Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9876

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
16-600372-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplichting van financiële instellingen door middel van vals opgemaakte werkgeversverklaringen en inkomensverklaringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600372-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1976] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans uit andere hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Het Keern ZBB te Hoorn

raadsman mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: (samen met anderen) diverse hypotheekverstrekkers heeft opgelicht;

Feit 2: (samen met anderen) diverse malen valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

Feit 3: een hoeveelheid giraal geld heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat voor wat betreft het onder feit 1 ten aanzien van zaaksdossier 4 ten laste gelegde niet bewezen kan worden dat verdachte CombiVoordeel Hypotheken heeft bewogen tot het aangaan van een hypothecaire geldlening.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde voor zover deze feiten zaaksdossier 3 en de daarbij behorende oplichtingsmiddelen betreffen, alsmede van het onder feit 1 ten aanzien van zaaksdossier 4 ten laste gelegde voor zover dit betreft het bewegen van CombiVoordeel Hypotheken tot het aangaan van een hypothecaire geldlening.

Voor het overige onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde refereert de verdediging zich wat de bewezenverklaring betreft aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 3 nu niet is gebleken van feitelijke uitbetalingen aan verdachte van afsluitkosten dan wel courtage over de verstrekte hypothecaire geldleningen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 zaaksdossier 3 en de oplichtingsmiddelen E en F:

De rechtbank is van oordeel dat vastgesteld kan worden dat de materiële inhoud van zowel de werkgeversverklaring als de salarisspecificatie betreffende [C] vals was. Op basis van de het in het dossier aanwezige bewijs kan echter niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de onjuistheid van deze inhoud. De rechtbank zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Vrijspraak feit 2 werkgeversverklaring en salarisspecificatie ten aanzien van [C]:

Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 1 zaaksdossier 3 en de oplichtingsmiddelen E en F, zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het onder feit 2 ten laste gelegde voor zover dit feit betrekking heeft op de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie betreffend [C].

Vrijspraak feit 1 zaaksdossier 4 voor zover dit betreft het bewegen van Combivoordeel tot het aangaan van een hypothecaire geldlening:

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het onder G ten laste gelegde oplichtingsmiddel is aangewend om CombiVoordeel Hypotheken te bewegen tot het aangaan van een hypothecaire geldlening. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Vrijspraak feit 3:

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen de onder feit 3 ten laste gelegde (uitvoerings)handelingen niet wettig bewezen kunnen worden. Andere blijkens de bewijsmiddelen door verdachte gepleegde uitvoeringshandelingen, welke mogelijk wel zouden kunnen leiden tot bewezenverklaring van het misdrijf van witwassen, zijn door de officier van justitie niet in de tenlastelegging van feit 3 opgenomen. Aangezien de rechtbank slechts kan oordelen omtrent hetgeen de verdachte blijkens de tenlastelegging wordt verweten volgt uit het voorgaande dat de rechtbank verdachte van feit 3 dient vrij te spreken.

Bewezenverklaring feit 1 en feit 2:

Genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Zaaksdossier 1:

Op 23 juli 2004 werd er door bemiddeling van intermediair [intermediair] te Houten met als contactpersoon [medeverdachte] bij de MNF Bank een hypotheekaanvraag ingediend voor [getuige]. De aanvraag had betrekking op de door [getuige] voorgenomen aankoop van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en richtte zich op het verkrijgen van een hypothecaire geldlening .

Op de bij de hypotheekaanvraag gevoegde werkgeversverklaring en loonafrekening stond vermeld dat [getuige] vanaf 1 januari 2004 en als salesmanager in vast loondienstverband was bij [bedrijf 1] Op basis van deze aanvraag en de daarbij gevoegde stukken heeft MNF Bank een hypothecaire geldlening verstrekt aan [getuige].

Op 12 augustus 2004 is de hypotheekvestiging verleden en heeft ook de akte van levering voor het woonhuis plaatsgevonden.

Getuige [getuige] verklaarde bij de politie dat zij nooit voor [bedrijf 1] heeft gewerkt en dat zij daar nooit een inkomen heeft verdiend . Zij ontving al sinds 1999 een WAO-uitkering . [getuige] zat al langere tijd in financiële problemen en zij zocht contact met [medeverdachte] die al haar financiële problemen kon oplossen . [getuige] moest haar WAO-jaaropgave en de jaaropgave van het uitzendbureau aan [medeverdachte] geven en [medeverdachte] zou de hypotheekaanvraag regelen .

Uit informatie van de belastingdienst en het UWV is niet gebleken dat [getuige] in het jaar 2004 een dienstverband bij [bedrijf 1] heeft gehad of loonbetalingen van [bedrijf 1] had ontvangen .

In de administratie van verdachte zijn stukken aangetroffen, waaruit blijkt dat verdachte de [bedrijf 2] probeerde te bewegen om mee te werken aan een constructie waarbij [bedrijf 1] zich in het kader van de hypotheekverstrekking als werkgever voor [getuige] zou kunnen presenteren . Uit die stukken blijkt ook dat de [bedrijf 2] aan verdachte heeft laten weten hier niet aan mee te willen werken .

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij zich in het dagelijks verkeer met bekenden en klanten [medeverdachte] noemde, alsook dat hij in 2004 eigenaar was geweest van [bedrijf 1] en [intermediair]. Hij had [getuige] geholpen aan een financiering voor de woning aan de [adres], omdat hij wist dat zij met haar gegevens geen hypotheek zou krijgen. Als directeur van [bedrijf 1] had verdachte de werkgeversverklaring ingevuld en verdachte had [bedrijf 3] de opdracht gegeven de salarisstrook op te maken. Verdachte had voorts op 15 juni 2004 zelf contact gezocht met de [bedrijf 2] om in het kader van de hypotheekaanvraag [getuige] als werknemer van [bedrijf 1] binnen te halen en de salarisbetaling aan [getuige] over te nemen. Verdachte wist dat de [bedrijf 2] hier niet aan mee wilde werken. De hypotheekaanvraag was toen al ingediend door verdachte.

De rechtbank acht op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen, met name de verklaring van getuige [getuige], de correspondentie met de [bedrijf 2] en de eigen verklaring van verdachte, bewezen, dat:

- verdachte wist dat hetgeen hij op de werkgeversverklaring ten aanzien van het dienstverband van [getuige] per 1 januari 2004 heeft vermeld en hij op de salarisspecificatie ten aanzien van [getuige] heeft laten vermelden onjuist was;

- hij deze stukken heeft opgesteld c.q. heeft laten opstellen met de bedoeling een hypothecaire geldlening voor [getuige] te verkrijgen; en

- hij deze stukken bij de door hem opgestelde hypotheekaanvraag heeft gevoegd en aan MNF Bank heeft gezonden, op grond waarvan MNF bank vervolgens ook een hypothecaire geldlening met [getuige] is aangegaan.

Zaaksdossier 2:

Op 26 juni 2007 werd er door bemiddeling van intermediair [intermediar 2] te Houten en vertegenwoordigd door [medeverdachte] bij de financiële instelling GMAC RFC Nederland BV een hypotheekaanvraag ingediend voor mevrouw [medeverdachte 2]. De hypotheekaanvraag had betrekking op de voorgenomen verkoop van een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] en richtte zich op het verkrijgen van een hypothecaire geldlening .

Op de hypotheekaanvraag en de daarbij gevoegde inkomensverklaring stond vermeld dat [medeverdachte 2] vanaf 1 januari 2000 een vast dienstverband in een commerciële functie had bij de onderneming Groene Rivier Training (de rechtbank begrijpt op basis van de stukken en de verklaring van verdachte dat hiermee wordt bedoeld: Groene Rivier Trading) en dat zij een jaarinkomen had van € 80.000,00. Op basis van de hypotheekaanvraag en de inkomensverklaring heeft GMAC RFC Nederland een hypothecaire geldlening verstrekt aan [medeverdachte 2].

De hypotheekvestiging is op 25 juli 2007 verleden en op deze datum heeft ook de akte van levering voor het woonhuis plaatsgevonden .

Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaarde bij de politie dat er niets van alle op de hypotheekaanvraag gepresenteerde informatie met betrekking tot haar functie en inkomen klopte en dat ze nog nooit van Groene Rivier Training had gehoord . [medeverdachte 2] moest van [medeverdachte] een huis op haar naam zetten. [medeverdachte] wist vanaf het begin dat zij een bijstandsuitkering had. [medeverdachte] regelde alles voor de hypotheekaanvraag . [medeverdachte 2] heeft geen papieren hoeven aanleveren, maar heeft wel de hypotheekaanvraag waarin de onjuiste gegevens duidelijk waren vermeld ondertekend . Ook heeft [medeverdachte 2] verklaard als tegenprestatie van [medeverdachte] een vakantie en een auto met een gezamenlijke waarde van € 5.000 te hebben gekregen , naar de rechtbank aanneemt voor haar medewerking aan deze aanvraag om [medeverdachte] een dienst te bewijzen.

Uit informatie van de belastingdienst volgt dat [medeverdachte 2] over het jaar 2007 een uitkering ontving van de gemeente Hilversum. Over een dienstverband van [medeverdachte 2] bij Groene Rivier Trading was bij de belastingdienst niets bekend . Groene Rivier Trading was bij de belastingdienst sinds 31 december 2007 niet meer bekend als inhoudingsplichtige. Voor die tijd waren er nagenoeg geen aangiften gedaan .

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij de hierboven genoemde hypotheekaanvraag voor [medeverdachte 2] had geregeld en dat hij de hypotheekaanvraag en de inkomensverklaring had ingevuld. Verdachte wist dat [medeverdachte 2] niet bij Groene Rivier Trading werkte en dat zij financiële problemen had.

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen bewezen dat:

- verdachte de inkomensverklaring en -samen met [medeverdachte 2]- de hypotheekaanvraag betreffende deze [medeverdachte 2] valselijk heeft opgemaakt;

- hij deze stukken heeft opgesteld met de bedoeling een hypothecaire geldlening voor [medeverdachte 2] te verkrijgen; en

- hij deze stukken aan GMAC RFC Nederland BV heeft gezonden, op grond waarvan deze financiële instelling vervolgens ook een hypothecaire geldlening met [medeverdachte 2] is aangegaan.

Zaaksdossier 4:

Op 8 augustus 2005 vindt de verkoop plaats van de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan koper [A]. Voor de financiering wordt een hypothecaire geldlening aangevraagd. Van deze verstrekte lening wordt een bedrag van € 30.500,00 gestort op een geblokkeerd bouwdepot . Verdachte heeft bij de verkrijging van deze hypothecaire geldlening van [A] bemiddeld .

Op 21 november 2005 werd door CombiVoordeel Hypotheken een bedrag van € 16.600,00 uit het bouwdepot gestort op rekening van [B] . [B] had [aannemersbedrijf] op zijn naam staan. De storting was gebaseerd op een factuur van 11 november 2005 op naam van [aannemersbedrijf] ter grootte van € 16.600,00 onder vermelding van verbouwing van de woning aan de [adres] te [woonplaats] .

Op 25 november 2005 vond op de rekening van [B] een bijschrijving plaats van

€ 13.840,00 afkomstig van CombiVoordeel Hypotheken naar aanleiding van een factuur van 18 november 2005 op naam van [aannemersbedrijf] ter grootte van € 16.600,00, onder vermelding van verbouwing van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Op beide facturen was vermeld dat de daarin vermelde bedragen in rekening waren gebracht aan [A].

De genoemde facturen van 11 november 2005 en 18 november 2005 zijn aangetroffen in de administratie van verdachte [medeverdachte] .

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij beide facturen te Houten had opgesteld en dat hij deze had verzonden naar CombiVoordeel Hypotheken ter verkrijging van de geldbedragen uit het bouwdepot. Verdachte verklaarde dat hij wist dat de werkzaamheden ten aanzien van de verbouwing al afgerond waren, dat de bewoner van het huis deze werkzaamheden zelf had uitgevoerd en dat de werkzaamheden dus niet door [aannemersbedrijf] waren gedaan. Verdachte verklaarde dat hij onder zware druk tot het opmaken en verzenden van deze valse facturen is overgegaan.

De rechtbank acht op grond van de genoemde stukken en de verklaring van verdachte bewezen dat verdachte de facturen van 11 november 2005 en 18 november 2005 valselijk heeft opgemaakt en daarmee CombiVoordeel Hypotheken heeft bewogen tot het afgeven van geldbedragen uit het bouwdepot. Voor zover verdachte een beroep heeft gedaan op op hem ongeoorloofd uitgeoefende dwang overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zodanig onder druk is gezet dat hij daar geen weerstand aan kon bieden c.q. daarop niet anders op kon reageren dan door het begaan van voormelde strafbare feiten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 25 mei 2004 tot en met 25 juli 2007 te Houten, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen,

(zaak 1) op tijdstippen in de periode van 25 mei 2004 tot en met 12 augustus 2004 MNF Bank N.V. heeft bewogen tot het aangaan van een hypothecaire geldlening (met als zekerheid de woning aan de [adres] te [woonplaats] met mevrouw [getuige], middels de oplichtingsmiddelen A en B als hieronder nader omschreven

(zaak 4) op tijdstippen in de periode van 8 augustus 2005 tot en met 25 november 2005 CombiVoordeel Hypotheken B.V. heeft bewogen tot het aangaan van een bouwdepot (de rechtbank begrijpt dat hieronder tevens valt “het uitbetalen van een bouwdepot”), middels het oplichtingsmiddel G als hieronder omschreven

hebbende verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid

onder andere betreffende benadeelden een valse werkgeversverklaring en een valse salarisspecificatie overgelegd, te weten:

A) een werkgeversverklaring ten aanzien van [getuige] met een dienstverband

als Sales Manager sinds 01 januari 2004 bij [bedrijf 1] en

B) een salarisspecificatie betreffende[getuige] van [bedrijf 1]. over

de maand juli 2004 en

G) een factuur van [aannemersbedrijf], factuurdatum 11 november 2005

en 18 november 2005, betreffende verbouwingswerkzaamheden

[adres] te Arnhem, factuurbedrag 16.660,- (over te maken op

rekening [rekeningnummer]),

waardoor MNF Bank N.V. en CombiVoordeel Hypotheken B.V. werden bewogen

tot het aangaan van bovenomschreven hypothecaire lening en het afgeven van

geldbedragen

en

op tijdstippen in de periode van 25 mei 2004 tot en met 25 juli 2007 te Houten, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep,

(zaak 2) in de periode van 4 juni 2007 tot en met 25 juli 2007 GMAC RFC Nederland B.V. heeft bewogen tot het aangaan van een hypothecaire geldlening (met als zekerheid de woning aan de [adres] te [woonplaats] met mevrouw [medeverdachte 2], middels de oplichtingsmiddelen C en D als hieronder omschreven,

hebbende verdachte en zijn mededader toen aldaar met vorenomschreven oogmerk

– zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid overgelegd

C) een inkomstenverklaring ten aanzien van [medeverdachte 2] en

D) een hypotheekaanvraag met daarin vermeld dat [medeverdachte 2] sinds 1

januari 2000 een dienstverband heeft bij Groen Rivier Training en een

jaarinkomen heeft van 80.000 euro,

waardoor CombiVoordeel Hypotheken B.V. werd bewogen tot het aangaan van

bovenomschreven hypothecaire lening;

2.

op tijdstippen in de periode van 25 mei 2004 tot en met 25 juli 2007 te Houten, meermalen, telkens hierna genoemde geschriften elk zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk opgemaakt

- een werkgeversverklaring ten aanzien van [getuige] met een dienstverband als

Sales Manager sinds 01 januari 2004 bij [bedrijf 1] en

- een salarisspecificatie betreffende [getuige] van [bedrijf 1] over

de maand juli 2004 en

- twee facturen van [aannemersbedrijf], factuurdatum 11 november 2005 en 18 november 2005 betreffende verbouwingswerkzaamheden [adres] te Arnhem, terwijl de werkzaamheden verbandhoudende met de factuur niet waren verricht,

en hebbende verdachte opzettelijk deze vervalste geschriften afgeleverd, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om gebruikt te worden bij het aangaan van een hypotheekovereenkomst/geldlening

en

op tijdstippen in de periode van 25 mei 2004 tot en met 25 juli 2007 te Houten, tezamen en in vereniging met een ander, hierna genoemde geschriften

elk zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk opgemaakt of ondertekend,

- een inkomstenverklaring ten aanzien van [medeverdachte 2] en

- een hypotheekaanvraag met daarin vermeld dat [medeverdachte 2] sinds 1

januari 2000 een dienstverband heeft bij Groen Rivier Training en een

jaarinkomen heeft van 80.000 euro

en hebbende verdachte deze vervalste geschriften afgeleverd, terwijl hij en zijn mededader wisten dat deze geschriften bestemd waren om gebruikt te worden bij het aangaan van een hypotheekovereenkomst.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Oplichting, meermalen gepleegd

en

Medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van feit 2:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

Medeplegen van valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft aangegeven bij haar strafeis rekening te hebben gehouden met het tijdsverloop in deze strafzaak.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor het geval van een bewezenverklaring aangevoerd dat bij de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat er geen benadeling van de financiële instellingen heeft plaatsgevonden, dat de feiten al zeer geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, dat verdachte heeft aangegeven zich niet meer in te laten met onroerend goed transacties en dat verdachte enkele dagen na zijn aanhouding is vrijgelaten, wat bij verdachte de verwachting heeft gewekt dat hij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft valse werkgeversverklaringen en inkomensverklaringen opgemaakt ter verkrijging van hypothecaire geldleningen van financiële instellingen. Ook heeft verdachte valse facturen opgemaakt en/of gebruikt ter verkrijging van geldbedragen uit bouwdepots.

Verdachte heeft hierdoor misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hypotheekverstrekkers in dergelijke stukken mogen stellen en in ieder geval één van deze instellingen voor een groot bedrag benadeeld .Het is voorts verre van denkbeeldig dat in de toekomst ook bij de andere instellingen financiële schade wordt geleden, nu zij mede door verdachtes handelen grote geldbedragen hebben uitgeleend aan personen die veel solvabeler werden voorgesteld dan zij in werkelijkheid waren. Door zijn handelen brengt verdachte derhalve ook schade toe aan de betrouwbaarheid en stabiliteit van het systeem betreffende de hypothecaire financiering van woningen. Gezien de ernst en de maatschappelijke gevolgen van deze feiten acht de rechtbank daarvoor in beginsel slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Verdachte heeft geen duidelijk inzicht gegeven in zijn motieven, maar de rechtbank acht

-mede op basis van hetgeen van algemene bekendheid is omtrent de verstrekking van provisiegelden door hypotheekverstrekkers aan tussenpersonen en andere intermediairs- het alleszins aannemelijk dat verdachte deze handelingen in ieder geval mede heeft verricht met de bedoeling er zelf financieel voordeel van te hebben.

In zaak 2 is voorts gebleken dat verdachte de hypotheekverstrekking aan [medeverdachte 2] mede heeft gerealiseerd om een bedrag van € 80.000 naar hem c.q. naar een door hem gecontroleerde vennootschap toe te laten vloeien .

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode meermalen met deze handelingen beziggehouden. De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat hij andere personen bij zijn handelingen heeft betrokken en hen daardoor heeft bewogen om strafbare feiten te plegen. Gebleken is dat in ieder geval [medeverdachte 2] met de financiële schade is blijven zitten en nog altijd de gevolgen daarvan ondervindt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 september 2010 blijkt dat verdachte op 21 juni 2010 is veroordeeld tot gevangenisstraf van 18 maanden wegens het plegen van een ernstig geweldsmisdrijf. Naar uit het vonnis is gebleken houdt ook deze zaak verband met de activiteiten van verdachte op de woningmarkt. Bij de bepaling van de hierna te noemen straf houdt de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), rekening met de omstandigheid, dat verdachte nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijven voor 21 juni 2010 gepleegd. Voorts heeft de rechtbank in haar afweging betrokken dat het hier deels feiten betreft welke zich al ruim 6 jaar geleden hebben afgespeeld

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij thans niet meer werkzaam is in de vastgoedbranche en dat hij als gevolg van dit alles nog steeds financiële problemen heeft.

Mede gelet op het feit dat verdachte financieel nog in de problemen zit acht de rechtbank de kans aanwezig dat verdachte zich in de toekomst wederom aan dergelijke strafbare feiten schuldig zal maken. De rechtbank ziet daarin aanleiding om deels ook een voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter deur om verdachte van het plegen van strafbare feiten in de toekomst te weerhouden.

In de toepasselijkheid van artikel 63 Sr en het gememoreerde tijdsverloop ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in deze zaken in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd is. In plaats daarvan zal verdachte een straf worden opgelegd gelijk aan die door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank overweegt in dit kader tevens dat zij de door verdachte gepleegde feiten en de genoemde gevolgen daarvan voor anderen dermate ernstig acht dat het gegeven dat de rechtbank verdachte van een feit c.q. onderdelen van feiten zal vrijspreken, voor haar geen aanleiding vormt om in voor verdachte gunstige zin van deze strafeis af te wijken

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van:

- feit 1 voor zover dit betreft het ten laste gelegde ten aanzien van zaaksdossier 3 en de oplichtingsmiddelen E en F;

- feit 2 voor zover dit betreft het ten laste gelegde ten aanzien van de werkgeversverklaring en salarisspecificatie betreffende [C];

- feit 1 zaaksdossier 4 voor zover dit betreft het bewegen van Combivoordeel tot het aangaan van een hypothecaire geldlening;

- het onder feit 3 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Oplichting, meermalen gepleegd en medeplegen van oplichting;

feit 2: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van valsheid in geschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en

mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 november 2010.

Mr. Kuijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.