Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP0977

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
17-01-2011
Zaaknummer
16/711812-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkenheid bij grootschalige in- en verkoop van hennepplanten en het opzetten en exploiteren van hennepkwekerijen vanuit een growshop in Houten. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten; De rechtbank acht bewezen: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711812-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1957] te [geboorteplaats]

wonende [adres], [woonplaats]

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 december 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Op 3 januari 2011 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 8 september 2008 tot en met 25 september 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten en/of hennepstekken heeft gekweekt, verhandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 3:op 24 november 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk 2400 hennepplanten heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 4: in de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 november 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

feit 5: in de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 november 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van grote hoeveelheden geld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en zij baseert zich daarbij op de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten, cameraobservaties en observaties van het observatieteam. Zij baseert zich voorts op de verklaringen van een aantal leveranciers van hennepplanten en/of hennepstekken, in het bijzonder de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Er zijn bovendien kwekerijen van hennepstekken en/of hennepplanten opgerold bij [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. Voornoemde personen hebben onder andere verklaard over de rol van verdachte dan wel de rol van de growshop [growshop], waar verdachte werkzaamheden verrichtte, bij het opzetten van deze kwekerijen.

De officier van justitie acht het onder 5 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en vordert verdachte daarvan vrij te spreken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat er onvoldoende wettig bewijs is. Verdachte dient derhalve van alle hem ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 heeft de raadsman voorts gesteld dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van een grote hoeveelheid, zijnde een strafverzwarende omstandigheid op grond van artikel 11 lid 5 van de Opiumwet. Artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt immers dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling, waarmee een wet in formele zin bedoeld is. De uitleg van het begrip grote hoeveelheid is echter neergelegd in een algemene maatregel van bestuur en niet in een wet in formele zin.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangegeven dat er op basis van de stukken geen bewijs is voor het feit dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerij die bij [medeverdachte 5] is aangetroffen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat dit delict, gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], in geval van een bewezenverklaring, geen gronddelict voor de criminele organisatie kan zijn.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman gesteld dat er binnen een criminele organisatie ook sprake is van een vorm van bedreiging en/of geweld, waarvoor in het onderhavige geval geen aanknopingspunten zijn. Er is bovendien geen sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Op basis van de stukken lijkt de organisatie juist erg ongestructureerd. Er is evenmin sprake van een gezamenlijk doel, uitsluitend het behalen van geldelijk gewin is daarvoor te weinig.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van CIE-informatie met betrekking tot handel in verdovende middelen door de eigenaar en medewerkers van growshop “[growshop]” werd in januari 2008 door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Gedurende dit onderzoek ontstond het vermoeden dat er sprake was van een criminele organisatie die, met genoemde growshop als centraal middelpunt, zich bezig hield met georganiseerde en professionele hennepteelt. Op 25 november 2008 werden in diverse woningen van verdachten en in de growshop doorzoekingen verricht, waarbij onder meer op verschillende plekken hennepresten, grote geldbedragen, agro-artikelen en hennepkwekerijen werden aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘IJssel’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 18 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangegeven welk strafbaar feit of welke strafbare feiten worden gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen er van worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In zaakdossier 2 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 1 ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 8 september 2008 tot en met 25 september 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten en/of hennepstekken heeft gekweekt, verhandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de spullen ten behoeve van de aangetroffen kwekerij zijn geleverd door de growshop [growshop], alwaar verdachte ook werkzaamheden verrichtte. Mogelijk is verdachte betrokken geweest bij de installatie van de kwekerij in de woning van [medeverdachte 5]. [medeverdachte 5] heeft echter tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wie de hennepstekken en hennepplanten aan haar heeft geleverd. Nu uit de overige stukken evenmin is gebleken wie de hennepstekken en planten heeft geleverd, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat er sprake is van (mede)plegen. Het hiervoor omschreven aandeel van verdachte duidt hooguit op medeplichtigheid. Nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

In zaaksdossier 3 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 2 ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Uit het onderzoek is gebleken dat medeverdachte[medeverdachte 6] regelmatig telefonisch contact had met de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer], welke in gebruik zijn bij medeverdachte [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] wordt in de gesprekken aangeduid met de naam [medeverdachte 3]. Hij maakt bovendien gebruik van een blauwe Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] en een rode Renault Megane met kenteken [kenteken].

Uit de inhoud van afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten in combinatie met diverse observaties blijkt dat [medeverdachte 3] diverse malen dozen aflevert bij [growshop].

[medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat in [growshop] alles te koop is met betrekking tot wiet en dat hij daar de stekken bracht. Hij deed het minste zaken met [medeverdachte 7], meestal met [medeverdachte 6] en ook met verdachte. Ze hadden een vaste prijs afgesproken. Hij kwam vanaf maart/april 2008 bij [growshop] om wat af te leveren. Hij bemiddelde. Hij kweekte niet zelf. Hij haalde de stekken op en bracht ze weg.

Zijn dozen bevatten 150 stekken. Hij leverde 500 tot 700 hennepstekjes per week. Het grootste aantal hennepstekken dat hij in 1 week heeft geleverd aan [growshop] was 1500, een keer 2000. Hij verkocht de stekken voor € 1,80 en betaalde € 1,35, heel af en toe € 1,50.

Hij heeft nooit iets anders gebracht dan stekjes.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 3] een bezoeker van [growshop] is. Verdachte helpt mee in die winkel en neemt zelfstandig bestellingen voor hennepstekken, zogenaamde “kleintjes” aan. [medeverdachte 6] verkocht hooguit 1000 of 1500 stekjes per week. [medeverdachte 3] heeft twee telefoonnummers. Hij heeft ook zelfstandig stekken besteld bij [medeverdachte 3].

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken aanwezig heeft gehad. Anders dan de raadsman heeft gesteld acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van een grote hoeveelheid.

De term “wettelijke” in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de straf moet berusten op een wet in formele zin. De rechtbank is van oordeel dat dit legaliteitsbeginsel in het onderhavige geval niet geschonden is. De raadsman meent dat de uitleg van “een grote hoeveelheid” als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, is neergelegd in een algemene maatregel van bestuur. Daarvan is evenwel geen sprake. De tweede zin van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet bepaalt juist om die reden: onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

Deze bepaling is in werking getreden op 1 juli 2006, ruim voordat de feiten die verdachte worden verweten hebben plaatsgevonden. De hier bedoelde bepaling in het Opiumbesluit is in werking getreden op 22 september 2006, eveneens ruim voor dat de onderhavige feiten werden gepleegd. Een schending van het nulla poena beginsel doet zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor.

Nu in het Opiumbesluit is bepaald dat als grote hoeveelheid moet worden beschouwd: 500 gram hennep of 200 hennepplanten, is er in casu sprake van “een grote hoeveelheid”.

In zaakdossier 8 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 3 ten laste is gelegd, dat hij op 24 november 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid van ongeveer 2400 hennepplanten heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk voornoemde hoeveelheid hennepplanten aanwezig heeft gehad.

Op 20 november 2008 belt verdachte (hierna ook: [verdachte]) om 12.56 uur naar de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer], waarvan uit onderzoek blijkt dat dit het nummer van medeverdachte [medeverdachte 1] is, en vraagt hem of ‘alles’ ook een mogelijkheid is. [medeverdachte 1] antwoordt daarop dat dat niet kan maar wel iedere week 5 of 6000. Diezelfde dag om 13.04 uur belt [verdachte] opnieuw naar [medeverdachte 1] en vraagt hem of die 5 per volgende week in kan gaan. [medeverdachte 1] geeft aan dat dit kan en dat hij ze ook in twee keer kan brengen en dat [verdachte] maandag al de helft kan krijgen. Op 24 november 2008 om 10.52 uur belt [medeverdachte 1] naar verdachte en vraagt waar hij heen moet komen. Er wordt afgesproken bij de McDonald’s. Op 24 november 2008 om 10.53 uur belt verdachte naar de gebruiker van het nummer [telefoonnummer], waarvan uit onderzoek blijkt dat dit het nummer van medeverdachte [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8]) is, en vraagt hem om ook naar de McDonald’s te komen. Diezelfde dag om 11.11 uur neemt het politieobservatieteam waar dat [medeverdachte 1], verdachte en NN1, waarvan uit nader onderzoek is gebleken dat dit [medeverdachte 8] is, een aantal dozen uit de auto van [medeverdachte 1] halen en deze inladen in de auto van [medeverdachte 8]. Wanneer korte tijd later de auto van [medeverdachte 8] bij zijn woning in beslag wordt genomen door de politie, wordt in het voertuig een partij van 2400 hennepstekken aangetroffen.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie bekend dat hij op het terrein van de McDonald’s te Nieuwegein 2400 hennepstekken heeft verkocht aan verdachte , die bemiddelaar was voor een man genaamd [naam] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 8]). Hij heeft de stekken aldaar overgedragen aan [medeverdachte 8] en verdachte.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte op

24 november 2008 2400 hennepstekken aanwezig heeft gehad. Zoals hiervoor reeds is overwogen betreft dit een grote hoeveelheid. Niet bewezen acht de rechtbank dat hij dat tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedaan.

In zaakdossier 13 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 4 ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 november 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Voor het bestaan van een dergelijke organisatie moet er sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. De deelnemers dienen in een zekere duurzame onderlinge samenwerking te participeren. Bovendien moet men behoren tot de organisatie en een aandeel hebben in dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. De specifieke deelneming aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht is niet nodig, wel wetenschap daarvan in het algemeen.

Uit observaties en telefoontaps is vast komen te staan dat de growshop “[growshop]” (hierna de growshop) werd gebruikt als ontmoetingsplaats voor de vaste leden van de organisatie en de plaats was van waaruit de organisatie handelde.

Gebleken is dat in de growshop verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] veelvuldig aanwezig waren. Blijkens informatie van de Kamer van Koophandel is de growshop een eenmanszaak die vanaf 1 januari 2006 werd gedreven voor rekening en risico van medeverdachte [medeverdachte 6]. Gedurende het onderzoek rees echter het vermoeden dat verdachte de feitelijke zeggenschap uitoefende over dagelijkse bedrijfsactiviteiten en personeel binnen de growshop.

In de growshop vond, naast de reguliere verkoop die normaliter vanuit een growshop wordt gedreven, de georganiseerde handel plaats in softdrugs, te weten de in- en verkoop van hennepstekken en hennep, het inrichten en exploiteren van hennepkwekerijen en advisering daaromtrent.

Deze totaalhandel in softdrugs en het met die handel vergaren van vermogen moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gezien als het doel dat de criminele organisatie zich had gesteld.

De hennepstekken werden bij een aantal vaste stekkenleveranciers aangekocht, te weten de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3]. Deze laatste heeft bij de politie verklaard dat hij vanaf maart/april 2008 bij de growshop kwam en dat hij daar 500 à 700 stekjes per week leverde. Hij deed het minst vaak zaken met [medeverdachte 7], meestal met [medeverdachte 6] of verdachte. Hij kreeg van alle drie wel eens geld.

Deze hennepstekken werden vervolgens doorverkocht aan diverse afnemers/henneptelers, zoals [medeverdachte 2]. In een aantal gevallen was de organisatie ook behulpzaam bij het opzetten en exploiteren van die kwekerijen en werd er advies gegeven, zoals bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4]. Er werd bovendien in een aantal gevallen door de organisatie aangeboden om de oogst van de kwekerij af te nemen. Ten slotte hadden de medeverdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] ook hun eigen kwekerij.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in casu sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband dat ten doel had het plegen van opiumwetdelicten, meer in het bijzonder de handel in respectievelijk hennepstekken, hennepplanten en hennep en het telen van hennep.

De rol van de verdachten binnen de organisatie

De rol van verdachte

Hoewel de growshop feitelijk niet aan verdachte toebehoorde, gaf verdachte wel leiding aan de overige leden van de criminele organiastie. Dit vloeit voort uit de inhoud van een aantal afgeluisterde telefoongesprekken, waaruit blijkt dat verdachte de zeggenschap heeft over:

- het betalen van lonen;

- het geven van vrije dagen/uren;

- aankopen binnen de growshop;

- te verrichten werkzaamheden binnen de growshop.

Bovendien leggen de medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] verantwoording af aan verdachte of worden zij door verdachte ter verantwoording geroepen.

Daarnaast is verdachte betrokken bij de in- en verkoop van hennepstekken en de in- en verkoop van hennepoogsten, zoals onder ander blijkt uit de hiervoor aangehaalde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3]. Verdachte heeft zelf bij de politie verklaard dat er in de growshop advies gegeven werd over het opzetten van een hennepkwekerij. Hij heeft medeverdachte [medeverdachte 6] ook wel eens een kwaliteitsadvies gegeven over de oogst van een hennepkwekerij. Voorts heeft verdachte bij de politie bekend dat hij hielp in de growshop en werden er bij hem hennepstekken besteld. Als [medeverdachte 6] er niet was, dan belde verdachte de bestellingen door. [medeverdachte 6] verkocht hooguit 1000 of 1500 stekken per week. De prijs die de winkel hanteerde bij de verkoop van stekken was € 3,00 per stek.

De rol van medeverdachte [medeverdachte 6]:

De growshop behoorde feitelijk aan [medeverdachte 6] toe, waardoor hij als ondernemer verantwoordelijk was voor hetgeen er gebeurde bij de growshop. Uit observatie is ook gebleken dat [medeverdachte 6] degene was die het vaakst de growshop opende en sloot. Zoals hiervoor reeds is aangegeven was de growshop het middelpunt van waaruit de criminele organisatie haar activiteiten bezigde.

Uit de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 6]:

- opdracht geeft aan medeverdachte [medeverdachte 7];

- leden van de criminele organisatie ter verantwoording roept;

- overleg heeft met de leden van de criminele organisatie over werkzaamheden.

De rol van medeverdachte[medeverdachte 7]:

[medeverdachte 7] heeft een uitvoerende rol binnen de criminele organisatie gehad. Hij was in dienst bij de growshop. Uit observatie is bovendien gebleken dat [medeverdachte 7] de growshop regelmatig opende en sloot.

Uit onderzoek is voorts gebleken dat de growshop regelmatig bezocht werd door diverse personen, die bij het betreden en/of verlaten van de growshop gevulde plastic tassen en of dozen bij zich hadden. Ook werden voertuigen achteruit het pand ingereden om goederen in of uit te laden, veelal waren dit grote dozen. In combinatie met afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat er in genoemde dozen en zakken cannabisproducten vervoerd werden.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 01 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 te

[plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad

een grote hoeveelheid hennepstekken,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op 24 november 2008 te Nieuwegein en/of Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een grote hoeveelheid van ongeveer 2400 hennepplanten,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 november 2008 te [plaats], heeft deelgenomen aan een organisatie,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

het in de uitoefening van een beroep of bedrijf en/of in grote hoeveelheden

opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig

hebben van middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet (in casu hennep),

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 4:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de door de officier van justitie gevorderde straf fors te matigen, te meer daar op het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B en/of C van de Opiumwet een maximumstraf van 2 jaar is gesteld.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie. Deze organisatie opereerde vanuit de growshop [growshop] te [plaats] en hield zich op grote schaal bezig met de in- en verkoop van hennepstekken en –planten, het opzetten en exploiteren van hennepkwekerijen en de advisering daarover.

Weliswaar heeft Nederland ten aanzien van hennep een gedoogbeleid, maar het gedogen is vooral gericht op het gebruik van hennep. Hoewel de rechtbank beseft dat het gedoogbeleid een schemergebied doet ontstaan, neemt dit niet weg dat het kweken van en de handel in hennepplanten en -stekken nadrukkelijk niet gedoogd wordt en strafbaar is.

Ten aanzien van het gebruik van softdrugs overweegt de rechtbank dat dit (op de lange duur) schadelijk is voor de gezondheid. Door als organisatie bezig te zijn met het in de samenleving brengen van softdrugs wordt bijgedragen aan dit schadelijke gevolg.

Verdachte heeft binnen de growshop nauw samengewerkt met de medeverdachte [medeverdachte 6], de eigenaar van de growshop en zijn eigen zoon [medeverdachte 7]. Verdachte had daarbij een leidinggevende rol. Verdachte had namelijk zeggenschap over het betalen van lonen, het geven van vrije dagen/uren, aankopen binnen de growshop en de werkzaamheden die binnen de growshop moesten worden verricht.

Bovendien legden de medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] verantwoording af aan verdachte of werden zij door verdachte ter verantwoording geroepen.

Het leiding geven aan een criminele organisatie, zoals hiervoor omschreven, acht de rechtbank een zeer ernstig feit.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld terzake van enig strafbaar feit.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Mens (EVRM). De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van verdachte op 25 november 2008. De rechtbank doet heden, 17 januari 2011, uitspraak. Nu het uitgangspunt voor afdoening van een zaak in eerste aanleg is dat binnen twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak is gedaan, is er derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn.

Met name voornoemde schending is voor de rechtbank aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde straf enigszins te matigen.

6 Het beslag

6.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen dan wel de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a ,47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2:Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

feit 4:Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van € 70,00 (IJSS-C-II-1-0-2);

- een geldbedrag van € 50,00 (IJSS-C-II-4-$);

- een personenauto met kenteken [kenteken], merk: Nissan, type: Murano, kleur

zwart;

- een kentekenbewijs, deel 1A, voor de Nissan Murano met kenteken [kenteken];

- een sleutel voor de Nissan Murano met kenteken [kenteken].

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mrs J. Ebbens en M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2011.