Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BR6033

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
16/600181-10; 16/600632-07 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met oud en nieuwjaar afsteken van illegaal vuurwerk (mortierbom) in het centrum van IJsselstein waarbij veel materiële schade is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600181-10; 16/600632-07 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouwe mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 1 januari 2010 tezamen met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, waarbij levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest door op genoemde datum in IJsselstein een vuurwerkbom (een mortier) af te steken. Subsidiair is dit aan verdachte ten laste gelegd als het plegen van openlijk geweld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is en er geen reden is tot schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de bevindingen van de politie met betrekking tot het uitlezen van de beelden van de ter plaatse aanwezige beveiligingscamera, de aangiften van de benadeelden, de verklaringen van de getuigen, alsmede de bekennende verklaring van verdachte zelf.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen wegens het ontbreken van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte heeft toegegeven dat hij illegaal vuurwerk in België en Nederland heeft gekocht. Hij ging er van uit dat het enkel siervuurwerk betrof. Het betreffende stuk vuurwerk had verdachte voor het laatst bewaard. Verdachte heeft aangegeven dat hij, wanneer hij had geweten dat dit stuk vuurwerk een zogeheten mortierbom was en een dergelijk harde klap zou geven, hij dit vuurwerk nooit op de betreffende plaats zou hebben afgestoken.

Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij zich op geen enkel moment bewust is geweest van het feit dat hij tijdens het afsteken van “de bom” met een mortierbom van doen had die een enorme schade zou kunnen aanrichten. Het is nooit de bedoeling van verdachte geweest om schade te veroorzaken, hij wilde enkel de personen in de omgeving mee laten genieten van het, naar zijn verwachting, mooie siervuurwerk.

Ook van opzet in voorwaardelijke zin kan niet gesproken worden. Verdachte heeft bij het aanschaffen van het betreffende stuk vuurwerk aan de verkoper gevraagd om wat voor vuurwerk het ging. Hem is uitdrukkelijk bevestigd dat het om een zogeheten “pot” ging waaruit een zogenoemd “boeket” zou komen. Uit de verklaringen van verdachte blijkt ook dat hij van dergelijk siervuurwerk is uitgegaan. Nu verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, vaker illegaal vuurwerk heeft afgestoken, wat altijd goed is gegaan en ook altijd leuk was, heeft verdachte op zijn eigen ervaringen met (illegaal) vuurwerk vertrouwd.

Verdachte heeft niet voorzien wat de gevolgen van het afsteken van de mortierbom zouden kunnen zijn, hetgeen blijkt uit het feit dat hij pas is weggerend nadat hij de lont van de mortier had aangestoken en toen een grote rode vlam zag. Pas toen drong het tot hem door dat het “foute boel was”.

De verdediging wijst er voorts op dat niet met zekerheid is vast te stellen dat het op de plaats van de ontploffing aangetroffen etiket afkomstig is van de betreffende mortierbom, nu dit etiket pas dagen na het incident is veiliggesteld. Indien er van wordt uitgegaan dat het betreffende etiket afkomstig is van de mortierbom dan is het nog maar de vraag of verdachte kon begrijpen wat er op dat etiket te lezen stond. De tekst op het etiket was in het Engels gesteld en verdachte heeft verklaard dat hij geen Engels kan lezen of schrijven.

Verdachte is in goed vertrouwen uitgegaan van hetgeen de verkoper hem verteld heeft en heeft vertrouwd op zijn eigen ervaringen met het afsteken van vuurwerk.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat ook de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu er niet gesproken kan worden van opzettelijk handelen door verdachte. Verdachte kan lichtzinnig, onhandig en risicovol gedrag verweten worden, maar dit levert geen opzet op.

Verdachte dient dan ook van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 1 januari 2010 tussen 02.00 en 02.14 uur ontplofte er een vuurwerkbom in IJsselstein Tengevolge van deze ontploffing werden van minimaal acht panden ruiten vernield en werd een gat in het wegdek geslagen. Van deze vernielingen zijn aangiften gedaan. Het betrof een zeer heftige explosie waarvan de kracht nog op een afstand van 100 tot 150 meter voelbaar was.

Opnamen van de beveiligingscamera van café [café] in IJsselstein laten de ontploffing van de vuurwerkbom zien. Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] zijn op die beelden voor 100% herkend door de verbalisant.

Op die beelden is te zien dat om 02.04 uur verdachte en een aantal anderen op de betreffende kruising heen en weer liepen en dat er kennelijk vuurwerk werd afgestoken. Op de beelden is na de tijdscorrectie van een uur voorts te zien dat om 02.05.11 uur drie personen de plaats van de ontploffing passeren. Om 02.05.27 uur is te zien dat verdachte naar de medeverdachte [medeverdachte] loopt. Zij staat op ongeveer drie meter van de ingang van café [café]. Verdachte pakt iets uit de zak die [medeverdachte] met zich draagt en voor hem openhoudt. Verdachte [verdachte] legt vervolgens een voorwerp op de kruising, steekt het aan en rent weg. Ook de groep met daarin [medeverdachte] rent hard weg. Direct nadat verdachte is weggerend is op de beelden te zien dat er een grote lichtflits ontstond en daarna een nog grotere lichtflits. Nadat de camera een tijdje instabiel is geweest en zich weer had hersteld is op de beelden te zien dat er allemaal glasscherven door de lucht vlogen.

Op 1 januari 2010 werd ter hoogte van de kledingzaak Streetwear een restant vuurwerk aangetroffen, dat aan de politie is overhandigd. Op dat restant stond Engelse tekst, onder meer “Warning dangerous explosive”, “for professional use only: Bury mortar”. Het restant vuurwerk is op 1 januari 2010 omstreeks 2.15 uur, kort na de explosie, ook gezien door de verbalisant. Het restant is onderzocht door de technische recherche, die daarvan tevens foto’s maakte. Gezien de constructie en het opschrift lijkt het te gaan om een zogenaamde mortierbom. Op basis van nader onderzoek aan de genomen foto’s concludeert de Politie milieudienst dat het waarschijnlijk gaat om de onderzijde van een zogenaamde mortierbom, diameter vermoedelijk 4 inch. Het NFI heeft in zijn rapport onder meer het volgende aangegeven “Mortieren en mortierbommen met een kaliber van 2,5 inch en meer zijn bij uitstek professioneel vuurwerk. Voor het verantwoord gebruik ervan is kennis en ervaring nodig” en “Bij het aansteken van de snellont met een lucifer of sigaret volgt de ontsteking van de aandrijflading vrijwel onmiddellijk. Mortierbommen van 2,5 inch en groter kunnen ernstige botbreuken veroorzaken. Als een persoon aan het hoofd geraakt wordt kan dodelijk letsel optreden.” en “Bij een explosie in de buurt van objecten zoals huizen of auto’s ontstaat groot gevaar voor aanzienlijke schade.”

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de vuurwerkbom heeft afgestoken. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat de vuurwerkbom ongeveer twee à drie kilo woog en dat de afmeting ongeveer twintig bij dertig centimeter was. Het was gewoon een grote pot. Ook heeft verdachte bij de politie verklaard dat de groep waartoe hij behoorde op een afstand van tien tot vijftien meter stond toen hij de bom afstak. Hij wist dat het illegaal vuurwerk was. Verdachte heeft de vuurwerkbom op de kruising in IJsselstein afgestoken. De medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat zij de vuurwerkbom in een tasje heeft gedragen en het tasje voor verdachte heeft opengehouden zodat verdachte de vuurwerkbom uit het tasje kon pakken en kon afsteken.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van opzet op het teweegbrengen van een explosie.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het afsteken van vuurwerk gericht is op het teweegbrengen van een ontploffing. Dit is ook zo als het om siervuurwerk gaat. Door de ontploffing wordt het (sier)vuurwerk gelanceerd en worden de knal- en lichteffecten zichtbaar. Verdachte heeft bekend dat hij het vuurwerk heeft aangestoken en hij heeft dat niet per ongeluk maar bewust gedaan. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het (bloot) opzet van verdachte op het teweegbrengen van een explosie gegeven.

Dat verdachte de gevolgen van de explosie, te weten de enorme schade die is aangericht, niet heeft gewild, staat een bewezenverklaring voor het opzettelijk teweeg brengen van een explosie niet in de weg. Het opzet hoeft immers niet gericht te zijn op de gevolgen, doch enkel op het teweegbrengen van die explosie.

De rechtbank is voorts van oordeel dat tussen de ontploffing van het vuurwerk en de schade een direct causaal verband bestaat. Immers, had de ontploffing niet plaatsgevonden, dan zouden de gevolgen daarvan, in casu de schade aan ruiten van omliggende panden en daarin aanwezige goederen, niet zijn ontstaan. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het ontsteken van vuurwerk gevaar met zich brengt voor omstanders en goederen in de nabijheid. Dat is temeer het geval wanneer het, zoals in dit geval, illegaal vuurwerk betreft. Het mogelijkerwijs niet kunnen lezen van een in het Engels gestelde waarschuwing met die strekking, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank geenszins af, temeer omdat verdachte meer dan bekend was met het afsteken van (illegaal) vuurwerk.

Er bestaat geen enkele reden de gevolgen van de ontploffing niet aan verdachte toe te rekenen. Hij wist immers dat het illegaal vuurwerk betrof, dat daar zoals hij dat zelf benoemt, gevaarlijk spul tussen zit en dat sprake was van een verhoogd risico. Hij wist voorts dat het betreffende vuurwerk een bovenmatig gewicht (ongeveer drie kilo) en aanzienlijke omvang had (20 tot 30 cm). Vuurwerk van een dergelijke omvang is bij uitstek professioneel vuurwerk, dat ernstige letsel kan veroorzaken en/of dodelijk kan zijn.

Desondanks heeft verdachte er voor gekozen het vuurwerk af te steken in de binnenstad van IJsselstein, op een plaats waarvan hij wist dat dan een hoop mensen het zouden zien en waar, zoals uit de camerabeelden blijkt, enkele ogenblikken daarvoor nog voorbijgangers passeerden. Daarnaast stonden zowel verdachte als andere personen uit de groep waarin hij zich bevond, in de buurt van het vuurwerk toen dat ontplofte.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 01 januari 2010 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een illegale vuurwerkbom (bestemd voor professioneel gebruik), af te steken, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor omringende winkelpanden en woningen en de in die woning en winkelpanden aanwezige goederen en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen,

te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringscontact, inclusief deelname aan de door de reclassering noodzakelijk geachte gedragsinterventie, een werkstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring rekening gehouden dient te worden met het tijdsverloop in deze zaak. Het onderzoek is begin maart 2010 gesloten en tot aan de zitting zijn nadien ruim zeven maanden verstreken. Daarnaast dient de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is de laatste twee jaar niet meer met politie en justitie in aanraking geweest.

Verdachte werkt in de zomermaanden op de markt en is op zoek naar zelfstandige woonruimte voor hemzelf, zijn vriendin en zoontje. Verdachte is vanwege zijn zoontje extra gemotiveerd om op het rechte pad te blijven.

Hoewel verdachte een strafblad heeft, maakt het ten laste gelegde delict geen deel uit van een patroon en staat dit incident geheel op zichzelf. Daar komt bij dat verdachte nooit de intentie heeft gehad dat het afsteken van het vuurwerk de gevolgen zou hebben die het heeft gehad. De verdediging acht in deze, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, een werkstraf op zijn plaats.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich, samen met zijn vriendin, schuldig gemaakt aan het afsteken van zwaar, illegaal professioneel vuurwerk, midden op een kruising in het centrum van IJsselstein.

Dit illegale vuurwerk was zodanig zwaar, dat het afsteken daarvan grote materiële schade tot gevolg heeft gehad. Van een negental winkels en woningen werden de ruiten vernield. Ook hebben personen een groot risico gelopen om als gevolg van het afsteken van dit vuurwerk, letsel op te lopen danwel te overlijden.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat door zijn onverantwoorde gedrag deze personen een dergelijk groot risico heeft laten lopen en houdt hem verantwoordelijk voor de schade die is ontstaan tengevolge van de explosie van de vuurwerkbom die hij heeft afgestoken.

Het is niet voor niets dat de wetgever een maximum van 500 gram heeft gesteld aan de hoeveelheid kruit die vuurwerk mag bevatten dat door particulieren mag worden afgestoken tijdens bepaalde vooraf vastgestelde tijdstippen. De vuurwerkbom met een gewicht van ongeveer 3 kilo die verdachte heeft afgestoken ging dat maximum ruim te boven.

De rechtbank houdt voorts rekening met het uitgebreide strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij in het verleden ook te maken heeft gehad met overtredingen van het Vuurwerkbesluit.

De rechtbank heeft verder gelet op het advies van de reclassering, zoals neergelegd in het rapport van Centrum Malieban van 13 oktober 2010 opgemaakt door E.A.M. van Rie, inhoudende dat verdachte een persoon is met een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis en met beperkte verstandelijke vermogens. Deze conclusie, de beperkte cognitieve vaardigheden en de sterk ontwikkelde overlevingsstrategieën, kunnen een mogelijke behandeling in de weg staan. Zolang verdachte in een rustige periode verkeert, gaat het goed met hem. Mocht hier onbalans in komen, dan is de kans op recidiveren zeer hoog, niet zozeer in een delict als het onderhavige, maar wel in de vorm van een agressie- of geweldsdelict. Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringstoezicht, deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining en deelname aan een agressieregulatietraining. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zich, mocht de rechtbank dat noodzakelijk vinden, kan vinden in dat advies.

De rechtbank zal verdachte dan ook conform de eis van de officier van justitie een straf opleggen zoals in het dictum van dit vonnis vermeld. Het tijdverloop in deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank geenszins zodanig dat daarin reden kan worden gevonden voor een vermindering van de op te leggen straf.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 304,99.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 2], gemachtigde [bedrijf] vordert een schadevergoeding van € 456,60.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat van de voorwaardelijke straf van negen maanden gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 28 augustus 2007 twee maanden ten uitvoer zal worden gelegd, waarbij dat deel zal worden omgezet in een werkstraf.

De verdediging heeft primair afwijzing van deze vordering bepleit, onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte werd weliswaar tot 2005 als veelpleger beschouwd, maar nadien is hij nauwelijks met politie en justitie in aanraking geweest. Tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van negen maanden zal een negatieve invloed hebben op de positieve ontwikkeling van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de voorwaardelijke gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank acht het evenwel niet passend de hele vordering toe te wijzen, gelet op de lange duur van de voorwaardelijke straf. Gelet evenwel op de ernst van het nieuwe strafbare feit en de gevolgen van het gevaarzettende karakter daarvan acht de rechtbank toewijzing van een langere duur dan door de officier van justitie gevorderd, noodzakelijk. Daarom zal de rechtbank de vordering voor de duur van vier maanden toewijzen en voor het overige afwijzen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank verdachte in de gelegenheid stellen een werkstraf te verrichten van 240 uur in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van DRIE (3) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens het Centrum Maliebaan te Utrecht, ook als dat inhoudt dat verdachte zal deelnemen aan een Cognitieve Vaardigheidstraining en/of de Agressieregulatietraining;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf van honderdentwintig (120) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van zestig (60) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat van de voorwaardelijke straf van 9 maanden, die bij vonnis d.d. 28 augustus 2007 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600632-07, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten vier (4) maanden;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van tweehonderdenveertig (240) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van honderdtwintig (120) dagen;

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 304,99 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 304,99 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2], gemachtigde [bedrijf] van € 456,60 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], € 456,60 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 november 2010.