Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP0962

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
17-01-2011
Zaaknummer
16/711811-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkenheid bij grootschalige in- en verkoop van hennepplanten en het opzetten en exploiteren van hennepkwekerijen vanuit een growshop in Houten. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 1, 3 en 8 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en werkstraf van 240 uren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711811-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats]

wonende [adres], [woonplaats]

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 december 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Op 3 januari 2011 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 8 september 2008 tot en met 25 september 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten en/of hennepstekken heeft gekweekt, verhandeld en/of verwerkt dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 1 april 2008 tot en met 25 september 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 3: in of omstreeks de periode van 10 oktober 2008 tot en met 5 november 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd dan wel een grote hoeveelheid hennepstekken opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 4: op 25 november 2008 een hennepkwekerij heeft gehad dan wel op die datum opzettelijk een hoeveelheid hennep aanwezig heeft gehad;

feit 5: in de periode van 26 augustus 2008 tot en met 25 november 2008 een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen door middel van braak op of verbreking van de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast;

feit 6: in de periode van 31 mei 2008 tot en met ongeveer 31 oktober 2008 een (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan opzettelijk heeft gekweekt en/of verwerkt dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 7: in de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 november 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

feit 8: in de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 november 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van grote hoeveelheden geld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten alsmede het onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan en zij baseert zich daarbij op de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten, cameraobservaties en observaties van het observatieteam. Zij baseert zich voorts op de verklaringen van een aantal leveranciers van hennepplanten en/of hennepstekken, in het bijzonder de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Er zijn bovendien kwekerijen van hennepstekken en/of hennepplanten opgerold bij [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7]. Voornoemde personen hebben onder andere verklaard over de rol van verdachte dan wel de rol van de growshop [growshop], waar verdachte werkzaamheden verrichtte, bij het opzetten van deze kwekerijen.

Ten aanzien van de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie in het bijzonder gewezen op de grotendeels bekennende verklaring van verdachte en de bevindingen ter plaatse.

De officier van justitie acht het onder 8 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman gesteld dat het in deze zaak gaat om een hennepkwekerij die bij mevrouw [medeverdachte 7] is aangetroffen. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt hooguit enige betrokkenheid van verdachte bij de levering van een kast voor deze kwekerij. Er is geen enkel bewijs dat verdachte ook betrokken zou zijn bij de levering van hennepstekken en/of -planten. De rol van verdachte zou hooguit kunnen duiden op medeplichtigheid, maar dat is niet ten laste gelegd. Er dient derhalve vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte in de stukken bijna niet genoemd wordt. Uit observaties blijkt slecht dat verdachte met dozen heeft gelopen bij de [growshop], maar er blijkt nergens wat er in deze dozen heeft gezeten. Er is eigenlijk alleen de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], die bij de politie verklaard heeft dat verdachte wel eens wat bij hem besteld heeft en hij een enveloppe heeft gekregen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook van het onder 3 ten laste gelegde feit vrijgesproken moet worden, omdat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Er zijn slechts afgeluisterde telefoongesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 8], waarin over (lotto)getallen wordt gesproken. Volgens de officier van justitie staan deze getallen voor het aantal hennepstekken dat besteld wordt door verdachte, maar daarvoor ontbreekt een goede onderbouwing. Voorts zijn er observaties, waaruit blijkt dat [medeverdachte 8] de growshop bezocht. Alleen bij levering 4 wordt waargenomen dat [medeverdachte 8] daadwerkelijk iets heeft afgeleverd bij de growshop, maar er is niet duidelijk wat er afgeleverd is.

Met betrekking tot de feiten 4, 5 en 6 heeft de raadsman verzocht om de (gedeeltelijk) bekennende verklaring van verdachte te volgen, omdat er geen bewijs is voor het tegendeel. Deze verklaring houdt –zakelijk weergegeven – in dat verdachte op 25 november 2008 in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] een hennepkwekerij heeft gehad. Hij had tweemaal eerder geoogst. Hij kweekte aanvankelijk voor eigen gebruik. Hij had één lamp en vijftien à zestien planten. Het ging zo goed dat hij de derde keer meer lampen en planten heeft geplaatst. Hij dacht dat er op 25 november 2008 60 hennepplanten stonden. De eerste twee keer heeft hij de elektriciteit via de meter afgenomen, maar voor de derde kweek heeft hij elektriciteit buiten de meter om afgenomen. Voor feit 6 betekent dit dat dit bijna in de gedoogsfeer zit.

Met betrekking tot feit 7 heeft de raadsman gesteld dat er geen bewijs is. Op basis van de stukken, in het bijzonder de verklaringen van [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], kan slechts bewezen worden dat verdachte meehielp in de growshop met werkzaamheden, die aldaar normaliter verricht worden.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd op het onder 8 tenlastegelegde feit, omdat de officier van justitie tot vrijspraak heeft gerequireerd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van CIE-informatie met betrekking tot handel in verdovende middelen door de eigenaar en medewerkers van growshop “[growshop]” werd in januari 2008 door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Gedurende dit onderzoek ontstond het vermoeden dat er sprake was van een criminele organisatie die, met genoemde growshop als centraal middelpunt, zich bezig hield met georganiseerde en professionele hennepteelt. Op 25 november 2008 werden in diverse woningen van verdachten en in de growshop doorzoekingen verricht, waarbij onder meer op verschillende plekken hennepresten, grote geldbedragen, agro-artikelen en hennepkwekerijen werden aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘IJssel’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 18 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangegeven over welk strafbaar feit of welke strafbare feiten wordt gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen ervan worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In zaakdossier 2 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 1 ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 8 september 2008 tot en met 25 september 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten en/of hennepstekken heeft gekweekt, verhandeld en/of verwerkt dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de voorwerpen ten behoeve van de aangetroffen kwekerij zijn geleverd door de growshop de [growshop], de onderneming van medeverdachte [medeverdachte 9]. Mogelijk is verdachte ook betrokken geweest bij de levering van een kast (ten behoeve van de kwekerij) in de woning van [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] heeft echter tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wie de hennepstekken en hennepplanten aan haar heeft geleverd. Nu uit de overige stukken evenmin is gebleken wie de hennepstekken en planten heeft geleverd, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat er sprake is van medeplegen. Het hiervoor omschreven aandeel van verdachte duidt hooguit op medeplichtigheid. Nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

In zaaksdossier 3 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 2 ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Uit het onderzoek is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 9] regelmatig telefonisch contact had met de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer], die in gebruik zijn bij medeverdachte [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] wordt in de gesprekken aangeduid met de naam [medeverdachte 2]. Hij maakt bovendien gebruik van een blauwe Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] en een rode Renault Megane met kenteken [kenteken].

Uit de inhoud van afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten in combinatie met diverse observaties blijkt dat [medeverdachte 2] diverse malen dozen aflevert bij de [growshop].

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat in de [growshop] alles te koop is met betrekking tot wiet en dat hij daar de stekken bracht. Hij deed het minst vaak zaken met verdachte, meestal met [medeverdachte 9] en ook met [medeverdachte 10]. Ze hadden een vaste prijs afgesproken. Hij kwam vanaf maart/april 2008 bij [growshop] om wat af te leveren. Hij bemiddelde. Hij kweekte niet zelf. Hij haalde de stekken op en bracht ze weg.

Zijn dozen bevatten 150 stekken. Hij leverde 500 tot 700 hennepstekjes per week. Het grootste aantal hennepstekken dat hij in 1 week heeft geleverd aan [growshop] was 1500, een keer 2000. Hij verkocht de stekken voor € 1,80 en betaalde € 1,35, heel af en toe € 1,50.

Hij heeft nooit iets anders gebracht dan stekjes.

Medeverdachte [medeverdachte 10] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 2] een bezoeker van [growshop] is. [medeverdachte 9] verkocht hooguit 1000 of 1500 stekjes per week. [medeverdachte 2] heeft twee telefoonnummers. Hij heeft ook zelfstandig stekken besteld bij [medeverdachte 2].

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij meestal dagelijks in de growshop [growshop] was, alwaar hij als baliemedewerker werkzaamheden verrichtte en ook bestellingen aannam. Hij heeft ook met dozen gelopen bij de growshop.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken aanwezig heeft gehad.

In zaakdossier 6 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 3 ten laste is gelegd, dat hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2008 tot en met 5 november 2008 al dan niet samen met (een) ander(en) opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd dan wel een grote hoeveelheid hennepstekken opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat er in de tapgesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 8] gesproken wordt over hennepstekken. De redenering dat waar over lotto- en bingogetallen gesproken wordt feitelijk hennepstekken bedoeld zijn wordt onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet gokt is daartoe in ieder geval onvoldoende.

Uit de cameraobservaties blijkt weliswaar dat medeverdachte [medeverdachte 8] regelmatig, al dan niet na het voeren van telefoongesprekken met verdachte over lottogetallen, de growshop bezocht, maar er is niet vast komen te staan dat tijdens deze bezoeken hennepstekken zijn afgeleverd of verkocht door hem. Er is eenmaal waargenomen dat er twee dozen vanuit de auto, waarin [medeverdachte 8] reed, zijn overgebracht naar de growshop, maar niet is komen vast te staan wat er in deze dozen heeft gezeten.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook van dat feit vrijspreken.

In zaakdossier 7 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 4, 5 en 6 ten laste is gelegd dat hij in zijn woning een hennepkwekerij heeft gehad, waarvoor hij stroom heeft gestolen en bovendien al tweemaal eerder geoogst heeft.

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 25 november 2008 is er in zijn woning een in werking zijnde hennepkwekerij met 73 planten aangetroffen, die ter plaatse werd ontmanteld. Bij de ontmanteling zijn 4 henneptoppen veiliggesteld en nader onderzocht. De monsters zijn positief getest op cannabis. Tevens bleek de elektriciteitsmeter gesaboteerd, waarvan door [A] namens Stedin B.V. aangifte is gedaan. Bij controle van de netcomponenten heeft hij geconstateerd dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Aan de onderzijde van de hoofdzekeringen was een vieraderige elektriciteitskabel bijgeplaatst en aangesloten, zodat de via deze elektriciteitskabel afgenomen elektriciteit niet door de meter werd geregistreerd.

Bovendien heeft hij waargenomen dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een laag stof zaten, hetgeen erop duidt dat deze er al langere tijd waren. De mate van vervuiling van het witte filtermateriaal van het koolstoffilter duidde op gebruik gedurende minimaal 1 hennepoogst. Omdat er onder de kettingen waaraan het koolstoffilter was opgehangen geen vervuiling is aangetroffen, is de vervuiling ook ter plaatse ontstaan. Op de vloer lagen afvalbladeren en resten van hennepplanten, die kennelijk afkomstig waren van een eerdere oogst. Ook een vieze blubberlaag op het water in het watervat en een dikke kalkaanslag aan de zijkant van dit vat duidde op het al langere tijd in gebruik zijn van de hennepkwekerij.

Op basis van deze bevindingen concludeert [A] dat de hennepkwekerij al geruime tijd in de woning aanwezig was, in ieder geval vanaf 26 augustus 2008.

Verdachte heeft op de zitting van 14 december 2010 verklaard dat hij in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] een hennepkwekerij heeft gehad. Hij heeft tweemaal eerder geoogst. Hij kweekte aanvankelijk voor eigen gebruik. Hij had één lamp en vijftien à zestien planten. Het ging zo goed dat hij de derde keer meer lampen en planten heeft geplaatst. Hij dacht dat er op 25 november 2008 60 hennepplanten stonden. De eerste twee keer heeft hij de elektriciteit via de meter afgenomen, maar voor de derde kweek heeft hij elektriciteit buiten de meter om afgenomen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Nu er op 25 november 2008 een hennepkwekerij met 73 planten is aangetroffen gaat de rechtbank, anders dan de verklaring van verdachte, van dit aantal uit. Verdachte heeft niet eerder verklaard dat hij aanvankelijk veel minder planten heeft gekweekt en dit overigens op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op de bevindingen van [A] gaat de rechtbank er voorts van uit dat er bij de eerdere oogsten ongeveer evenveel planten hebben gestaan en dat verdachte ook toen al elektriciteit buiten de meter om heeft afgenomen.

In zaakdossier 13 is gerelateerd de verdenking jegens verdachte zoals hem onder 7 ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 november 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Voor het bestaan van een dergelijke organisatie moet er sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. De deelnemers dienen in een zekere duurzame onderling samenwerking te participeren. Bovendien moet men behoren tot de organisatie en een aandeel hebben in dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. De specifieke deelneming aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht is niet nodig, wel wetenschap daarvan in het algemeen.

Gebleken is dat in de growshop verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 9] en [verdachte] veelvuldig aanwezig waren. Blijkens informatie van de Kamer van Koophandel is de growshop een eenmanszaak die vanaf 1 januari 2006 werd gedreven voor rekening en risico van medeverdachte [medeverdachte 9]. Gedurende het onderzoek rees echter het vermoeden dat medeverdachte [verdachte] de feitelijke zeggenschap uitoefende over dagelijkse bedrijfsactiviteiten en personeel binnen de growshop.

In de growshop vond, naast de reguliere verkoop, die normaliter van daar uit wordt gedreven, de georganiseerde handel plaats in softdrugs, te weten de in- en verkoop van hennepstekken, hennep, het inrichten en exploiteren van hennepkwekerijen en advisering daaromtrent.

Deze totaalhandel in softdrugs en het met die handel vergaren van vermogen moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gezien als het doel dat de criminele organisatie zich had gesteld.

Uit observaties en telefoontaps is vast komen te staan dat de growshop “[growshop]” (hierna de growshop) werd gebruikt als ontmoetingsplaats voor de vaste leden van de organisatie en de plaats was van waaruit de organisatie handelde.

De hennepstekken werden bij een aantal vaste stekkenleveranciers aangekocht, te weten de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2]. Deze laatste heeft bij de politie verklaard dat hij vanaf maart/april 2008 bij de growshop kwam en dat hij daar 500 à 700 stekjes per week leverde. Hij deed het minst vaak zaken met [verdachte], meestal met [medeverdachte 9] of [medeverdachte 10]. Hij kreeg van alle drie wel eens geld.

Deze hennepstekken werden vervolgens doorverkocht aan diverse afnemers/henneptelers, zoals [medeverdachte 5]. In een aantal gevallen was de organisatie ook behulpzaam bij het opzetten en exploiteren van die kwekerijen en werd er advies gegeven, zoals bij [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6]. Er werd bovendien in een aantal gevallen door de organisatie aangeboden om de oogst van de kwekerij af te nemen. Ten slotte hadden de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 9] ook hun eigen kwekerij.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in casu sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband dat ten doel had het plegen van opiumwetdelicten, meer in het bijzonder de handel in respectievelijk hennepstekken, hennepplanten en hennep en het telen van hennep.

De rol van de verdachten binnen de organisatie

De rol van verdachte:

Verdachte heeft een uitvoerende rol binnen de criminele organisatie gehad. Hij was in dienst bij de growshop. Uit observatie is bovendien gebleken dat hij de growshop regelmatig opende en sloot.

Uit onderzoek is voorts gebleken dat de growshop regelmatig bezocht werd door diverse personen, die bij het betreden en/of verlaten van de growshop gevulde plastic tassen en of dozen bij zich hadden. Ook werden voertuigen achteruit het pand ingereden om goederen in of uit te laden, veelal waren dit grote dozen. In combinatie met afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat er in genoemde dozen en zakken cannabisproducten vervoerd werden.

De rol van medeverdachte [medeverdachte 9]:

De growshop behoorde feitelijk aan [medeverdachte 9] toe, waardoor hij als ondernemer verantwoordelijk was voor hetgeen er gebeurde bij de growshop [growshop]. Uit observatie is ook gebleken dat [medeverdachte 9] degene was die het meeste de growshop opende en sloot. Zoals hiervoor reeds is aangegeven was de growshop het middelpunt van waaruit de criminele organisatie haar activiteiten bezigde.

Uit de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 9]:

- opdracht geeft aan verdachte;

- leden van de criminele organisatie ter verantwoording roept;

- overleg heeft met de leden van de criminele organisatie over werkzaamheden.

De rol van medeverdachte [medeverdachte 10]:

Hoewel de growshop feitelijk niet aan [verdachte] toebehoorde, gaf hij wel de leiding aan de overige leden van de criminele organisatie. Dit vloeit voort uit de inhoud van een aantal afgeluisterde telefoongesprekken, waaruit blijk dat [verdachte] de zeggenschap heeft over:

- het betalen van lonen;

- het geven van vrije dagen/uren;

- aankopen binnen de growshop;

- te verrichten werkzaamheden binnen de growshop.

Bovendien leggen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 9] verantwoording af aan [verdachte] of zij worden door hem ter verantwoording geroepen.

Daarnaast is [verdachte] betrokken bij de in- en verkoop van hennepstekken en de in- en verkoop van hennepoogsten, zoals onder andere blijkt uit de hiervoor aangehaalde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]. [verdachte] heeft zelf bij de politie verklaard dat er in de growshop advies gegeven werd over het opzetten van een hennepkwekerij. Hij heeft [medeverdachte 9] ook wel eens een kwaliteitsadvies gegeven over de oogst van een hennepkwekerij. Voorts heeft [verdachte] bij de politie bekend dat hij hielp in de growshop en er werden bij hem hennepstekken besteld. Als [medeverdachte 9] er niet was, dan belde [verdachte] de bestellingen door. Verdachte verkocht hooguit 1000 of 1500 stekken per week. De prijs die de winkel hanteerde bij de verkoop van stekken was € 3,00 per stek, aldus [verdachte].

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het onder 8 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 01 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 te

Houten tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad

een grote hoeveelheid hennepstekken,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

op 25 november 2008 te Utrecht opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] te [woonplaats] een hoeveelheid van in totaal 73 hennepplanten,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

5.

in de periode van 26 augustus 2008 tot en met 25 november

2008 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Stedin BV, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van een verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast;

6.

in de periode van ongeveer 31 mei 2008 tot en met ongeveer 31

oktober 2008 te Utrecht opzettelijk heeft geteeld en verwerkt in een pand aan de [adres] te [woonplaats] een aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

7.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 november 2008 te Houten heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

het (al dan niet) in de uitoefening van een beroep of bedrijf en/of

(al dan niet) in grote hoeveelheden opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig

hebben en/of vervaardigen van middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet (in casu hennep.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van de feiten 4 en 6, telkens:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 5:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

Ten aanzien van feit 7:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om in geval van een bewezenverklaring voor een of meerdere feiten te volstaan met de oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie. Deze organisatie opereerde vanuit de growshop [growshop] te Houten en hield zich op grote schaal bezig met de in- en verkoop van hennepstekken en -planten en het opzetten en exploiteren van hennepkwekerijen en advisering daaromtrent.

Weliswaar heeft Nederland ten aanzien van hennep een gedoogbeleid, maar het gedogen is vooral gericht op het gebruik van hennep. Hoewel de rechtbank beseft dat er door het gedoogbeleid een schemergebied is ontstaan, neemt dit niet weg dat het kweken van en de handel in hennepplanten en -stekken nadrukkelijk niet gedoogd wordt en strafbaar is.

Ten aanzien van het gebruik van softdrugs overweegt de rechtbank dat dit (op de lange duur) schadelijk is voor de gezondheid. Door als organisatie bezig te zijn met het in de samenleving brengen van softdrugs wordt bijgedragen aan dit schadelijke gevolg.

Verdachte heeft binnen de growshop nauw samengewerkt met de medeverdachten [verdachte], de vader van verdachte en de feitelijk leidinggevende binnen de growshop en [medeverdachte 9], de eigenaar van de growshop tevens vriend van verdachte. Verdachte had daarbij een uitvoerende rol. Het deelnemen aan een criminele organisatie, zoals hiervoor omschreven, acht de rechtbank een zeer ernstig feit.

Verdachte heeft bovendien in zijn woning een hennepkwekerij opgezet.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld terzake van enig strafbaar feit.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Mens (EVRM). De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van verdachte op 25 november 2008. De rechtbank doet heden, 17 januari 2011, uitspraak. Nu het uitgangspunt voor afdoening van een zaak in eerste aanleg is dat binnen twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak is gedaan, is er derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn.

De voornoemde schending van de redelijke termijn alsmede het feit dat verdachte binnen de criminele organisatie een geringere rol heeft gespeeld dan de medeverdachte [medeverdachte 9] en [verdachte] zijn voor de rechtbank aanleiding om enerzijds de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen en anderszijds een werkstraf op te leggen.

5.4 Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit 4: het opzettelijk aanwezig hebben van een blok hasj (97,06 gram) op 25 november 2008.

Hetgeen voor het overige ad informandum is aangeboden is buiten beschouwing gebleven, nu verdachte deze feiten heeft ontkend.

6 Het beslag

6.1 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat dit voorwerp niet aan verdachte toebehoort, maar degene aan wie dit toebehoort redelijkerwijs het gebruik in verband met strafbare feiten had kunnen vermoeden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 11 en 11a van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 3 en 8 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4 en 6, telkens: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 7: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Beslag

- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een personenauto met kenteken [kenteken], merk Citroën, type Jumpy.

Dit vonnis is gewezen door J.R. Krol, voorzitter, mrs. J. Ebbens en M.P. Gerrits-Jannsens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2011.