Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BY5026

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
SBR 09-2865
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: <i>Niet-ontvankelijk, besluit, arbeidsverplichting, zelfstandig rechtsgevolg </i>

Wetsartikelen: <i>Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb</i>

Samenvatting:

Eiseres is aangemeld voor een concreet omschreven project, aangeboden en ingevuld door het betrokken projectbureau. De rechtbank is van oordeel dat de bedoelde mededeling in de brief er niet slechts toe strekt eiseres te herinneren aan de gelding van de in artikel 9, eerste lid, aanhef onder b, van de WWB neergelegde arbeidsverplichting, maar op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en om die reden moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/2865

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te Utrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn.

Inleiding

1.1 Bij brief van 2 juni 2009 (hierna: de brief) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij is verplicht mee te werken aan het project ‘Werk Loont’ en dat zij is uitgenodigd voor een introductiegesprek op 3 juni 2009. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 2010, waar eiseres niet is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiseres heeft zich op 2 juni 2009 gemeld bij de voormalige Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) om een bijstandsuitkering aan te vragen. Bij deze gelegenheid is aan eiseres de brief overhandigd, waarop is vermeld als onderwerp: uitnodiging Apprenti B.V.. In deze brief is onder meer vermeld dat eiseres via het project ‘Werk loont’ betaald werk aangeboden krijgt in plaats van een bijstandsuitkering en dat zij op 3 juni 2009 een introductiegesprek heeft bij Apprenti B.V.. Voorts is in deze brief beschreven dat deelname aan het project: ‘Werk loont’ verplicht is en dat niet werken betekent dat eiseres geen inkomen en ook geen uitkering ontvangt. Op 3 juni 2009 heeft eiseres een gesprek gehad met Apprenti B.V., waarna zij zich op 5 juni 2009 heeft ziek gemeld. Vanaf 12 juni 2009 heeft eiseres gewerkt. Over de periode van 2 juni 2009 tot 12 juni 2009 heeft eiseres geen loon ontvangen.

2.2 Het bestreden besluit gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de brief. Deze brief is volgens verweerder geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.3 Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het beroep zich uitsluitend richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en dus niet tegen het (eventueel) niet-tijdig beslissen op de bijstandsaanvraag.

2.4 Ambtshalve stelt de rechtbank vast dat eiseres nog procesbelang heeft bij dit beroep, reeds omdat zij heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Bovendien heeft eiseres - gelet op de onder punt 2.1 weergegeven feiten - in ieder geval nog een materieel belang bij beoordeling van de vraag of zij in de periode van 2 juni 2009 tot 12 juni 2009 terecht is doorverwezen naar Apprenti B.V..

2.5 Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a en b, van de Wet werk en bijstand (WWB), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, dient een bijstandsgerechtigde te voldoen aan de volgende verplichtingen:

a naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

2.6 Eiseres heeft aangevoerd dat de doorverwijzing in de brief naar het project ‘Werk Loont’ een verwijzing is naar een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de WWB. Deze verwijzing is derhalve eveneens aan te merken als een besluit dat gericht is op rechtsgevolg, aldus eiseres.

2.7 De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat de brief een appellabel besluit is. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 juli 2009 (LJN BJ4443), overweegt zij dat de schriftelijke doorverwijzing naar het project ‘Werk Loont’ (waaraan eiseres blijkens de brief moet deelnemen) een nadere concretisering van de in artikel 9, eerste lid, aanhef onder b, van de WWB neergelegde arbeidsverplichting inhoudt. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat eiseres is aangemeld voor een concreet omschreven project, aangeboden en ingevuld door het betrokken projectbureau Apprenti B.V.. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de bedoelde mededeling in de brief er niet slechts toe strekt eiseres te herinneren aan de gelding van de in artikel 9, eerste lid, aanhef onder b, van de WWB neergelegde arbeidsverplichting, maar op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en om die reden moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de inhoud van die brief dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.8 Aan het voorgaande doet niet af de verwijzing door verweerder naar de uitspraken van de CRvB van 28 oktober 2008 (LJN: BG1802) en 10 november 2009 (LJN BK3397). In eerstgenoemde uitspraak lag het besluit, waarbij de betrokkene was meegedeeld dat zij was aangemeld bij een werkproject, niet ter beoordeling aan de CRvB voor. Dit besluit stond in rechte vast. Het besluit dat in die uitspraak wel ter toetsing voorlag was een andersoortig besluit dan het in de onderhavige procedure bestreden besluit. Ook de casus die aan de als tweede genoemde uitspraak van de CRvB ten grondslag lag is een andere dan de onderhavige. In die casus was uitsluitend bezwaar gemaakt tegen het niet-tijdig beslissen op een bijstandsaanvraag. De vraag of de (ook in die zaak gedane) doorverwijzing naar Apprenti B.V. een appellabel besluit is, is in die uitspraak niet aan de orde geweest.

2.9 Het beroep is gegrond. De beslissing op bezwaar zal worden vernietigd. In het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal verweerder dienen te beslissen op het verzoek van eiseres tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

2.10 De rechtbank ziet aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 874,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1,waarde per punt € 437,-).

2.11 De rechtbank ziet eveneens aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden beslissing op bezwaar van 31 augustus 2009;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 874,-;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,- aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2010.

De griffier: De rechter:

mr. N. Groot mr. K.J. Veenstra

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.