat was omgebouwd tot een scherp pistool in het kaliber 6,35 mm

en munitie van categorie III,

te weten 5 scherpe volmantelpatronen in het kaliber 6,35

(fabrikaten GFL (6,35 mm), en WIN(chester).25Auto),

voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in geval van een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad een strafkorting van 5% toe te passen.

Voorts heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder het feit dat verdachte kostwinner is voor zijn vrouw en kinderen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op 25 november 2008 een vuurwapen en 5 scherpe patronen voorhanden gehad. Verboden wapenbezit kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen. Tegen het ongecontroleerde bezit van wapens dient dan ook streng te worden opgetreden, hetgeen betekent dat bij een bewezenverklaring voor een dergelijk feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden wordt opgelegd.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met het uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte voor het laatst in 1997 is veroordeeld voor een andersoortig strafbaar feit.

De rechtbank houdt voorts rekening met het tijdsverloop en de schending van de redelijke termijn.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank de oplegging van een werkstraf als door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden acht.

6 Het beslag

De raadsman heeft verzocht om de teruggave te gelasten aan verdachte van de Citroën Jumpy met kenteken [kenteken]. Nu deze auto niet onder verdachte in beslag genomen is, kan de rechtbank hierover in dit vonnis geen beslissing nemen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het

feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen

gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mrs. J. Ebbens en M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2011.