Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP0643

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
297224/FT-RK 10.1196
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementswet. Schuldsanering. Dwangakkoord. Verzoek is niet- ontvankelijk. Geen minnelijk traject via schuldhulpverlening. Familie heeft schulden overgenomen en betaald. Resteert 1 schuldeiser. Verzoeker heeft geen verzoek schuldsanering ingediend en wil dat ook niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

zaaknummer: 297224/FT-RK 10.1196

nummer verklaring: -

uitspraakdatum: 6 januari 2011

dwangakkoord

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

verzoeker

tegen

Rabobank Financieringsmaatschappij

gevestigd te Eindhoven

verweerster

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Rabobank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 19 november 2010 ter griffie van deze rechtbank tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw)

- de op 23 november 2010 opgevraagde aanvullende stukken

- de mondelinge behandeling van genoemd verzoekschrift en het daarvan opgemaakte procesverbaal, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1. [verzoeker] heeft op of omstreeks 5 juli 2010 een schuldregeling aangeboden aan zijn resterende schuldeisers. Dit akkoord houdt - samengevat – in: betaling van € 11.900,- aan de Rabobank en € 16.500,- aan de ABN AMRO bank. Dit komt er op neer dat [verzoeker] 59% van de schulden bij de banken wil betalen.

2.2. De onder 2.1. bedoelde schuldregeling is door de ABN AMRO bank aanvaard, maar niet door de Rabobank.

2.3. Rabobank heeft, zo blijkt uit correspondentie, gezien het verloop van de financiering, de heropnames en de situatie van [verzoeker] geen reden gezien tot kwijting.

2.4. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde berekening van het vrij te laten bedrag blijkt dat [verzoeker] een maandelijks inkomen heeft van € 3.672,- en dat voor hem een vrij te laten bedrag is berekend met behulp van de recofa methode van € 2.333,-, zodat onder de huidige omstandigheden maandelijks een bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar is van € 1.339,-. In totaal kan in de schuldsanering naar schatting € 48.204,- worden gespaard.

2.5. Bij toelating tot de schuldsaneringsregeling zal [verzoeker] aan bewindvoerderssalaris (ten minste) verschuldigd zijn: 36 x € 41,50 exclusief btw = € 1.777,86 inclusief btw. Daarnaast dient nog griffierecht van € 545,- te worden betaald, zodat de totale kosten € 2.322,86 zullen bedragen.

3. Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1. [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht Rabobank te bevelen in te stemmen met de onder 2.1 bedoelde schuldregeling.

3.2. Rabobank heeft geen mondeling verweer gevoerd. Haar verweer is onder 2.3 reeds verwoord.

4. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1. Bij het verzoek op grond van artikel 287a Fw heeft verzoeker geen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 284 Fw gevoegd.

Op 23 november 2010 heeft de rechtbank verzoeker in de gelegenheid gesteld zijn verzoek

ex artikel 287a Fw aan te vullen, onder andere met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4.2. Ter zitting heeft mr. De Graaf, namens verzoeker, nadrukkelijk verklaard dat het niet de bedoeling van verzoeker is toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.

4.3. Een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ontbreekt thans en [verzoeker] heeft niet de intentie een dergelijk verzoek te doen. Nu een verzoek ex artikel 287a Fw en een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zo blijkt ook uit recente jurisprudentie, dient [verzoeker] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek ex artikel 287a Fw.

4.4. Daarnaast is het akkoord niet aangeboden door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 sub b, c of d van de Wet op het Consumentenkrediet (WCK). Ter zitting heeft mr. De Graaf verklaard dat er sprake is van schuldbemiddeling om niet, zoals bedoeld in sub a van artikel 48 lid 1 WCK. Indien sprake was van een verzoek op grond van artikel 284 Fw zou dit geen reden voor afwijzing van het verzoek zijn.

4.5. De rechtbank overweegt hieromtrent dat gesteld noch gebleken is dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank. Het voorstel is gemaakt door mr. De Graaf, zijnde de afgevaardigde van de familie van [verzoeker], die middels een overeenkomst de schulden van [verzoeker] saneert. Gezien zijn positie, kan De Graaf daarom in een verzoek als de voorliggende niet als onafhankelijke partij worden beschouwd.

4.6. De rechtbank oordeelt verder dat onvoldoende duidelijk is dat het aanbod het uiterste is waartoe [verzoeker] financieel in staat is. Uit de loonstrook, die op verzoek van de rechtbank na de behandeling nog is toegestuurd, blijkt dat [verzoeker] de beschikking heeft over een lease auto. In de berekening van het vrij te laten bedrag is niet inzichtelijk gemaakt, dat bij de inkomsten rekening is gehouden met het privé voordeel van deze auto. Ook heeft verzoeker geen procedure gestart om een lagere alimentatieverplichting te krijgen. Gemakshalve is in het aanbod uitgegaan van een bedrag van

€ 590,- in plaats van de verplichting van € 1.190,-. Voorts is de ABN AMRO bank akkoord gegaan met een hoger bedrag dan hetgeen eerst was aangeboden. Aan de Rabobank zou een zelfde gewijzigd aanbod zijn gedaan. Dit heeft verzoeker echter niet met stukken kunnen onderbouwen.

5. De beslissing

De rechtbank

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Dit vonnis is gewezen door C.M. Dijksterhuis en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2011.