Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9734

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
04-01-2011
Zaaknummer
16.600686-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van hennephandel en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600686-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres],

raadsman mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 en 14 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. hennep heeft gekweekt en daarin heeft gehandeld dan wel hennep voorhanden heeft gehad

2. zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van [betrokkene 1] en de inhoud van diverse tapgesprekken en sms-berichten. Uit tapgesprekken blijkt ook-aldus de officier van justitie-dat verdachte zijn moeder of broer belt wanneer hij geld nodig heeft en daaruit volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De officier van justitie wijst erop dat verdachte pas na de arrestatie van zijn broer een factuur met betrekking tot de Peugeot is gaan halen en hij bovendien op de hoogte was van de herkomst van het geld aangezien hij zelf ook actief was in de hennephandel en ervan op de hoogte was dat zijn broer hier ook actief in was.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen met betrekking tot de feiten gerelateerd aan zaaksdossiers 13 en 14, omdat uit de inhoud van de tapgesprekken niet blijkt dat het gaat om hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank tot een vrijspraak dient te komen terzake feit 2. Ten aanzien van het tenlastegelegde geldbedrag geldt dat uit niets blijkt dat verdachte hierover de beschikking heeft gehad. Ten aanzien van de Mercedes kan niet worden vastgesteld dat deze van misdrijf afkomstig is aangezien verdachte een alternatieve bron heeft vermeld, te weten geld afkomstig uit de erfenis van zijn vader, en deze verklaring niet ongeloofwaardig is. Met betrekking tot een bewezenverklaring terzake feit 1 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Door de politie is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen een aantal personen waartegen de verdenking bestond dat deze betrokken waren bij grootschalige hennephandel en/of witwassen in Amersfoort en omgeving. Er zijn telefoongesprekken van verdachten afgeluisterd en observaties door camera’s en teams gemaakt. Hieruit kwam naar voren dat deze handel zich concentreerde rond growshop ‘[bedrijf 1]’ gevestigd aan de [adres] te Amersfoort en rond een woning aan de [adres] te Amersfoort. Op 8 mei 2007 heeft op deze locaties een doorzoeking plaatsgevonden waarbij onder meer hennep is aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘[naam]’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 21 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangeven over welk strafbaar feit of welke strafbare feiten wordt gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen ervan worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In de zaakdossiers 10, 11, 13 en 14 is gerelateerd over de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 juni 2007 in hennep heeft gehandeld.

De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewijs voor haar oordeel dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd in de volgende bewijsmiddelen:

Gebruikte termen

In dit vonnis wordt gerelateerd aan telefoongesprekken. Daar komen verschillende begrippen, bijnamen, hoeveelheden en bedragen in voor. De rechtbank gaat bij de interpretatie van de gesprekken uit van de volgende betekenissen:

Handje(s) een hoeveelheid van 5 (kilo)

Terugslaan hennep die aan de buitenkant helemaal droog lijkt en voelt, maar van binnen nog niet droog is. Als de wiet terugslaat is weer sprake van natte wiet.

Gruis de restjes van afgeknipte henneptoppen en bladeren. Deze restanten worden in een molentje gemalen en op een later tijdstip aan de wiet toegevoegd. Dit wordt gedaan om wiet te vermeerderen met een goedkoper product.

Prijs per kilo de rechtbank gaat uit van een prijs per kilo droge wiet van omstreeks € 3.100,-- tot omstreeks € 3.500,--.

Papieren/pampiers geld

Stieken een ander een beetje geld toeschuiven

Zaaksdossier 10

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2007 vier partijen hennep heeft afgeleverd bij verdachte die woonachtig is te Amersfoort, waaronder drie partijen hennep van in totaal 1700 gram in februari 2007. Daarnaast heeft hij in april 2007 een partijtje opgehaald bij derden dat hij rechtstreeks bij een coffeeshop heeft afgeleverd.

In het dossier bevindt zich een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) d.d. 24 februari 2007. [betrokkene 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat dit gesprek over de partij van 1700 gram hennep ging. Deze hennep was verschillend van kwaliteit en daarom moeilijk te verkopen. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[betrokkene 2]: Ja want dat andere is niet doorgegaan he

L(ubsen): Wat

P: verkopen zeg maar

L: Niet

P: Nee. Ja ik weet het ook niet dus uhh… Toen zei ik tegen [verdachte] maak er maar wat moois van. Of gewoon. Hij had het zo laten zien hoe het verpakt was.

L: Ja

P: Ja maar [verdachte] zei het ziet er niet uit. Ik zei laat maar gewoon zien. Ik bedoel uuh ik heb het niet gezien maar [betrokkene 1] zei dat het goed is.

L: Hoezo ziet er niet goed uit.

P: Ja uh een gedeelte vond [verdachte]. [verdachte] zei een gedeelte is wel mooi. Maar dat andere is Uh minder. Ik zei gooi het dan maar in hoe heet dat. Dan moet je er maar wat moois van maken dan ben ik terug zaterdag en dan doe ik het uhh. Douw ik het maandag wel weg.

L: Ja. Maar kijk kan je het voorschieten dan of niet.

P: Komt wel goed maakt niet uit.

In het dossier bevindt zich voorts een sms bericht van 25 februari 2007 21.00 uur van verdachte aan [betrokkene 2]: “1765 is gewicht dat maal 3275. dat is wat ik [naam] gegeven hep en [betrokkene 1] hep 1734 gebracht en kost hem 3.2”

Tot slot bevindt zich in het dossier een uitgewerkt tapverslag van een telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en verdachte d.d. 25 februari 2007 21.38 uur. Dit gesprek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[verdachte]: Wat hij gegeven heeft ‘in het begin, de eerste keer’ was ‘zeventien vierendertig’

(…)

M: Nee luister dan, daar heb ik wat bijgetiekt. Maar wat ik aan hem gegeven heb, aan die [naam] is zeventienvijfenzestig.

(…)

[betrokkene 2]: Dat heb je gestiekt.

(…)

P: (…) wat hebben ze besolmt

M: 3275

P: 3275 goed

M: eerst was het drie drie maar later 3275 zei die.

P: pakt hij dat geeltje niet die lupert.

M: nee ik denk het niet, en dan kost het die kaalkop drie twee.

P: Oh jajaja

P: En dan moet jij je eigen ding ook afhalen en uh…

P: 5780

M: ja dan moet dinge gewoon thuis pakken en alles uitrekenen. 35 euro en die 35 euro moet jij weer met die [naam] regelen.

P: ja ik kom er wel uit, 1735 is voor die kale. Of 1765 voor dat [naam], maar moet 1735 aan die kale afrekenen. Buiten wat hij er zo bij heeft gestiekt.

M: Nee die 1765 moet je ook met die kale doen.

P: Oh ook.

M: Ja natuurlijk want wat er bij is, die dertig veertig meer dat was van die kale.

(…)

P: Ik doe het morgen allemaal joh…

Gelet op de inhoud van bovengenoemde gesprekken, de tekst van het sms’je en de verklaring van [betrokkene 1] gaat de rechtbank ervan uit dat [betrokkene 1] tenminste een hoeveelheid van 1700 gram hennep aan verdachte heeft verkocht, dat verdachte daarbij samenwerkte met [betrokkene 2] en dat zij deze hoeveelheid, na het vermeerderd te hebben, gezamenlijk weer hebben doorverkocht aan “[naam]”.

Zaaksdossier 11

Op 5 maart 2007 belt [betrokkene 3] naar [betrokkene 4]. [betrokkene 3] zegt dat hij niets met rotzooi kan doen en dat hij twee handen kan gebruiken. [betrokkene 4] zegt dat dat goed is, afgesproken wordt dat [betrokkene 3] later terugbelt. Om 15.55 uur belt [betrokkene 2] met verdachte. Op de achtergrond is [betrokkene 3] te horen. [betrokkene 2] vraagt welke auto verdachte wil hebben, en zegt dat verdachte het zwarte autootje maar moet pakken. Verdachte vraagt of het er wel in kan en [betrokkene 2] zegt dat tien toch wel moet lukken. Om 16.28 uur wordt [betrokkene 2] gebeld door verdachte die vraagt of hij ernaar toe moet, hetgeen [betrokkene 2] bevestigt. Er moet echter eerst nog wel wat geregeld worden. Om 16.51 uur wordt [betrokkene 3] gebeld door [betrokkene 4]. Deze zegt laat hem maar komen en [betrokkene 3] zegt is goed. Gelijk daarna, om 16.52, belt [betrokkene 3] naar verdachte en zegt dat hij naar hem toe kan gaan. [betrokkene 3] zegt daarbij dat verdachte er even een klein beetje naar moet kijken. Verdachte zegt dat hij ernaar toe rijdt en zijn best doet. Om 17.17 uur belt verdachte met [betrokkene 3]. Verdachte zegt dat hij onderweg terug is en antwoordt ontkennend op de vraag of hij een beetje gekeken had:“Nee want ik kwam aanrijden en toen kwam die man-vrouw, je weet wel… (…) Die kwam eraan met twee dingen, dus ik kon niet midden op straat uh…” [betrokkene 3] vraag om het even na te kijken, “er mag wel iets inzitten, maar niet dat die terugslaat”. Verdachte vraagt vervolgens “als het weg moet, hoe laat weet je dat”. [betrokkene 3] antwoord dat hij zo gaat bellen en dat hij het verdachte zal laten weten of het doorgaat of niet.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af, in het bijzonder uit het gebruik van de termen “handen” en “terugslaan”, dat [betrokkene 3], [betrokkene 2] en verdachte betrokken zijn bij de aankoop van 10 kilo hennep van [betrokkene 4], dat verdachte de hennep heeft opgehaald, dat hij de kwaliteit nog niet heeft kunnen controleren en dat de hennep weer doorverkocht zal worden.

Zaaksdossier 13

Op 4 april 2007 wordt [betrokkene 2] gebeld door een man genaamd [naam]. [naam] vraagt of [betrokkene 2] nog wat moet hebben. Er moet niks op aan of onder zitten voor [betrokkene 2]. [naam] zegt dat [betrokkene 2] dat weet. Ouderwets normaal en dan nog de prijs. Daar is [naam] nieuwsgierig naar. [naam] zegt dat het gewoon ok is. [betrokkene 2] zegt dat als dat niet zo is, dan liever niet. De mensen worden een beetje moe en ze blijven het doen. [naam] vraagt wat [betrokkene 2] bedoelt. [betrokkene 2] zegt dat ze toch nog proberen te kloten met dingen erop te gooien enzo. [betrokkene 2] kan daar niets mee. Als [naam] zegt dat het helemaal ok is…32, 32 half. De prijs valt [naam] tegen. [naam] wil 33, 33 half. Als hij ok is wil [betrokkene 2] er hooguit 33 voor geven. [betrokkene 2] moet maar naar huis rijden of naar [naam]. [betrokkene 2] is er niet. [naam] stelt voor dat [betrokkene 2] zijn broer stuurt. [betrokkene 2] zegt dat hij zijn broer stuurt, maar dat zijn broer er geen verstand van heeft. De broer van [betrokkene 2] mag het ophalen en aan [betrokkene 2] laten zien, dan zal [betrokkene 2] zien dat het ok is. [betrokkene 2] zegt dat hij laat terug is en uit de buurt is. [betrokkene 2] is er wel vanavond en kijkt dan wel even. Vraagt hoeveel er van is. [naam] heeft het al gezien en rijdt er nu naar toe. Het is in ieder geval twee en een half en anders zes, zeven. [betrokkene 2] belt [verdachte] op. [verdachte] moet naar [naam] of [naam]. [verdachte] moet uiteindelijk naar [naam].

Vervolgens belt [betrokkene 2] verdachte. Verdachte vraagt in dit gesprek aan [betrokkene 2] of het bij “hem” thuis is of bij [naam]. Verdachte zegt vervolgens dat hij even weg is, maar dat er zo even langs rijdt.

Bij zijn politieverhoor is verdachte geconfronteerd met bovengenoemd gesprek. Op de vraag waar hij zo even langs rijdt, antwoordde hij: “dat zal naar [naam] geweest zijn, omdat [betrokkene 2], dat aan mij gevraagd heeft.

De rechtbank leidt uit het gesprek tussen [betrokkene 2] en [naam] af dat [naam] een hoeveelheid hennep in de aanbieding had waarin [betrokkene 2] wel was geïnteresseerd. De rechtbank leidt dit met name af uit de genoemde bedragen (die overeenkomen met de kiloprijs voor een kilo hennep) en de opmerking van [betrokkene 2] dat “ze toch nog proberen te kloten met dingen erop te gooien enzo”, hetgeen kennelijk verwijst naar pogingen om hennep zwaarder te maken door er bijvoorbeeld gruis of andere producten aan toe te voegen. Vervolgens heeft [betrokkene 2] verdachte gevraagd om (een deel van) de partij hennep op te halen zodat [betrokkene 2] deze kan keuren. Uit het feit dat in het telefoongesprek een kiloprijs gehanteerd wordt, leidt de rechtbank bovendien af dat het hier gaat om een hoeveelheid hennep van tenminste een kiloen dus meer dan dertig gram.

Zaaksdossier 14

Op 5 april 2007 te 15.58 uur belt [betrokkene 2] naar [betrokkene 5]. [betrokkene 5] vraagt of er nog wat was. [betrokkene 2] zegt weinig. [betrokkene 2] vraagt wat die dingen doen en [betrokkene 5] zegt tussen 3 3 en 3 4. [betrokkene 2] zegt dat dat normaal is en vraagt of er ook uitzonderingen zijn, waarop [betrokkene 5] antwoordt “ja, dat wel”. [betrokkene 2] vraagt of hij morgen even langs kan komen en [betrokkene 5] zegt dat dat goed is.

Om 16.00 uur belt [betrokkene 2] naar verdachte en zegt dat hij van die dikkop, die aap 35 euro kan krijgen. Verdachte zegt als je het wil en het is gelijk weg dan is het goed. Verdachte zegt dat hij nog een klein beetje kan doen en dat vindt [betrokkene 2] goed. Op 6 april 2007 te 18.28 uur bellen [betrokkene 2] en verdachte nogmaals en bespreken dat er een jongen komt. Om 18.33 uur spreken ze af dat [betrokkene 2] verdachte zal bellen als hij langskomt. Op 7 april 2007 om 12.35 uur belt verdachte met [betrokkene 2] en zegt hem dat dikkop zo komt en dat hij wil dat [betrokkene 2] er ook even naar kijkt. Om 12.50 uur belt verdachte naar [betrokkene 2] en zegt dat zij het altijd precies zoveel af schefferen, dat hij nu niet durft bij te stieken en vraagt [betrokkene 2] of hij dat juist wel moet doen als hij het niet poot. [betrokkene 2] geeft hem het advies om er een klein stukje extra doorheen te stieken en als hij ze wel poot te kijken wat hij erbij stiekt. Uiteindelijk zegt verdachte dat als hij het niet poot dat hij het goed houdt en dat hij het bij dinge zal neerleggen.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af, in het bijzonder uit de in de gesprekken genoemde getallen die -gelet op de context van het gesprek prijzen zijn- overeenkomen met de kiloprijzen van hennep, dat [betrokkene 2] en verdachte betrokken zijn bij de aankoop van hennep, dat verdachte de hennep heeft opgehaald, dat hij de kwaliteit heeft kunnen controleren en dat de hennep eventueel wordt bewerkt en weer doorverkocht zal worden.

Ook hier overweegt de rechtbank dat uit het feit dat in de telefoongesprekken kiloprijzen gehanteerd worden afgeleid kan worden dat het hier gaat om een hoeveelheid hennep van tenminste een kilo en dus meer dan dertig gram.

Zaaksdossier 19

Voorts is in zaaksdossier 19 gerelateerd over de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 8 mei 2007 zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een personenauto en van een geldbedrag van ongeveer € 104.855,--.

Aangezien dit geldbedrag in de woning van de moeder van verdachte is gevonden, de rechtbank te Utrecht op 8 juni 2010 heeft geoordeeld dat dit geldbedrag toebehoort aan [betrokkene 2] en ook overigens niet uit het dossier blijkt dat verdachte dit geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 2 door de rechtbank worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de personenauto van het merk Mercedes, kenteken [kenteken] overweegt de rechtbank het volgende. Op 3 juli 2006 is door de Mercedes dealer [naam] een melding ongebruikelijke transactie gedaan in verband met een contante betaling van € 33.000,-- voor genoemde Mercedes, grotendeels met bankbiljetten van € 50,--. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat de auto van hem is en dat hij hiervoor € 15.000,-- heeft geleend van zijn broer [betrokkene 2] en dat zowel hij als zijn broer de auto gebruiken. Hij heeft voorts verklaard dat zijn broer de sleutel heeft en dat er nog een sleutel moet zijn maar dat hij niet weet waar die ligt. Verdachte heeft verklaard dat hij deze Mercedes samen met zijn broer [betrokkene 2] heeft gekocht van geld dat hij van zijn vader had geërfd.

De rechtbank hecht aan deze verklaring geen geloof. Mede gelet op het feit dat

• de rechtbank, zoals hierboven overwogen, bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd – het handelen in hennep gedurende de periode 1 januari 2007 tot en met 20 juni 2007,

• de politie al jaren meldingen bereiken die verdachte in verband brengen met de handel in hennep

• uit de afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte en zijn broer blijkt dat hij in de afgeluisterde periode (januari tot en met 20 juni 2007) volop in de hennephandel zit en dergelijke handel en de bijbehorende contacten niet van de ene op de andere dag ontstaan, waaruit is aan te nemen dat verdachte ook ruimschoots vóór januari 2007 al handelde in hennep,

• van algemene bekendheid is, dat in de drugshandel grote sommen contant geld omgaan en

• dat geld nog al eens bestaat uit bankbiljetten in kleine(re) coupures,

kan de conclusie uit het bovenstaande daarom niet anders zijn dan dat verdachte en/of zijn broer de Mercedes moet hebben gekocht met geld afkomstig uit zijn hennephandel.

Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Deze personenauto staat sinds juli 2006 op naam van verdachte. [betrokkene 6], de partner van [betrokkene 2], heeft verklaard dat voorzover zij weet de auto van [betrokkene 2] is en de auto niet door [verdachte] gebruikt wordt. [betrokkene 2] heeft ontkend eigenaar van deze Mercedes te zijn maar deze wel te gebruiken. Pas na de arrestatie van [betrokkene 2] is verdachte een kopie van de factuur van de aankoop van de Mercedes gaan ophalen bij de verkoper . Voorts blijkt dat -hoewel verdachte als koper staat vermeld op de factuur- het telefoonnummer van [betrokkene 2] is ingevuld bij dat gedeelte van de factuur waar het telefoonnummer van de koper moet worden ingevuld. Bovendien gedroeg [betrokkene 2] zich, naar de rechtbank begrijpt uit de verklaring van zijn echtgenote/partner, als “heer en meester” van die Mercedes . De rechtbank leidt uit dit geheel van omstandigheden af dat niet verdachte de eigenaar was van de personenauto, maar zijn broer [betrokkene 2]. Uit het feit dat de personenauto op naam is gezet van verdachte, een activiteit die niet mogelijk is zonder zijn medeweten en medewerking omdat bij de tenaamstelling een legitimatiebewijs moet worden getoond, leidt de rechtbank het opzet van verdachte af op niet alleen de koop van de personenauto, maar ook het verhullen wie de rechthebbende is van deze auto door deze op zijn naam te plaatsen, terwijl het daadwerkelijke gebruik en eigenaarschap bij zijn broer [betrokkene 2] berustte.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op meerdere tijdstippen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 20 juni 2007 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

in de periode van 01 juli 2006 tot en met 8 mei 2007, te Amersfoort tezamen en

in vereniging met een ander een voorwerp,

- een personenauto, merk Mercedes, kenteken [kenteken]), gekocht rond juli 2007 voor (ongeveer) 33.000

heeft voorhanden gehad terwijl hij en zijn mededader wisten dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 2: medeplegen van witwassen

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht -en rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn en de inhoud van de reclasseringsrapportage- gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 120 uur, met een proeftijd van twee jaar, alsmede een geldboete van € 8.000,--.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachtes voorarrest voor hem door zijn trauma veel zwaarder heeft gewogen dan voor een gemiddeld persoon. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte gehandeld heeft vanuit een broederdienst en niet vanuit financiële motieven, reden waarom de geldboete dient te worden gematigd. Gelet op het inkomen van verdachte heeft de raadsman tenslotte verzocht de geldboete voor een zo groot mogelijk deel voorwaardelijk op te leggen en een betaling in termijnen toe te staan.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 3 van de Opiumwet en witwassen. Hierbij ging het om hoeveelheden softdrugs, die op grote schaal en op professionele wijze werden verhandeld. Met deze handel zijn forse geldbedragen gemoeid en ook de verdiensten die uit deze handel worden verkregen zijn groot. Deze handel is een onderdeel van de keten die het gebruik van softdrugs faciliteert. Een keten die uit is gegroeid tot een aanzienlijke organisatie en die veelal gepaard gaat met het plegen van andere strafbare feiten en die onrust veroorzaakt in de samenleving.

Gelet op de omvang van deze handel en het aandeel van verdachte hierin is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van enige duur op zijn plaats is.

Daar staat evenwel tegenover dat de redelijke termijn in deze fors is overschreden: de bewezenverklaarde feiten dateren uit het begin van 2007 terwijl de eerste terechtzitting pas op 29 maart 2010 heeft plaatsgehad. De rechtbank acht deze overschrijding dermate ernstig - te meer nu van de zijde van het openbaar ministerie niet duidelijk is geworden waarom de vervolging zo lang op zich heeft laten wachten- dat zulks het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, wat in beginsel bij deze feiten passend is, in de weg staat.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit het [naam]-onderzoek blijkt dat niet alleen verdachte, maar ook zijn moeder en broer als verdachten zijn aangemerkt en dat zijn broer behoorde tot de hoofdverdachten in dit onderzoek. Het is voor verdachte dan ook van belang dat hij in de toekomst niet opnieuw door zijn omgeving in de verleiding wordt gebracht zich met strafbare feiten in te laten. Dat vormt voor de rechtbank reden om verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de strafbare feiten, een werkstraf passend en geboden. De rechtbank houdt geen rekening met het gegeven dat verdachte zijn voorarrest mogelijk als zwaarder heeft ervaren dan zijn medeverdachten, omdat zijn voorarrest destijds al is bekort vanwege het gegeven dat bij verdachte een stressstoornis is geconstateerd. Daarmee is dit gegeven reeds voldoende gecompenseerd. Dit neemt niet weg dat de rechtbank de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering zal brengen op de werkstraf die verdachte thans wordt opgelegd. Tot slot overweegt de rechtbank dat de drijfveer van de hennephandel geldelijk gewin is. Dit maakt tevens het opleggen van een geldboete hier passend.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat het noodzakelijk is om een gevangenisstraf geheel voorwaardelijk voor de duur van 3 maanden op te leggen, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is een werkstraf voor de duur van 100 uur passend en geboden, met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, en een geldboete van € 6.000,--, bij niet betaling te vervangen door 65 dagen hechtenis. De rechtbank zal verdachte toestaan deze geldboete in termijnen te betalen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24a, 24c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 3: medeplegen van witwassen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 6.000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 65 dagen;

- bepaalt dat deze geldboete mag worden betaald in 12 eenmaandelijkse termijnen van elk € 500,-- ;

Voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 oktober 2010.