Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9535

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
03-01-2011
Zaaknummer
16/601122-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doen van valse aangifte. Vordering BP (politie) niet ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601122-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. R.I.R. Denz, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Opzettelijk een valse aangifte heeft gedaan.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezig bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk, ook niet in de voorwaardelijke vorm, een valse aangifte heeft gedaan.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en bezigt daartoe de volgende bewijsmiddelen.

Verdachte is via de MSN benaderd met een voorstel dat hij op een eenvoudige manier veel geld kon verdienen, door zijn rekeningnummer, bankpas en identiteitsbewijs beschikbaar te stellen. Er zou dan een lening op zijn naam worden afgesloten. Het geld zou vervolgens van zijn rekening worden gehaald. De gegevens van de lening zouden door iemand werkzaam binnen de betreffende bank gewist worden, zodat deze niet meer te achterhalen waren. Verdachte zou een aanzienlijk geldbedrag krijgen, te weten € 12.000,00. Verdachte heeft zijn bankpas, pincode en ID bewijs afgegeven en is er kort daarna achter gekomen dat er geld van zijn (spaar)rekening was verdwenen.

Verdachte heeft op 14 augustus 2009 aangifte gedaan van diefstal van zijn bankpas, ID-kaart, pincode en een geldbedrag. Verdachte heeft ten overstaan van [verbalisant 1] onder andere verklaard: "het is mij tot op heden een raadsel hoe men aan mijn bankgegevens of pincode is gekomen" en "ik weet zeker dat ik aan niemand mijn bankpas en pincode heb gegeven dan wel mijn ID-kaart".

Op 18 augustus 2009 heeft verdachte in een aanvullende verklaring aangegeven dat hij tegen zijn wil van zijn vrijheid was beroofd, afgeperst en bedreigd. Verdachte heeft ten overstaan van [verbalisant 2] onder andere verklaard: "ik ben meerdere keren door die oom bedreigd" en "hij heeft een mes op mijn keel gezet, mij bij mijn keel gepakt, tegen de muur gegooid en mij in mijn buik geslagen" en "ik heb op geen enkel moment vrijwillig meegewerkt aan het afgeven van mijn pinpas, ID-kaart en telefoon".

Op 18 september 2009 heeft verdachte in een aanvullende verklaring ten overstaan van [verbalisant 3] en [verbalisant 2] verklaard: “In de tijd dat ik in de auto zat, hebben ze alleen tegen mij gezegd dat ik omlaag moest kijken……Zoals ik al verklaarde werd mijn hoofd naar beneden gedrukt tussen het Amsterdam-Amstel station en de ruimte waar ik naar toe werd gebracht”.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij door zijn eigen hebzucht in de problemen is gekomen. Nadat hij er achter was gekomen dat hij zelf was opgelicht heeft hij bedacht dat, als hij zijn verhaal om zou draaien, hij zelf als slachtoffer gezien zou worden. Op die manier zou hij niet strafbaar zijn en zijn geld terug kunnen krijgen.

(Voorwaardelijke) opzet

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte opzettelijk een valse aangifte heeft gedaan. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij, nadat hij er achter kwam dat hij opgelicht was, zich zelf de vraag heeft gesteld hoe hij buiten schot kon blijven en eventueel zijn schade vergoed kon krijgen. Verdachte heeft er vervolgens bewust voor gekozen om niet de waarheid te vertellen, maar een valse aangifte te doen. Verdachte heeft in de weken daarna meerdere malen ten overstaan van de politie zijn valse aangifte aangevuld met eveneens valse verklaringen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 14 augustus 2009 tot en met 18 september 2009 te Woerden, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte

- op 14 augustus 2009 aldaar ten overstaan van [verbalisant 1] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal van een bankpas en ID-kaart en een pincode en een geldbedrag en daarbij in strijd met de waarheid onder andere gezegd: "het is mij tot op heden een raadsel hoe men aan mijn bankgegevens of pincode is gekomen" en "ik weet zeker dat ik aan niemand mijn bankpas en pincode heb gegeven dan wel mijn ID-kaart" en

- op 18 augustus 2009 (aanvullend op de aangifte van 14 augustus 2009) aldaar ten overstaan van [verbalisant 2] opzettelijk in strijd met de waarheid (een aanvullende) aangifte gedaan van afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging en daarbij in strijd met de waarheid onder andere gezegd: "ik ben meerdere keren door die oom bedreigd" en "hij heeft een mes op mijn keel gezet, mij bij mijn keel gepakt, tegen de muur gegooid en mij in mijn buik geslagen" en "ik heb op geen enkel moment vrijwillig meegewerkt aan het afgeven van mijn pinpas, ID-kaart en telefoon" en

- op 18 september 2009 (aanvullend op de aangifte van 14 augustus 2009 en de aangifte/aanvulling van 18 augustus 2009) aldaar ten overstaan van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] opzettelijk in strijd met de waarheid een aanvullende aangifte gedaan en daarbij in strijd met de waarheid onder andere gezegd: “onderweg in de auto werd mijn hoofd naar beneden gedrukt ", althans woorden van gelijke aard of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, meermalen gepleegd.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht. Verdachte heeft naar het oordeel van de verdediging gehandeld onder grote druk en zag geen andere uitweg dan het doen van een valse aangifte.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de verdediging op psychische overmacht niet kan slagen. Op basis van het dossier en de verklaring van verdachte, is niet gebleken van een van buiten komende dwang waaraan verdachte geen weerstand kon of behoorde te bieden en waardoor hij redelijkerwijs niet anders kon handelen dan hij deed. Verdachte had immers een alternatief, namelijk gewoon de waarheid vertellen en heeft er meerdere keren bewust voor gekozen om een valse (aanvullende) aangifte te doen. Dat verdachte het moeilijk vond om de waarheid te vertellen omdat hij zich schaamde tegenover zijn familie is onvoldoende om een beroep op psychische overmacht te onderbouwen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft uit louter financiële overwegingen ingestemd met een plan om op een niet legale manier gemakkelijk aan veel geld te komen. Uiteindelijk is het verdachte zelf geweest die is opgelicht. Verdachte heeft er vervolgens voor gekozen om niet de waarheid te vertellen en een valse aangifte te doen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het politieapparaat onnodig in werking heeft gezet door het plegen van het genoemde strafbare feit.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- het strafblad van verdachte d.d. 30 september 2010 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten;

- het reclasseringsrapport d.d. 19 oktober 2010, opgemaakt door M. van der Horst, reclasseringswerker, waaruit volgt dat men het recidiverisico als laag inschat. Voorts acht de reclassering geen indicatie aanwezig voor het opleggen van verplicht reclasseringscontact.

De rechtbank houdt voorts rekening met de wat naïeve persoonlijkheid van verdachte en met de financiële schade die verdachte zelf heeft geleden.

De rechtbank acht gelet op de aard en ernst van het feit een geheel voorwaardelijke (werk)straf niet passend.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde werkstraf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

6 De benadeelde partij

De Politie Regio Utrecht, district Rijn en Venen heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 11.664,00. De gevorderde schadevergoeding heeft betrekking op door de politie bestede werkuren aan de aangifte van verdachte welke aangifte achteraf bezien vals bleek te zijn, omdat de door de verdachte gestelde feiten en omstandigheden nooit hadden plaatsgevonden. De officier van justitie en verdachte hebben de rechtbank verzoek deze vordering niet-ontvankelijk te verkaren

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering het navolgende. Art. 51a, eerste lid, Sv bepaalt: "Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces." De vraag rijst wat onder het begrip rechtstreekse schade in art. 51a, eerste lid, Sv dient te worden verstaan. De in art, 51a, eerste lid, Sv bedoelde vordering is een civiele vordering uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) die wordt beheerst door de regels van het materiële burgerlijke recht. Een van deze regels is neergelegd in art. 6:163 BW waarin wordt bepaald: "Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden."

De in dit geval geschonden norm van artikel 188 Sr. strekt weliswaar tot bescherming tegen het gevaar voor misleiding van politie en justitie, maar niet zonder meer tot bescherming tegen de kosten die daaruit voortvloeien. De door de politie in het kader van strafvordering verrichte werkzaamheden maken immers deel uit van de uitvoering van de wettelijke taak van de politie. Een dergelijke overheidstaak dient in beginsel uit de algemene middelen betaald te worden. Nu dergelijke kosten evenmin in rekening plegen te worden gebracht aan plegers van een strafbaar feit, valt zonder expliciete wettelijk grondslag, niet zonder meer in te zien waarom deze kosten op de voet van artikel 51a Sv wel zouden kunnen worden verhaald op degene die een valse aangifte indient. Daar komt bij dat het in beginsel aan de politie is om, op basis van een prioriteitstelling, te bepalen of, in hoeverre en welke opsporingsmiddelen worden ingezet. Dit maakt dat de kosten van het opsporingsonderzoek een rechtstreeks causaal verband tussen de kosten van het politieonderzoek en de valse aangifte niet zonder meer gegeven is.

Het vorenstaande is voor de rechtbank reden de Politie Regio Utrecht, district Rijn en Venen niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 188 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is,

meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij Politie Regio Utrecht, district Rijn en Venen niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. Z.J. Oosting, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 november 2010.