Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BQ9752

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
16-711440-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geweldadige beroving, Deze beroving vond plaats in de nachtelijke uren. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711440-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats] (Egypte)

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman mr. E. Olof, advocaat te Zeist.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

[aangever 1] heeft beroofd van haar tas met inhoud en verdachte en toen die [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met een mes.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft hieromtrent bepleit dat in strijd met de waarheid in het proces-verbaal staat vermeld dat de raadsman bij het verhoor d.d.

20 juni 2010 te 14.30 uur aanwezig is geweest. Daarnaast staat in het proces-verbaal niet beschreven dat de aanhouding van verdachte met geweld heeft plaatsgevonden, terwijl de aanhouding volgens de raadsman wel met geweld heeft plaatsgevonden en verdachte hierbij zelfs letsel heeft opgelopen. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat het onderzoek niet volledig was en dat de verdediging onvoldoende tegemoet is gekomen in onderzoekswensen.

3.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om het verweer van de raadsman te verwerpen. Het door de raadsman bedoelde proces-verbaal van 20 juni 2010 is middels een aanvullend proces-verbaal van bevindingen gecorrigeerd. Met betrekking tot het geweld staat in het proces-verbaal gerelateerd dat verdachte op een gecontroleerde wijze naar de grond is gebracht. Deze handeling was gelet op de reeds gerezen verdenking tegen verdachte en het feit dat verdachte een mes bij zich zou kunnen hebben, in dit geval passend, aldus de officier van justitie. Volgens de officier was een foslo-confrontatie niet zinvol omdat beide aangeefsters hebben aangegeven de straatrover niet meer te zullen herkennen. De rechter-commissaris heeft de mogelijkheid gegeven om de banden af te luisteren ten behoeve van stemherkenning. Ten slotte geeft zij aan dat de politie wel heeft geprobeerd [naam] te vinden maar daarin niet is geslaagd mede omdat de verdachte te weinig aanknopingspunten heeft gegeven.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de onjuistheid in het door de raadsman bedoelde proces-verbaal van 20 juni 2010 middels een aanvullend proces-verbaal d.d. 5 augustus 2010 is gecorrigeerd.

Uit dit laatstgenoemd proces-verbaal in combinatie met

- het eerste verhoor van 13.00 uur van verdachte waarin de politie verdachte vertelt dat er er wel een andere raadsman dan zijn eigen, gekozen raadsman aanwezig is ,

- het “loop”proces-verbaal, dat inhoudt dat op 20 juni 2010 het antwoordapparaat van mr. Olof is ingesproken en dat hij op 21 juni omstreeks 15.00 uur terugbelde en

- het feit dat in het gewraakte proces-verbaal van inverzekeringstelling ook is vermeld dat op 20 juni 2010 om 14.30 (tijdstip inverzekeringstelling) mr. Olof is ingelicht

blijkt immers dat er sprake is geweest van een kennelijke misslag.

Met betrekking tot het onjuist weergeven van het toegepaste geweld en het eventuele ontstane letsel wijst de rechtbank op het proces-verbaal van de sectiecommandant . In dit proces-verbaal staat gerelateerd dat verdachte door twee leden van het arrestatieteam onder begeleiding en gecontroleerd naar de grond werd gebracht. Hierbij is verdachte bij beide armen beetgepakt en door de teamleden op de grond neergelegd. De armen van de verdachte zijn naar de rug begeleid en vervolgens zijn transportboeien bij verdachte aangelegd. Door de leden van het arrestatieteam is geen letsel bij de verdachte geconstateerd. Verdachte is in het cellencomplex bezocht door de artsen R.E. van Dop en M.J.J. Pluijmen. Deze artsen hebben beide bij de rechter-commissaris verklaard dat er geen sprake was van uitwendig letsel en dat er vermoedelijk sprake was van kneuzing(en). Dit door de artsen weergegeven letsel past naar het oordeel van de rechtbank in het beeld zoals dat door de sectiecommandant in het proces-verbaal is weergegeven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er voldoende onderzoek is gedaan door de politie. Een eventuele fosloconfrontatie met getuigen die hebben aangegeven de mogelijke dader niet te zullen herkennen, lijkt niet zinvol. De raadsman is in de gelegenheid gesteld de banden van de telefoontaps uit te luisteren. Er waren voor de politie onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en in de verklaringen van verdachte om nader onderzoek te doen naar de identiteit en verblijfplaats van [naam] die de gestolen goederen volgens verdachte aan verdachte zou hebben gegeven.

Gelet op het vorenstaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat op grond van de stukken er te veel twijfels rijzen omtrent de betrokkenheid van verdachte. Deze twijfels komen voort uit de onjuistheden in het opsporingsonderzoek, de onmogelijkheid om de onschuld van verdachte te bewijzen, alsmede uit het feit dat de verdediging een alternatief scenario heeft geschetst, waarbij [naam] de dader moet zijn geweest. Volgens de raadsman kan de rechtbank derhalve niet wettig en overtuigend bewijzen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Op 19 juni 2010 heeft aangeefster [aangever 1] tegenover de politie verklaard dat zij die dag omstreeks 3.30 uur samen met haar vriendin [aangever 2] vanuit het centrum van Amersfoort richting haar woning in Leusden fietste. Aangeefster zat achterop en [aangever 2] bestuurde de fiets. Op de Bisschopsweg te Amersfoort zag [aangever 1] dat een onbekende man op een fiets naast haar reed en zij voelde dat haar tas van haar bovenlichaam werd weggenomen. Toen ze vervolgens van de fiets afstapten stonden zij oog in oog met een man. De man hield een mes boven zijn hoofd, met het steekgedeelte in de richting van de beide dames. Ook maakte de man stekende bewegingen met het mes in hun richting, waarbij hij meerder malen zei: “ik steek je, ik steek je”. Aangeefster [aangever 1] zag dat de man ook [aangever 2] bedreigde met het mes en met dezelfde bewoordingen. Hierop fietste de man weg. In de bij de aangifte horende goederenbijlage staan de in de tenlastelegging genoemde weggenomen goederen.

De verklaring van aangeefster [aangever 1] vindt steun in de verklaring van aangeefster [aangever 2], die een grotendeels gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, maar daarnaast heeft zij ook nog verklaard, dat zij de man hoorde zeggen: “achtervolg mij niet. Ik steek jullie anders neer”.

Uit de woorden van [aangever 1] begreep ze dat de man de tas van [aangever 1]’s schouder had afgesneden en deze had meegenomen. Om 4.15 uur werd zij gebeld door een mobiele telefoon met het telefoonnummer van [aangever 1]. De man aan de andere kant van de lijn zei dat hij de telefoon van haar vriendin had gevonden en dat [aangever 1] bij hem was. Na de vraag hoe dit mogelijk was omdat [aangever 1] naast aangeefster [aangever 2] zat hing de man op. Toen [aangever 2] de man terugbelde vertelde hij dat hij in een kroeg in Leusden zat en dat hij de telefoon voor € 250,- wilde verkopen.

Dezelfde ochtend wordt aangeefster [aangever 2] rond 7 uur driemaal gebeld door een man. In haar display van haar mobiele telefoon zag zij dat er telkens werd gebeld met het telefoonnummer van [aangever 1].

Met toestemming van de officier van justitie werd besloten dat [aangever 2], als dienstverlener bijstand zou verlenen ten behoeve van de opsporing en dat zij zou bellen naar het weggenomen mobiele telefoonnummer. [aangever 2] was daartoe bereid en tekenende een overeenkomst dienstverlening.

Tegenover de rechter-commissaris heeft [aangever 2] verklaard dat zij op verzoek van de politie telefonisch contact heeft gezocht met de man. De politie wilde dat zij de man zou bellen en een afspraak met hem zou maken. [aangever 2] heeft daarop het nummer van [aangever 1] gebeld en kreeg weer de man aan de lijn. Deze man wist volgens [aangever 2] gelijk waar het over ging, hetgeen ook blijkt uit de uitgewerkte tapverslagen. Nadat de afspraak was gemaakt is [aangever 2] met de politie naar de afgesproken plaats gereden en heeft zij wederom contact gezocht met de man. Ze hoorde toen weer dezelfde stem welke ze eerder ook had gehoord. Op een gegegeven moment hoorde ze gestommel en werd de verbinding verbroken. Van de politie heeft ze begrepen dat de verdachte op dat moment werd aangehouden.

Op 19 juni 2010, omstreeks 22.54 uur, belde [aangever 2] naar het mobiele telefoonnummer, zijnde het nummer van de weggenomen telefoon van [aangever 1]. [aangever 2] sprak toen met een man en kwam tot een afspraak om deze man te ontmoeten bij Sporthal Schuilenburg te Amersfoort. Zij spraken af dat [aangever 2] tegen betaling de weggenomen goederen zou ontvangen.

Omstreeks 23.16 uur sprak [aangever 2] wederom met de man en werd de exacte plaats waar zij elkaar zouden ontmoeten afgesproken. Uit het uitgewerkte tapverslag van dit gesprek blijkt dat de verdachte door de aldaar aanwezige politie is aangehouden en is kort te horen [naam].

De aanhouding van verdachte is voorts vastgelegd in een proces-verbaal van niet-stelselmatige observatie. Uit deze observatie bleek onder meer dat verdachte gebruik maakte van een damesfiets met fietstassen . In één van deze fietstassen werd een roze handtas aangetroffen, welke eigendom en persoonlijke bezittingen bleek te bevatten van aangeefster [aangever 1].

De verdachte was ten tijde van zijn aanhouding in het bezit en maakte op dat moment gebruik van een mobiele telefoon, Samsung, kleur roze, zijnde de telefoon van aangeefster [aangever 1], met imeinr. 357597920243964 en voorzien van een simkaart met het telefoonnummer van [aangever 1]. Uit de verkeersgegevens van de simkaart met het telefoonnummer van [aangever 1] bleek, dat deze simkaart op zaterdag 19 juni 2010, te 7.47 uur, in een mobiele telefoon werd geplaatst met imeinr. 358269036901790, zijnde de mobiele telefoon die eveneens onder verdachte in beslag is genomen. Deze laatstgenoemde telefoon, een Nokia 1661, was ten tijde van de aanhouding voorzien van de simkaart met het telefoonnummer welke ook door de oom van verdachte is opgegeven, als zijnde het telefoonnummer van verdachte. ’

De fiets waarop verdachte volgens de genoemde observanten reed, werd door [betrokkene 1], oom van verdachte, herkend als de fiets die hij al een tijdje bij verdachte had gezien. Deze oom heeft voorts voornoemde verklaring afgelegd omtrent het telefoonnummer van verdachte . De simkaart voorzien van dit telefoonnummer bleek zoals hiervoor beschreven in een bij verdachte aangetroffen mobiele telefoon te zitten. De historische printgegevens van deze mobiele telefoon werden opgevraagd en hieruit bleek dat van 14 maart 2010 tot en met 18 juni 2010 er 355 contacten (bel- en smscontacten) met deze oom van verdachte zijn geweest.

[aangever 2] is op zondag 20 juni 2010 telefonisch door de politie benaderd. Zij heeft toen verklaard dat zij ervan overtuigd is dat de man die zij ’s avonds (de rechtbank begrijpt de telefoongesprekken waarin de afspraak werd geregeld en verdachte werd aangehouden ) heeft gesproken dezelfde is als de man die zij ’s morgen heeft gesproken (de rechtbank begrijpt de telefoongesprekken op het politiebureau en de gesprekken rond 7 uur). Zij herkende de man aan zijn bijzondere stem, welke zij niet snel zal vergeten.

De vorenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leveren naar het oordeel van de rechtbank het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het door de verdediging geopperde alternatieve scenario als volgt.

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de telefoon de avond van zijn aanhouding had gekregen van [naam]. Deze [naam] is een Surinamer die hij tegenkwam in Schothorst. De oom die een verklaring over hem heeft afgelegd (de rechtbank begrijpt [betrokkene 1]) sprak hij al een jaar niet meer. In een eerder stadium heeft hij bij de politie verklaard dat hij de fiets en de telefoon een uur voor zijn aanhouding had gekregen. Deze verklaringen en het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat [naam] de dader moet zijn geweest, worden naar het oordeel van de rechtbank weerlegd door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen.

De raadsman heeft er op gewezen dat er in deze zaak geen foto- en of Osloconfrontatie heeft plaatsgevonden, hetgeen in strijd zou zijn met de waarheidsvinding. De rechtbank merkt hierover op dat een dergelijke confrontatie alleen zin heeft indien de aangevers aangeven dat zou de verdachten zouden herkennen. In dit geval hebben beide aangevers echter aangegeven verdachte niet te zullen herkennen , dan wel niet te weten of zij hem herkennen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 juni 2010 te Amersfoort, op de openbare weg (de Bisschopsweg), met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (bevattende onder andere een mobiele telefoon en een I-pod en een bankpas en een paspoort), toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat

hij, verdachte, terwijl die [aangever 1] en die [aangever 2] op één fiets zaten en die [aangever 2] met die Van

[aangever 1] achterop die fiets over de Bisschopsweg fietste en die [aangever 1] een

tas om haar bovenlichaam droeg

- het hengsel van de tas van die [aangever 1] heeft doorgesneden en

- vervolgens nadat die [aangever 1] en die [aangever 2] van hun fiets waren

afgestapt een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, dreigend boven

zijn, verdachtes, hoofd heeft opgeheven en heeft gehouden in

de richting van die [aangever 1] en die [aangever 2], althans dat mes, althans dat op

een mes gelijkend voorwerp aan die [aangever 1] en die [aangever 2] heeft getoond

en

- met dat mes, meer stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [aangever 1] en die [aangever 2] en daarbij op dreigende toon tegen die [aangever 1] en die [aangever 2] heeft

gezegd: "Ik steek je, ik steek je" en "Achtervolg mij niet, ik steek jullie

anders neer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te makken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden -kort gezegd- een meldplicht, meewerken aan een onderzoek en indien wenselijk meewerken aan een behandeling.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 578,60 en de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 500,-, alsmede de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. De vordering van de benadeelde partijen dient volgens de raadsman afgewezen te worden, daar een deugdelijke onderbouwing ontbreekt en de benadeelde partij [aangever 1] tegenover.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van het feit

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen geweldadige beroving, Deze beroving vond plaats in de nachtelijke uren. De twee vrouwelijke slachtoffers waren nietsvermoedend na een avondje uit in de binnenstad van Amersfoort op weg naar huis. Ter hoogte van de Bisschopsweg werden zij plotseling benaderd door verdachte. Verdachte sneed met een mes het hengsel van de tas van een van de slachtoffers los en nam deze tas weg. Een dergelijk handelen, zeker tijdens het fietsen, brengt risico’s mee voor lichamelijk letsel.

Vervolgens heeft verdachte de beide slachtoffers met een mes bedreigd en is hij er met de buit vandoor gegaan.

Deze gewelddadige beroving moet voor de slachtoffers zeer beangstigend zijn geweest. Kennelijk heeft verdachte zich bij het plegen van de beroving enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin en geen enkel oog gehad voor hetgeen hij zijn slachtoffers aandoet. Uit de door de voorzitter voorgelezen onderbouwing bij de voegingsformulieren volgt dat de slachtoffers als gevolg van het gebeurde psychische schade hebben opgelopen.

Dat een dergelijke gewelddadige beroving, tegen schijnbaar willekeurige slachtoffers, zomaar midden op straat heeft plaatsgevonden, heeft bovendien tot gevolg dat het gevoel van onveiligheid en onrust in de samenleving in het algemeen toeneemt, met name voor vrouwen.

Verdachte heeft na de beroving getracht om de gestolen goederen tegen een geldelijke vergoeding aan het slachtoffer terug te bezorgen.

Daarbij heeft hij, door met haar telefoon midden in de nacht te bellen naar haar ouders dezen dodelijk verontrust . Hieruit blijkt des te meer dat verdachte zich louter heeft laten leiden door zijn eigen behoefte, zonder enig mededogen met de slachtoffers.

De rechtbank rekent verdachte deze gewelddadige beroving zwaar aan. Een dergelijk feit rechtvaardigt zeker een vrijheidsbenemende straf van langere duur.

Persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet het volgende.

De inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 juli 2010, waaruit blijkt dat verdachte op 17 maart 2010 is veroordeeld, voor een poging straatroof, tot een gevangenisstraf van 105 dagen en een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren, met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van een reclasseringsadvies betreffende verdachte d.d 18 augustus 2010, opgemaakt door dhr. R. Jacobs, reclasseringswerker. Dit advies houdt -zakelijk weergeven- in dat het onduidelijk is of er sprake is van psychische problemen, maar dat deze wel worden vermoed. Onduidelijk is eveneens of betrokkene bereid en in staat is zich te conformeren aan de regels en opdrachten die komen met een meldplicht bij de reclassering. Het is niet mogelijk om een inschatting te geven omtrent het recidiverisico, daar betrokkene het ten laste gelegde delict ontkent. De reclassering zou graag willen proberen om een onderzoek te doen naar de psyche van betrokkene. De reclassering adviseert dan ook om indien verdachte schuldig wordt bevonden in ieder geval op te leggen: een meldplicht bij de reclassering, onderzoek bij De Waag of een soortgelijke instelling en (indien wenselijk) een behandeling, voor zolang de behandelaars dat nodig achten.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. De rechtbank heeft daarnaast in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat de reclassering nog begeleiding- en hulpmogelijkheden ziet en verdachte derhalve wellicht nog te vormen is. De rechtbank zal derhalve een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde. Het voorwaardelijke gedeelte dient daarnaast ook als zogenaamde stok achter de deur, opdat verdachte zich niet nogmaals aan dergelijke feiten schuldig zal maken.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met de hierboven door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden passend en geboden.

7. De benadeelde partijen

De rechtbank zal de immateriële schade van de hieronder genoemde benadeelde partij op hetzelfde bedrag vaststellen, te weten € 500,-. Beide benadeelde partijen hebben immers nagenoeg hetzelfde van verdachte moeten ondergaan.

7.1. De benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 678,60.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 578,60 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 78,60 ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7.2. De benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 500,-.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te makken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens het Leger des Heils, afdeling Jeugdzorg & Reclassering;

* dat verdachte zal meewerken aan een onderzoek bij De Waag of een soortgelijke instelling en dat verdachte, als uit dit onderzoek blijkt dat behandeling wenselijk is, zal meewerken aan een behandeling voor zolang de behandelaars dat nodig achten;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 578,60, waarvan € 78,60 ter zake van materiële schade en € 500 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 578,60 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 500,-, geheel ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 500,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. N. van der Velden, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 november 2010.

Mr. N. van der Velden is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.