Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BR6204

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
16/600599-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het afsteken van illegaal vuurwerk tijdens oud en nieuw in het centrum van IJsselstein, waarbij veel materiële schade is aangericht. Veroordeelt tot een werkstraf van 40 uur met aftrek van het voorarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600599-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 1 januari 2010 tezamen met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, waarbij levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest door op genoemde datum in IJsselstein een vuurwerkbom (een mortier) af te steken. Subsidiair is dit aan verdachte ten laste gelegd als het plegen van openlijk geweld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is en er geen reden is tot schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de bevindingen van de politie met betrekking tot het uitlezen van de beelden van de ter plaatse aanwezige beveiligingscamera, de aangiften van de benadeelden, de verklaringen van de getuigen, de bekennende verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] en de verklaring van verdachte zelf.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat niet gesproken kan worden van medeplegen in de zin van de wet. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte. Verdachte heeft weliswaar het tasje vastgehouden waarin de vuurwerkbom zat, maar verdachte wist niet dat het om een vuurwerkbom ging. Ook kan niet gezegd worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het tot ontploffing brengen van die vuurwerkbom.

Het enkel vasthouden van het tasje kan naar de mening van de verdediging niet gekwalificeerd worden als een uitvoeringshandeling voor het opzettelijk tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom. Ook het niet distantiëren van verdachte levert onvoldoende op om te komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen.

Nu medeplegen van het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, komt ook de grondslag voor het in vereniging plegen van geweld, zoals subsidiair ten laste is gelegd, te vervallen. Verdachte heeft geen significante bijdrage geleverd aan het geweld dat is uitgeoefend. Het enkel dragen van het tasje met vuurwerk is daarvoor onvoldoende.

Op grond van het vorenstaande dient verdachte te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 1 januari 2010 tussen 02.00 en 02.14 uur ontplofte er een vuurwerkbom in IJsselstein Ten gevolge van deze ontploffing werden van minimaal acht panden, ruiten vernield en werd een gat in het wegdek geslagen.

Van deze vernielingen zijn aangiften gedaan. Het betrof een zeer heftige explosie waarvan de kracht nog op een afstand van 100 tot 150 meter voelbaar was.

Opnamen van de beveiligingscamera van café [X] in IJsselstein laten de ontploffing van de vuurwerkbom zien. Medeverdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] zijn op die beelden voor 100% herkend door de verbalisant.

Op die beelden is te zien dat om 02.04 uur verdachte en een aantal anderen op de betreffende kruising heen en weer liepen en dat er kennelijk vuurwerk werd afgestoken.

Op de beelden is na de tijdscorrectie van een uur voorts te zien dat om 02.05.11 uur drie personen de plaats van de ontploffing passeren. Om 02.05.27 uur is te zien dat medeverdachte [medeverdachte] naar verdachte [verdachte] loopt. Zij staat op ongeveer drie meter van de ingang van café [X]. Medeverdachte [medeverdachte] pakt iets uit de zak die verdachte met zich draagt en voor hem openhoudt. Medeverdachte [medeverdachte] legt vervolgens een voorwerp op de kruising, steekt het aan en rent weg. Ook de groep met daarin verdachte rent hard weg. Direct nadat medeverdachte is weggerend is op de beelden te zien dat er een grote lichtflits ontstond en daarna een nog grotere lichtflits. Nadat de camera een tijdje instabiel is geweest en zich weer had hersteld is op de beelden te zien dat er allemaal glasscherven door de lucht vlogen.

Op 1 januari 2010 werd ter hoogte van de kledingzaak Streetwear een restant vuurwerk aangetroffen, dat aan de politie is overhandigd. Op dat restant stond Engelse tekst, onder meer “Warning dangerous explosive”, “for professional use only: Bury mortar”. Het restant vuurwerk is op 1 januari 2010 omstreeks 2.15 uur, kort na de explosie, ook gezien door de verbalisant. Het restant is onderzocht door de technische recherche, die daarvan tevens foto’s maakte. Gezien de constructie en het opschrift lijkt het te gaan om een zogenaamde mortierbom. Op basis van nader onderzoek aan de genomen foto’s concludeert de Politie milieudienst dat het waarschijnlijk gaat om de onderzijde van een zogenaamde mortierbom, diameter vermoedelijk 4 inch. Het NFI heeft in zijn rapport onder meer het volgende aangegeven “Mortieren en mortierbommen met een kaliber van 2,5 inch en meer zijn bij uitstek professioneel vuurwerk. Voor het verantwoord gebruik ervan is kennis en ervaring nodig” en “Bij het aansteken van de snellont met een lucifer of sigaret volgt de ontsteking van de aandrijflading vrijwel onmiddellijk. Mortierbommen van 2,5 inch en groter kunnen ernstige botbreuken veroorzaken. Als een persoon aan het hoofd geraakt wordt kan dodelijk letsel optreden.” en “Bij een explosie in de buurt van objecten zoals huizen of auto’s ontstaat groot gevaar voor aanzienlijke schade.”

Bij de politie heeft de medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat de vuurwerkbom ongeveer twee à drie kilo woog en dat de afmeting ongeveer twintig bij dertig centimeter was. Het was gewoon een grote pot. Ook heeft hij bij de politie verklaard dat de groep waartoe hij behoorde op een afstand van tien tot vijftien meter stond toen hij de bom afstak. Hij wist dat het illegaal vuurwerk was. De medeverdachte [medeverdachte] heeft de vuurwerkbom op de kruising in IJsselstein afgestoken.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de vuurwerkbom in een tasje heeft gedragen en het tasje voor medeverdachte heeft opengehouden zodat verdachte de vuurwerkbom uit het tasje kon pakken en kon afsteken.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de vuurwerkbom een zogeheten mortier was en dat medeverdachte [medeverdachte] de bom heeft afgestoken. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij bij het afsteken van de vuurwerkbom weg is gerend, omdat zij bang was dat er wat zou gebeuren. Verdachte heeft verder verklaard dat zij achter een hoekhuis stond op een afstand van ongeveer honderd tot honderdvijftig meter toen de bom afging. Zij voelde de druk tegen haar been aan. De getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij een enorme knal hoorde. Hij stond op een afstand van ongeveer honderd tot honderdvijftig meter en werd door de knal uit balans gebracht.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van opzet op het teweegbrengen van een explosie.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het afsteken van vuurwerk gericht is op het teweegbrengen van een ontploffing. Dit is ook zo als het om siervuurwerk gaat. Door de ontploffing wordt het (sier)vuurwerk gelanceerd en worden de knal- en lichteffecten zichtbaar. De medeverdachte heeft bekend dat hij het vuurwerk heeft aangestoken en hij heeft dat niet per ongeluk maar bewust heeft gedaan. Verdachte wist dat de medeverdachte dit vuurwerk zou afsteken en zij heeft zich daarvan niet gedistantieerd. Integendeel, zij heeft verklaard dat zij het tasje met daarin het vuurwerk droeg, zodat haar vriend [medeverdachte] vuurwerk kon afsteken of een sigaret kon aansteken waarmee hij het vuurwerk kon afsteken. Verdachte heeft eveneens verklaard dat zij het tasje voor [medeverdachte] heeft opengehouden zodat hij het vuurwerk kon pakken. Deze gedragingen van verdachte geven de rechtbank aanleiding om te concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar vriend [medeverdachte] die de vuurwerkbom uiteindelijk heeft aangestoken. Met vorenvermelde samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat ook bij verdachte sprake was van (bloot) opzet op het (doen) teweegbrengen van een explosie.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing.

Dat verdachte de gevolgen van de explosie, te weten de enorme schade die is aangericht, niet heeft gewild, staat een bewezenverklaring voor het opzettelijk teweeg brengen van een explosie niet in de weg. Het opzet hoeft immers niet gericht te zijn op de gevolgen, doch enkel op het teweegbrengen van die explosie. Het verweer van de raadsvrouwe op dit punt wordt derhalve verworpen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat tussen de ontploffing van het vuurwerk en de schade een direct causaal verband bestaat. Immers had de ontploffing niet plaatsgevonden, zou ook geen schade zijn ontstaan en zou geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zijn opgetreden. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het ontsteken van vuurwerk gevaar met zich brengt voor omstanders en goederen in de nabijheid. Dat is temeer het geval wanneer het, zoals in casu, illegaal vuurwerk betreft.

Er bestaat geen enkele reden de gevolgen van de ontploffing niet mede aan verdachte toe te rekenen. Zij wist immers dat haar vriend, de medeverdachte [medeverdachte], illegaal vuurwerk had gekocht en dat hij een zogeheten mortier had. Aangezien zij het tasje droeg, met daarin het laatste stuk vuurwerk moet zij bovendien hebben bemerkt dat de mortier een bovenmatig gewicht had. Vuurwerk van een dergelijk gewicht is bij uitstek professioneel vuurwerk, dat ernstige letsel kan veroorzaken en/of dodelijk kan zijn. Dat verdachte zich van dat gevaar bewust was blijkt tevens uit het feit dat zij zelf achter een hoekhuis is gaan staan op een afstand van honderd tot honderdvijftig meter.

Desondanks heeft zij er aan meegewerkt dat het vuurwerk werd afgestoken in de binnenstad van IJsselstein, op een plaats waar, zoals uit de camerabeelden blijkt, enkele ogenblikken daarvoor nog voorbijgangers passeerden. Daarnaast stonden zowel medeverdachte als andere personen uit de groep waarin zij zich bevond, in de buurt van het vuurwerk toen dat ontplofte.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 01 januari 2010 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een illegale vuurwerkbom (bestemd voor professioneel gebruik), zonder de bij die vuurwerkbom behorende gebruiksaanwijzing en waarschuwingen in acht te nemen, af te steken, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor omringende winkelpanden en woningen en de in die woning en winkelpanden aanwezige goederen en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen,

te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 50 uur subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar alsmede toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring rekening gehouden dient te worden met het tijdsverloop in deze zaak. Het onderzoek is begin maart 2010 gesloten en tot aan de zitting zijn nadien ruim zeven maanden verstreken. Daarnaast dient de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft een blanco strafblad en zij richt zich geheel op het moederschap. Daarnaast is verdachte voornemens om op korte termijn met een opleiding te beginnen. Het ten laste gelegde feit dient te worden beschouwd als een incident. Als strafmodaliteit kan worden volstaan met het opleggen van een werkstraf, aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich, samen met haar vriend en medeverdachte, schuldig gemaakt aan het afsteken van zwaar, illegaal professioneel vuurwerk. De medeverdachte heeft de vuurwerkbom midden op een kruising in het centrum van IJsselstein afgestoken.

Dit illegale vuurwerk was zodanig zwaar, dat het afsteken daarvan grote materiële schade tot gevolg heeft gehad. Van een negental winkels en woningen werden ruiten vernield. Ook hebben personen die zich in de nabijheid bevonden een groot risico gelopen om als gevolg van het afsteken van dit vuurwerk letsel op te lopen danwel te overlijden. Immers, uit de camerabeelden blijkt dat slechts luttele seconden vóór het aansteken van de lont van het vuurwerk een drietal personen vlak langs de plek waar verdachte het vuurwerk afstak, zijn gelopen. Ook de groep personen waar verdachte deel van uitmaakte heeft een groot risico gelopen. De groep is pas weggerend op het moment dat zij besefte dat het wel eens verkeerd zou kunnen gaan toen de medeverdachte de lont van de vuurwerkbom aanstak.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij en de medeverdachte deze personen een dergelijk groot risico heeft laten lopen en houdt haar medeverantwoordelijk voor de schade die is ontstaan tengevolge van de explosie van de vuurwerkbom die de medeverdachte heeft afgestoken.

De rechtbank is van oordeel dat het afsteken van de vuurwerkbom zeer gevaarlijk is geweest. Het is niet voor niets dat de wetgever een maximum heeft gesteld aan de hoeveelheid kruit die vuurwerk mag bevatten dat door particulieren mag worden afgestoken tijdens bepaalde vooraf vastgestelde tijdstippen. Dat maximum is vastgesteld op 500 gram kruit. De vuurwerkbom die verdachte heeft gedragen en die door de medeverdachte is afgestoken ging dat maximum ruim te boven. Naar eigen zeggen van de medeverdachte woog de vuurwerkbom ongeveer twee tot drie kilo en blijkens het rapport van het NFI was het vuurwerk bij uitstek bedoeld als professioneel vuurwerk.

De rechtbank houdt voorts rekening met het blanco strafblad van verdachte en het andersoortige aandeel dat verdachte heeft gehad bij het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom.

Vooral gelet op de ernst van het feit en de grote risico’s die daardoor zijn ontstaan is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke werkstraf. Het tijdverloop in deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank geenszins zodanig dat daarin reden gevonden kan worden voor een vermindering van de op te leggen straf.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 304,99.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 2], gemachtigde [gemachtigde] vordert een schadevergoeding van € 456,60.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 157 van het Wetboek van Strafrecht .

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van veertig (40) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van twintig (20) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 304,99 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 304,99 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2], gemachtigde [gemachtigde] van € 456,60 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], € 456,60 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 november 2010.