Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:656

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2011
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
16-711688-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wietdeal; ripdeal. Vrijheidsberoving, door de twee mannen met tape vast te binden en een vuurwapen op hen te richten. Vrijspraak diefstal met geweld en/of afpersing nu dit uit inhoud van de verklaringen niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711688-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1982] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [woonplaats] , aan de [adres] ,

gedetineerd te PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein,

raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van de vrijheid heeft beroofd, door hen met tape vast te binden en een vuurwapen op hen te richten;

feit 2: samen met een ander door geweld en/of bedreiging met geweld:

geld, hennep en een paspoort van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gestolen, en/of hen heeft afgeperst.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de beide tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, met dien verstande dat niet kan worden bewezen dat verdachte geld en een paspoort heeft gestolen. De officier baseert zich hierbij op de verklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ), die wordt ondersteund door de processen-verbaal van de Forensische Opsporing, de verklaring van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), het NFI-rapport en een positieve Foslo-confrontatie. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig, nu hij pas in een laat stadium een verklaring heeft afgelegd en verdachte niet de naam van de medeverdachte wil noemen. Voorts is de verklaring van verdachte in strijd met een aantal feiten en omstandigheden uit het procesdossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte van beide feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging wijst daarbij op het volgende. De verklaringen van [slachtoffer 2] , die in deze zaak cruciaal zijn, zijn leugenachtig, althans ongeloofwaardig en kunnen niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Daarnaast hebben getuigen slechts verklaard over wat zij van anderen hebben gehoord, reden waarom hun verklaringen niet doorslaggevend kunnen zijn. De verklaring van verdachte wordt op een groot aantal punten door de inhoud van het procesdossier bevestigd, zodat van zijn verklaring dient te worden uitgegaan. Met betrekking tot feit 1 merkt de verdediging nog op dat het vasttapen niet (helemaal) is gelukt en voorts het enkele richten met het vuurwapen geen vrijheidsberoving oplevert. Nu uit de camerabeelden blijkt dat een en ander zich heeft afgespeeld in een tijdsbestek van slechts 8 minuten, kan geen sprake zijn van daadwerkelijke vrijheidsberoving. De verdediging stelt dat gelet op de omstandigheden de formele wederrechtelijkheid ontbreekt. Op grond hiervan dient vrijspraak te volgen.

Met betrekking tot feit 2 merkt de verdediging op dat zowel aan de hand van de verklaring van verdachte, als aan de hand van de verklaring van [slachtoffer 2] (de enige direct betrokkenen in deze zaak), niet kan worden vastgesteld dat geld, een paspoort of hennep is gestolen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer 1] heeft de politie gesprekken gevoerd met zijn naasten. Daaruit is gebleken dat hij op 27 en 28 januari 2010 wanhopig heeft geprobeerd EUR 20.000,- bij elkaar te krijgen. Hij heeft zijn vriendin, [getuige] , daarover verteld dat hij en zijn vriend [slachtoffer 2] met anderen een wietdeal hadden gesloten en dat zij op 27 januari zijn geript. Daarbij zijn ze in de schuur van [slachtoffer 1] woning in Amerongen bedreigd met een pistool en vast getapet.

4.3.2

Gebeurtenissen 27 januari 2010

De rechtbank kan niet exact vaststellen wat zich heeft voorgedaan in de schuur. [slachtoffer 1] is overleden en heeft daarover geen verklaring kunnen afleggen tegenover de politie. Verdachte heeft niet de naam van zijn kennis willen noemen die hem die dag vergezelde. Verdachte en [slachtoffer 2] hebben uiteenlopende verklaringen over het gebeurde afgelegd. Kort gezegd heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij de schuur binnenkwam, hij meteen een pistool op zijn hoofd kreeg, dat hij en [slachtoffer 1] werden vast getapet en dat zijn geld en paspoort werden meegenomen. [slachtoffer 2] heeft verdachte als één van de daders aangewezen. Verdachte heeft verklaard dat de kwaliteit van de wiet niet goed was, waardoor de koop niet doorging. Volgens verdachte is [slachtoffer 2] met de wiet naar zijn auto gelopen, teruggekomen met een pistool en heeft hij het geld van verdachte en zijn metgezel geëist. Verdachte en zijn metgezel hebben hem overmeesterd en vervolgens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vast getapet, waarop ze zijn vertrokken, zonder de wiet.

Geen van de twee verklaringen acht de rechtbank zonder meer betrouwbaar. De verklaring van [slachtoffer 2] niet omdat de rechtbank het waarschijnlijk acht dat er wiet werd verhandeld in de schuur, terwijl [slachtoffer 2] consequent ontkent dat dit het geval was. Ook op de verklaring van verdachte valt het nodige af te dingen, nu zijn relaas niet kan verklaren waarom [slachtoffer 1] vrijwel meteen na het gebeurde op 27 januari tegen zijn vriendin roept: “we zijn geript, we zijn geript”.

De rechtbank acht wel waarschijnlijk dat er op 27 januari 2010 een wietdeal plaatsvond in de schuur behorend bij de woning van [slachtoffer 1] in Amerongen. Ook verdachte heeft verklaard dat er wiet zou worden verhandeld die dag tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enerzijds en verdachte en een kennis anderzijds. De politie heeft voorts op 28 januari 2010 een weegschaal en enkele lege aluminium zakken, die sterk roken naar hennep, aangetroffen in de schuur.

4.3.3

Feit 2

Uit de inhoud van de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 2] kan de rechtbank niet met voldoende overtuiging vaststellen dat verdachte een hoeveelheid hennep, geld en/of een paspoort heeft weggenomen, noch dat verdachte genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte hiervan.
Ook overigens blijkt niet uit de inhoud van het procesdossier dat verdachte, dan wel de persoon die hem op dat moment vergezelde hennep, geld en/of een paspoort toebehorende aan [slachtoffer 2] heeft weggenomen. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

4.3.4

Feit 1

Wel stelt de rechtbank vast, nu de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 2] op die punten overeenstemmen, dat verdachte en zijn mededader op enig moment in de schuur [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onder schot hebben gehouden en hen hebben vast getapet.

Redengevende feiten en omstandigheden

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 januari 2010 te Amerongen [slachtoffer 2] bij zijn nek heeft beetgepakt en een nekklem heeft aangelegd. Daarop heeft verdachte [slachtoffer 2] naar de grond gewerkt. Voorts heeft verdachte verklaard dat zijn mededader het wapen op [slachtoffer 1] heeft gericht. Verdachte heeft tape gepakt en de handen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vastgetapet. Verdachte heeft geprobeerd de benen van [slachtoffer 1] te tapen.1 Verdachte heeft verklaard dat het tapen van de beide mannen nodig was, zodat hij en zijn mededader weg konden komen. Ook hebben verdachte en zijn mededader de autosleutel van [slachtoffer 1] op zolder gegooid zodat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet (gemakkelijk) weg konden komen.2

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] met zijn handen op zijn rug gebonden lag.3 Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zijn handen en voeten door verdachte werden vastgetapet, terwijl een andere man een pistool op hem gericht hield.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit deze omstandigheden, in samenhang bezien met de verklaring van verdachte waarin hij aangeeft wat zijn bedoeling met deze handelingen was, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en zijn mededader genoemde personen opzettelijk en wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling dat geen sprake kan zijn van daadwerkelijke vrijheidsberoving gelet op het korte tijdsbestek waarin een en ander zich heeft afgespeeld, nu ook gedurende een periode van een paar minuten sprake kan zijn van een zodanige beperking van de bewegingsvrijheid dat dit als vrijheidsberoving dient te worden aangemerkt.

Uit de verklaringen leidt de rechtbank tevens af dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte en zijn mededader. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde.

De verdediging heeft betoogd dat vrijspraak dient te volgen nu het ten laste gelegde bestanddeel “wederrechtelijk” niet bewezen kan worden gelet op de omstandigheden waaronder het een en ander zich afspeelde.

Zelfs al zou het zo zijn dat verdachte en zijn mededader onder schot zijn gehouden door [slachtoffer 2] (hetgeen de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – niet heeft kunnen vaststellen, maar ook niet heeft kunnen uitsluiten), dan nog is bij de vrijheidsberoving geen sprake van het ontbreken van wederrechtelijkheid. Uitgaand van het relaas van verdachte, hadden verdachte en zijn mededader op enig moment het wapen in handen waardoor de dreiging van de zijde van [slachtoffer 2] voorbij was. De vrijheidsberoving die daarop volgde, was derhalve wel degelijk wederrechtelijk.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 27 januari 2010 te Amerongen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader, opzettelijk wederrechtelijk de handen en de voeten van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met tape vastgebonden terwijl zij zich in een schuur van een woning bevonden en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat gelet op de omstandigheden de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. De verdediging stelt daarnaast dat aan verdachte een beroep op noodweer toekomt, nu verdachte zich diende te verdedigen tegen de aanranding door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hierbij heeft verdachte voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien de rechtbank van oordeel is dat de noodweersituatie reeds voorbij was, dan stelt de verdediging dat gezien de psychische situatie van verdachte aan hem een beroep op noodweerexces toekomt. Bij verdachte ontstond een zodanige psychische druk, dat hem daarnaast een beroep op psychische overmacht toekomt. Derhalve dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat verdachte strafbaar is en dat het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

De strafbaarheid van het feit

De rechtbank overweegt dat zo al zou worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van verdachte, het bestaan van een noodweersituatie ten tijde van plegen van het feit niet aannemelijk wordt geacht. Verdachte heeft immers verklaard dat [slachtoffer 2] eerst het wapen op verdachte en zijn mededader heeft gericht en dat de mededader vervolgens het wapen heeft afgepakt van die [slachtoffer 2] , waarbij verdachte [slachtoffer 2] heeft overmeesterd en hem en [slachtoffer 1] heeft vastgebonden met tape. Met het afpakken van het wapen en het overmeesteren van [slachtoffer 2] was de noodweersituatie ten einde. Onder de omstandigheid dat verdachte en zijn mededader inmiddels de beschikking hadden verkregen over het wapen is niet aannemelijk geworden dat (nog steeds) sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Evenmin wordt gelet op de door verdachte geschetste omstandigheden een rechtvaardiging anderszins voor diens gedrag aanwezig geacht. Hiertoe verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 4.3.4. is overwogen over de formele wederrechtelijkheid. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid.

Gelet op het voorgaande zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd.

5.3.2

De strafbaarheid van verdachte

Ook het beroep op noodweerexces en psychische overmacht wordt verworpen.

Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat verdachte door de veronderstelde wederrechtelijke aanranding in een hevige gemoedstoestand is geraakt. Verdachte lijkt juist, gelet op zijn verklaring, uiterst koelbloedig te hebben gehandeld. Niet alleen heeft hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vastgebonden met tape. Ook heeft hij bewust de autosleutels van [slachtoffer 1] op de zolder van de schuur gegooid. Zijn handelingen waren, wederom blijkens zijn eigen verklaring, ook niet gericht op verdediging tegen een aanval, maar erop gericht om weg te kunnen komen dan wel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet weg konden komen. Het beroep op noodweerexces zal dan ook worden verworpen.

Voorts overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Zoals hiervoor overwogen blijkt niet dat bij verdachte sprake was van een zodanige heftige gemoedstoestand. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verdachte strafbaar, nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft hierbij opgemerkt dat het om ernstige strafbare feiten gaat. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] zodanig in de problemen gebracht, nu laatstgenoemde met een grote geldvordering in het criminele circuit zat opgescheept, dat hij uiteindelijk zelfmoord heeft gepleegd. Voorts wijst de officier van justitie op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder voor openlijk geweld en een poging moord is veroordeeld.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de ernst en zwaarte van het feit niet zodanig is dat deze een gevangenisstraf van genoemde duur rechtvaardigt. De raadsman geeft de rechtbank in overweging dat dergelijke risico’s nu eenmaal horen bij het milieu waarin zowel verdachte als de slachtoffers zich begaven en dat de onderhavige zaak daardoor niet zo zwart wit is als hij lijkt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende korte tijd twee slachtoffers met tape vastgebonden, waarbij de mededader een wapen op de slachtoffers heeft gericht. Vervolgens is verdachte met de mededader uit de schuur vertrokken. Uit het procesdossier komt het beeld naar voren dat verdachte en zijn mededader een wietdeal hadden gesloten met de twee slachtoffers, maar dat er op enig moment iets mis is gegaan. Niet valt te achterhalen wat er zich op de betreffende dag in de schuur bij de woning precies heeft afgespeeld, maar duidelijk is wel dat verdachte door zijn gedragingen de slachtoffers heeft aangetast in hun persoonlijke levenssfeer. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich in deze criminele kringen heeft begeven en dat hij uiteindelijk heeft gehandeld als hierboven reeds is omschreven. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat een en ander zich nabij een woning heeft afgespeeld, waardoor de kans aanwezig was dat ook anderen bij dit voorval betrokken zouden raken. Het enkele feit dat een en ander zich afspeelde binnen het criminele milieu betekent niet dat de rechtbank een afwijkende norm hanteert ten aanzien van de straftoemeting.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen het strafblad van verdachte van 15 oktober 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van beide feiten.

Nu de rechtbank slechts één feit bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf (12) maanden.

7 Het beslag

7.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal conform de vordering van de officier van justitie de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* Buitenlands geld, met een waarde van € 22,90;

* Geld, met een waarde van € 790,00;

* Een horloge Rolex, kleur chroomkleurig;

* Een sleutel.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Reitsma, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 maart 2011.

Mr. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 27 januari 2010 te Amerongen, gemeente Utrechtse

Heuvelrug, althans in het arrondissement Utrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft

beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

de hand(en) en/of de voet(en)/enkel(s) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

met tape vastgebonden (terwijl zij zich in een schuur van een woning bevonden)

en/of een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op

het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gericht

(gehouden);

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 januari 2010 te Amerongen, gemeente Utrechtse

Heuvelrug, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (grote)

hoeveelheid geld en/of een (grote) hoeveelheid wiet/hennep en/of een paspoort,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft gedwongen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid geld en/of een

(grote) hoeveelheid wiet/hennep en/of een paspoort,in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

-een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op het

hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht

(gehouden) en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen om

op de grond te gaan liggen en/of

-de hand(en) en/of voet(en)/enkel(s) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met

tape heeft/hebben vastgebonden en/of

-tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Liggen klootzak

en hou je rustig" en/of "Ga liggen kankerlijer", althans (telkens) woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgenomen op pagina’s 909-911 van het proces-verbaal dossiernummer PL0950 2010206526, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 921.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 februari 2011.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 172.

4 De verklaring van de getuige [slachtoffer 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 3 januari 2011.