Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BT7157

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
282490 / KG ZA 10-130
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot opheffing beslaglegging. Volgens eiser zijn de beslagen onrechtmatig jegens hem, omdat zijn echtgenote een rechtsgeldig beroep heeft gedaan op artikel 1:89 BW en de vordering van gedaagde jegens hem derhalve ondeugdelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 282490 / KG ZA 10-130

Vonnis in kort geding van 17 maart 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.M. van den Pol,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RUNICA B.V.,

gevestigd te IJsselstein,

gedaagde,

advocaat mr. T.W. Phea.

Partijen zullen hierna [eiser] en Runica genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de producties aan de zijde van [eiser] (5);

- de productie aan de zijde van Runica (1);

- de mondelinge behandeling van 3 maart 2010;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota van Runica.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is directeur en enig aandeelhouder van [eiser] Projectontwikkeling B.V. (hierna: [eiser] Projectontwikkeling), gevestigd en kantoorhoudende te Alblasserdam. Deze vennootschap houdt zich bezig met de ontwikkeling van onroerend goed.

2.2. [eiser] Projectontwikkeling is in 2006 samen met een Hongaarse partner gestart met de ontwikkeling van het onroerend goed project “Prater KFT” (hierna: het project) in Boedapest, Hongarije.

2.3. Begin 2007 is [eiser] Projectontwikkeling in contact gekomen met Runica. Deze onderneming houdt zich eveneens bezig met het investeren in (de ontwikkeling van) onroerend goed.

2.4. Na onder meer een bezoek ter plaatse heeft Runica besloten om in het project te investeren. Runica, [eiser] Projectontwikkeling en [eiser] hebben hiertoe op 14 mei 2007 een overeenkomst van geldlening (hierna: de overeenkomst) gesloten, op grond waarvan Runica een bedrag van EUR 600.000,-- aan [eiser] Projectontwikkeling en [eiser] heeft geleend. In de overeenkomst is bepaald dat [eiser] Projectontwikkeling en [eiser] zich verplichten om aan Runica achteraf rente te vergoeden ad 10% op jaarbasis, vermeerderd met een evenredig deel van de opbrengst uit het project. Voorts is bepaald dat de hoofdsom of het eventuele restant daarvan, vermeerderd met de rente tot de dag van betaling, te allen tijde terstond en zonder schriftelijke ingebrekestelling zal kunnen worden opgeëist bij niet prompte voldoening van de rente of aflossing op de verschijndag.

2.5. Bij brief van 14 november 2008 heeft Runica de overeenkomst ontbonden, omdat [eiser] Projectontwikkeling en [eiser] hun verplichting tot het betalen van rente niet zijn nagekomen. Runica heeft [eiser] Projectontwikkeling en [eiser] daarbij verzocht het totaalbedrag van EUR 600.000,--, vermeerderd met de verschuldigde rente, binnen 14 dagen over te maken. [eiser] Projectontwikkeling en [eiser] zijn hiertoe niet overgegaan.

2.6. Naar aanleiding van de brief van 14 november 2008 heeft nadere correspondentie tussen partijen plaatsgevonden. Partijen zijn er echter niet in geslaagd een minnelijke regeling te treffen.

2.7. Bij brief van 1 april 2008 heeft [echtgenote eiser], de echtgenote van [eiser], onder verwijzing naar artikel 1:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een beroep gedaan op de nietigheid van de overeenkomst, voor zover [eiser] zich daarvoor als medeschuldenaar heeft verbonden. Zij heeft er daarbij op gewezen dat [eiser] voor het medeondertekenen van de overeenkomst haar toestemming nodig heeft en dat zij deze toestemming uitdrukkelijk niet geeft.

2.8. Op 3 november 2009 heeft Runica, na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht bij beschikking van 30 oktober 2009, beslag laten leggen op een aantal onroerende zaken van [eiser].

2.9. Na het uitbrengen van de dagvaarding in de bodemprocedure heeft [eiser] nog een bedrag van EUR 80.000,-- aan rente aan Runica betaald.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de opheffing van de beslagen die Runica op 3 november 2009 ten laste van hem heeft gelegd, met veroordeling van Runica in de kosten van dit geding.

3.2. Runica voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De spoedeisendheid van de vordering is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.

4.2. Volgens artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient een beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, voldoende aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

4.3. In artikel 1:88 lid 1 BW is bepaald dat een echtgenoot de toestemming behoeft van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:

(…)

c. overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.

(…)

Ingevolge het vijfde lid is toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze vennootschap of van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap.

Ingevolge artikel 1:89 lid 1 BW is een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met het vorige artikel heeft verricht, vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen.

4.4. [eiser] legt aan zijn vordering tot opheffing van de beslagen ten grondslag dat de beslagen onrechtmatig jegens hem zijn, omdat zijn echtgenote een rechtsgeldig beroep heeft gedaan op artikel 1:89 BW en de vordering van Runica jegens hem derhalve ondeugdelijk is. [eiser] stelt dat hij zich door het sluiten van de overeenkomst als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden voor de schuld van [eiser] Projectontwikkeling. Het geleende bedrag is gestort op een rekening van [eiser] Projectontwikkeling en was bestemd voor investering in het project. Het geld is daarvoor ook aangewend.

4.5. Runica stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een zelfstandige overeenkomst van geldlening tussen [eiser] in privé en Runica, waarop het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW niet van toepassing is. Runica betwist bij gebrek aan wetenschap dat het geleende bedrag daadwerkelijk is aangewend voor investeringen in het project. De omstandigheid dat het geleende bedrag was bestemd voor een investering die [eiser] Projectontwikkeling wilde plegen, is volgens Runica op zichzelf onvoldoende om de geldlening onder de werking van artikel 1:88 lid c BW te brengen.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de geldlening bestemd was voor investering in het project door [eiser] Projectontwikkeling en dat het niet de bedoeling was dat [eiser] (een deel van) het bedrag voor privé-doeleinden zou aanwenden. Runica heeft ter zitting verklaard, dat [eiser] aanvankelijk een conceptovereenkomst had opgesteld waarin alleen [eiser] Projectontwikkeling als schuldenaar stond vermeld, maar dat zij erop heeft aangedrongen dat [eiser] zelf ook de overeenkomst zou ondertekenen om meer zekerheid voor de voldoening van haar vordering te verkrijgen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat [eiser] zich voor de geldlening als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub c BW. De voorzieningenrechter acht hetgeen Runica heeft aangevoerd onvoldoende om voorshands aannemelijk te achten dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat tussen [eiser] en Runica sprake was van een zelfstandige overeenkomst van geldlening waarop het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 BW niet van toepassing is.

4.7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de uitzondering zoals verwoord in artikel 1:88 lid 5 BW zich hier voordoet. Partijen verschillen in dit verband van mening over de vraag of de overeenkomst is gesloten ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van [eiser] Projectontwikkeling.

4.8. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] Projectontwikkeling zich blijkens eigen opgave bezighoudt met de ontwikkeling van onroerend goed. Door Runica is gesteld, dat [eiser] Projectontwikkeling hiertoe vermogen belegt in projecten en daarvoor geldleningen afsluit met particulieren en bedrijven. Dit is door [eiser] niet betwist en blijkt tevens uit de door Runica overgelegde jaarrekening van [eiser] Projectontwikkeling over het jaar 2008. Uit deze jaarrekening blijkt ook dat [eiser] Projectonwikkeling naast het project in Boedapest ook andere projecten in het buitenland ontwikkelt dan wel heeft ontwikkeld.

4.9. [eiser] heeft gesteld dat de overeenkomst van geldlening ten behoeve van het project niet in de normale bedrijfsuitoefening van [eiser] Projectonwikkeling paste, omdat er sprake was van een verhoogd kredietrisico. Het risico, dat afhankelijk was van de opbrengsten uit het project, was groter dan gebruikelijk voor een projectontwikkelaar als [eiser] Projectontwikkeling en daarmee voor Runica. Ook uit de omstandigheid dat partijen een rentepercentage van 10% op jaarbasis zijn overeengekomen, dat hoger is dan de marktrente, alsmede de verplichting om aan Runica een evenredig deel van de opbrengsten uit het project te betalen, kan volgens [eiser] worden afgeleid dat het een risicoproject betrof.

4.10. De voorzieningenrechter acht het enkele feit dat partijen met betrekking tot de geldlening als tegenprestatie een rentepercentage van 10% op jaarbasis zijn overeengekomen alsmede betaling van een evenredig deel van de opbrengsten uit het project, onvoldoende voor de conclusie dat het project een uitzonderlijk groot risico had. Runica heeft betwist dat het rentepercentage gerelateerd was aan de hoogte van het risico van het project en heeft gesteld dat de hoogte van de rente het resultaat van onderhandelingen tussen partijen is geweest, waarbij onder meer de noodzaak van [eiser] Projectontwikkeling om een lening aan te gaan een rol heeft gespeeld. Voorts heeft [eiser] ter zitting toegelicht dat Oost-Europa in de jaren 2005 tot en met 2007 erg in de belangstelling stond en dat de vooruitzichten van het project ten tijde van het sluiten van de overeenkomst goed waren. Het was voor hem niet moeilijk om financiering te verkrijgen voor het project van [eiser] Projectontwikkeling en hij heeft niet stil gestaan bij de risico’s van het medeondertekenen van de geldleningsovereenkomst, aldus [eiser]. Hieruit leidt de voorzieningenrechter voorshands af dat destijds geen sprake was van een door partijen ingeschat hoog risico.

4.11. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de overeenkomst paste in de normale bedrijfsuitoefening van [eiser] Projectontwikkeling en dat de uitzondering op het toestemmingsvereiste zoals verwoord in artikel 1:88 lid 5 BW zich hier voordoet. De voorzieningenrechter acht het gelet hierop onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter het beroep van [eiser] op de vernietiging van de overeenkomst door zijn echtgenote zal honoreren. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door Runica gepretendeerde vordering ondeugdelijk is

4.12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Runica om deze reden belang heeft bij handhaving van de gelegde beslagen. Voorts is niet in geschil dat [eiser] voornemens is (een deel van) de beslagen onroerende zaken aan een derde te verkopen teneinde een vordering van de ING Bank van ruim EUR 600.000,-- te betalen. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de verkoopopbrengst niet voldoende zal zijn om daaruit zowel de vordering van de ING Bank als de vordering van Runica te voldoen. [eiser] heeft de noodzaak om de vordering van de ING Bank bij voorrang op de vordering van Runica te voldoen, onvoldoende onderbouwd. Dit alles in aanmerking nemend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van Runica bij handhaving van de gelegde beslagen zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij opheffing daarvan. De vordering van [eiser] tot opheffing van de door Runica gelegde beslagen zal daarom worden afgewezen.

4.13. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Runica worden begroot op:

- vast recht EUR 263,--

- salaris advocaat 816,--

Totaal EUR 1.079,--

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Runica tot op heden begroot op EUR 1.079,--;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2010.?