Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9864

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
16-440540-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming; wederrechtelijk verkregen voordeel; draagkracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/440540-10 (ontneming)

beslissing van de rechtbank d.d. 30 november 2010

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsvrouwe mr. M.P. Bos, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/440540-10 waaruit blijkt dat veroordeelde op 30 november 2010 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht is veroordeeld terzake van het medeplichtig zijn aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. M.P. Bos, advocaat te Utrecht.

2 De standpunten

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat, gelet op de verklaring van veroordeelde tijdens deze terechtzitting, drie maal € 250,00 ontnomen dient te worden.

De raadsvrouwe heeft primair aangevoerd dat het binnentreden onrechtmatig is geweest en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim op grond waarvan het verkregen bewijs uitgesloten dient te worden, zodat vrijspraak dient te volgen. Hieruit volgt dat de ontnemingsvordering afgewezen dient te worden. Subsidiair heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat bewezen kan worden het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten het medeplegen. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen met betrekking tot feit 1, dan stelt de verdediging dat veroordeelde slechts € 500,00 (gelet op zijn verklaring) danwel € 2.750,00 (uitgaande van één oogst) voordeel heeft genoten.

3 De beoordeling

Dat veroordeelde op tijdstippen in de periode van 2 juni 2009 tot en met 11 augustus 2009 te Vianen opzettelijk behulpzaam is geweest, door voor onbekend gebleven persoon/personen, werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de teelt/het kweken van hennep, blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen opgenomen in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht van 30 november 2010.

Veroordeelde heeft verklaard dat hij van een onbekende man in een café het aanbod kreeg om voor een paar uur werken per week, per week ongeveer € 220,00 tot € 250,00 te verdienen. Veroordeelde heeft verklaard dat hij op dit aanbod is ingegaan en met deze werkzaamheden is begonnen ongeveer twee of drie weken voordat hij werd aangehouden. Veroordeelde heeft tevens verklaard dat hij van een andere man tweemaal een enveloppe met geld heeft gekregen, met in elke enveloppe € 250,00.

De rechtbank gaat er op basis van de verklaring van veroordeelde vanuit dat veroordeelde een bedrag van € 500,00 als wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve vaststellen op een bedrag van € 500,00 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

Uit het onderzoek ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde niet toereikend zullen zijn om voormeld bedrag te voldoen.

4 De beslissing

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 500,00;

Zij legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 500,00, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

Zij wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. Wassing, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.J. Reitsma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 november 2010.