Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:5330

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
304539 - HA ZA 11-688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet. Eiser niet-ontvankelijk, omdat verzettermijn is overschreden (4.1,4.2).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

304539 / HA ZA 11-68828 september 2011

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 304539 / HA ZA 11-688

Vonnis in verzet van 28 september 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDM FINANCE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. G. de Gelder,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] , gemeente Terneuzen,

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. P.H. Pijpelink.

Partijen zullen hierna IDM en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het door deze rechtbank op 12 oktober 1988 tussen IDM en [gedaagde] bij verstek gewezen vonnis onder rolnummer 2894/88

  • -

    de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord)

  • -

    de conclusie van antwoord (aan te merken als de conclusie van repliek)

  • -

    [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld een conclusie van repliek (aan te merken als de conclusie van dupliek) te nemen, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

IDM heeft op 4 maart 1987 een overeenkomst van geldlening met [gedaagde] gesloten voor een bedrag van in totaal f 32.813,76 (te weten een hoofdsom van f 26.581,48 en een kredietvergoeding van f 6.232,28), onder de verplichting dit bedrag in 42 maandelijkse termijnen van f 781,28 terug te betalen. De eerste maantermijn vervalt op 4 april 1987. Ter meerdere zekerheid voor betaling van hetgeen [gedaagde] aan IDM verschuldigd is, is bij voormelde overeenkomst de aan [gedaagde] toebehorende personenauto van het merk Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] in eigendom aan IDM overgedragen.

2.2.

[gedaagde] is achter gebleven met de voldoening van de door hem verschuldigde maandelijkse termijnen en – ondanks aanmaningen van IDM daartoe – niet tot betaling van de ontstane achterstand overgegaan.

2.3.

Hierop heeft IDM een procedure tegen [gedaagde] bij de rechtbank Utrecht aanhangig gemaakt. Op 12 oktober 1988 heeft de rechtbank Utrecht in deze procedure een verstekvonnis gewezen met als rolnummer 2894/88, hierna ook: “het verstekvonnis”.

2.4.

Op 11 februari 2004 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde] , mr. U. Santi, een brief gezonden aan de indertijd door IDM ingeschakelde gerechtsdeurwaarders, de heer R.P.A. Schuman. De inhoud van deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

Tot mij wendde zich de heer [gedaagde] , wonende te [woonplaats] aan de [adres] met uw betekeningsexploit d.d. 5 februari j.l. . (…)”

2.5.

Bij dagvaarding van 29 maart 2011 is [gedaagde] van het verstekvonnis in verzet gekomen.

3 Het geschil

3.1.

IDM heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan IDM te voldoen een bedrag groot f 26.922, 12 (zesentwintigduizend negenhonderd tweeëntwintig gulden en twaalf cent), vermeerderd met de overeengekomen rente over de verschenen doch niet betaalde termijnen (thans bedragend 1,020% per maand) vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

[gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, de in de dagvaarding omschreven Mercedes-Benz aan IDM af te geven, met machtiging op IDM om deze automobiel met behulp van de sterke arm terug te halen, met dien verstande dat de waarde van deze automobiel, vast te stellen door een beëdigd taxateur, op de vordering van IDM in mindering zal worden gebracht (terwijl een eventueel overschot aan [gedaagde] zal worden uitgekeerd) alles onder verbeurte van een dwangsom van f 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen, en voorts,

c. het revindicatoire beslag van waarde zal verklaren, alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding, die van voormeld beslag daaronder begrepen. Rente en kosten rechtens.

3.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van IDM toegewezen behoudens de gevorderde dwangsom en met de toevoegingen dat het bedrag van f 26.563,52 bij betaling vóór het einde van de looptijd, te weten 4 september 1990, dient te worden verminderd overeenkomstig artikel 3 van het besluit Kredietvergoedingen en dat de vertragingsvergoeding berekend dient te worden over vervallen en niet betaalde termijnen, indien en voor zover een termijn meer dan dertig dagen achterstallig is volgens het contractuele aflossingsplan, en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van IDM tot de dag van de uitspraak begroot op f 1.240,00 voor salaris procureur en op f 643,85 voor verschotten.

3.3.

[gedaagde] vordert in het verzet dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal vernietigen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 12 oktober 1988 met als rolnummer 2894/88 en IDM alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen af zal wijzen.

II. voor recht zal verklaren dat IDMs vorderingen op [gedaagde] als verwoord in haar inleidende dagvaarding geheel of gedeeltelijk zijn verjaard onder oplegging van het verbod aan IDM om de vorderingen althans het verjaarde gedeelte van die vorderingen te incasseren op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 50.000,00 per overtreding van het verbod na betekening aan IDM van een daartoe strekkend vonnis,

III. voor recht zal verklaren dat IDM zonder recht of titel een bedrag van EUR 2.136,24 ten laste van [gedaagde] heeft geïncasseerd, onder oplegging van de verplichting om genoemd bedrag terug te betalen vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de periode die aanvangt op de dag der dagvaarding en die eindigt op de dag der algehele voldoening,

IV. voor recht zal verklaren dat IDM door zo lang te wachten met het incasseren van haar vorderingen het recht heeft verwerkt dat alsnog te doen, althans daardoor in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld, telkens onder oplegging van het verbod aan IDM om de vorderingen te incasseren op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 50.000,00 per overtreding van het verbod na betekening aan IDM van een daartoe strekkend vonnis,

V. de hoogte van de rentevorderingen van IDM op [gedaagde] zal matigen tot een bedrag gelijk aan 15% van de oorspronkelijke hoofdsom ad f 26.922,12 (EUR 12.216,72), althans tot een in goede justitie te bepalen ander niveau onder oplegging van een verbod om het meerdere te incasseren op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 50.000,00 per overtreding van het verbod na betekening aan IDM van een daartoe strekkend vonnis,

VI. een zodanige voorziening zal treffen in lijn van het gevorderde als de rechtbank zal vermenen te behoren,

VII. met veroordeling van IDM in de proceskosten als in de verzetdagvaarding omschreven, alsmede in de nakosten.

3.4.

[gedaagde] legt hieraan – onder meer en kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Het verstekvonnis is niet in persoon aan [gedaagde] betekend. Ook heeft [gedaagde] geen sommatiebrieven van IDM ontvangen, aldus [gedaagde] .

3.5.

IDM concludeert dat de vorderingen van [gedaagde] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en daarnaast (nu ook) in de nakosten (bij niet tijdige voldoening) beide te vermeerderen met de wettelijke rente. IDM legt hier – onder meer en kort weergegeven – (primair) aan ten grondslag dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen aangezien hij de verzettermijn heeft overschreden.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

IDM heeft – onder meer – gesteld dat het verstekvonnis op 5 februari 2004 aan het woonadres van [gedaagde] is betekend. De toenmalige advocaat van [gedaagde] heeft per brief van 11 februari 2004 aan IDM bericht dat [gedaagde] zich tot hem heeft gewend met het betekeningsexploot van 5 februari 2004 (zie 2.4). Hieruit blijkt dat [gedaagde] in ieder geval op 11 februari 2004 bekend is geworden met van de inhoud van het verstekvonnis, zodat de verzettermijn ruimschoots is verstreken, aldus IDM.

4.2.

Nu [gedaagde] , hoewel hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet heeft weersproken dat hij (in ieder geval) op 11 februari 2004 bekend is geworden met de inhoud van het verstekvonnis, zal de rechtbank dit als vaststaand aannemen. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] (ongeacht of oud of nieuw recht van toepassing is) in verzet is gekomen nadat de verzettermijn is verstreken. [gedaagde] is aldus niet-ontvankelijk in de verzetprocedure.

4.3.

Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden bekrachtigd.

4.4.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen. De kosten worden aan de zijde van IDM begroot op:

- salaris advocaat EUR 452,00 (1,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

4.5.

Nu [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de door IDM gevorderde nakosten zullen deze worden toegewezen als in het dictum bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bekrachtigt het door deze rechtbank op 12 oktober 1988 onder rolnummer 2894/88 gewezen verstekvonnis,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van IDM tot op heden begroot op EUR 452,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] , indien niet binnen 14 dagen vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- EUR 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
- te vermeerderen, indiendat de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2011.(MB