Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9403

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
30-12-2010
Zaaknummer
16-600577-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennephandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16.600577-07 en 16.712223-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1946] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres],

raadsman mr. Y. Quint, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1. Onderzoek van de zaak

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 en 14 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking in de zaak met parketnummer 16/600577-07 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in hennep heeft gehandeld, dan wel hennep voorhanden heeft gehad, meer in het bijzonder gaat het om partijen van 62 kilogram en 7 kilogram

2. ongeveer 374 gram hasj heeft vervoerd, dan wel voorhanden gehad

3. ongeveer 1200 hennepplanten heeft verhandeld, dan wel voorhanden gehad

De verdenking in de zaak met parketnummer 16/712223-08 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ongeveer 2400 hennepplanten heeft verhandeld, dan wel voorhanden gehad

3. De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bekennende verklaringen van verdachte, de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten, observaties waarin de personenauto van verdachte is gesignaleerd en de vondst van 2400 hennepstekken in de auto.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Het onderzoek [naam]

Door de politie is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen een aantal personen waartegen de verdenking bestond dat deze betrokken waren bij grootschalige hennephandel en/of witwassen in Amersfoort en omgeving. Er zijn telefoongesprekken van verdachten afgeluisterd en observaties door camera’s en teams gemaakt. Hieruit kwam naar voren dat deze handel zich concentreerde rond growshop ‘[bedrijf 1]’ gevestigd aan de [adres] te Amersfoort en rond een woning aan de [adres] te Amersfoort. Op 8 mei 2007 heeft op deze locaties een doorzoeking plaatsgevonden waarbij onder meer hennep is aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘[naam]’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 21 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangeven over welk strafbaar feit of welke strafbare feiten wordt gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen ervan worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In zaakdossier 2 is gerelateerd over de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij op 17 april 2007 een partij van 62 kilogram en een partij van 7 kilogram hennep heeft verkocht dan wel vervoerd en afgeleverd aan medeverdachten.

In zaaksdossier 20 is gerelateerd over de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij op 22 mei 2007 een 374 gram hennep heeft vervoerd.

In zaaksdossier 5 is gerelateerd over de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij op 6 april 2007 1200 hennepplanten heeft vervoerd, afgeleverd en/of verstrekt aan medeverdachte [medeverdachte].

Ten overstaan van de politie heeft verdachte bekend dat hij op 17 april 2007 een partij van 7 kilogram hennep heeft vervoerd en afgeleverd aan mensen in Herpen. Verder heeft hij verklaard dat hij een stukje hasj in het dashboardkastje van zijn op 22 mei 2007 inbeslaggenomen auto had liggen. Verdachte heeft ook verklaard -na confrontatie met een afgeluisterd telefoongesprek- dat de 12 kleintjes waar hij het in dat gesprek over heeft stekjes betreffen.

Behalve in deze bekennende verklaring van verdachte vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewijs voor haar oordeel dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd in de volgende bewijsmiddelen:

Op 16 april 2007 om 11.01 uur belt verdachte met [medeverdachte]. Verdachte vraagt of [medeverdachte] nog ‘nat’ kan hebben en op de vraag van [medeverdachte] hoeveel het ongeveer is, verklaart verdachte dat het tussen de 15 en 100 is en dat hij zat kan krijgen. Om 14.15 uur belt [medeverdachte] hem terug en zegt hem dat hij wat kan doen, de hele week door voor zeven en verdachte verklaart dat dit goed is. Om 16.54 uur belt [medeverdachte] nog een keer en vraagt of verdachte al een tijd heeft en hoeveel het ongeveer is. Verdachte verklaart dan: “vijftig ofzo.” Een dag later belt verdachte naar [medeverdachte] en vraagt hem of hij gisteren zeveneneenhalf of zeven had gezegd. [medeverdachte] antwoordt dan zevenhonderd. [medeverdachte] verklaart dat hij vierentwintighalf beurt voor als het klaar is en verdachte reageert door te zeggen dat hij zeveneneenhalf voor die natte wil en dat hij er misschien ook nog 6 gelderse blaren bij wil doen. [medeverdachte] en verdachte worden het eens over zeven en een kwart en als [medeverdachte] vraagt hoeveel hij heeft zegt verdachte dat hij er wel een vijftig kan hebben ofzo.

Uit dit gesprek leidt de rechtbank af dat er tussen verdachte en [verdachte] een kiloprijs wordt afgesproken van € 725,-- voor een kilo natte hennep.

Om 15.06 belt verdachte om te zeggen dat van die zes, zeven gemaakt moet worden. [medeverdachte] vindt dat goed. Om 17.54 uur wordt [medeverdachte] gebeld door verdachte die zegt dat het 45 120 wordt en [medeverdachte] zegt dat dat goed is. Om 19.17 uur zien leden van het observatieteam een grijze personenauto, merk Peugeot, in gebruik bij verdachte bij de growshop [bedrijf 1] staan en ze zien dat er meerdere tassen uit de kofferbak worden gehaald en in de growshop worden gebracht. Voorts zien ze dat er een blauwwit geblokte tas in de kofferbak wordt geplaatst. Om 21.11 uur zien ze, kort nadat verdachte bij zijn woning in Herpen is gearriveerd, dat er een Volkswagen Passat arriveert en dat deze blauwwit geblokte tas in de kofferbak van die Passat wordt gezet. Wanneer om 21.45 uur deze Volkswagen Passat wordt aangehouden, blijkt de blauwwitgeblokte tas in de kofferbak 7 kilogram droge hennep te bevatten.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte op 17 april 2007 7 kilogram droge hennep heeft opgehaald bij de growshop van [medeverdachte] in Amersfoort en dat hij deze hoeveelheid heeft vervoerd en afgeleverd in zijn woonplaats Herpen. Ook leidt de rechtbank uit de inhoud van de hiervoor genoemde telefoongesprekken af dat [medeverdachte] € 45.120,-- heeft moeten betalen voor de door verdachte geleverde natte hennep en gelet op het feit dat de tussen [medeverdachte] en verdachte afgesproken prijs € 725,-- per kilo bedroeg, moet verdachte die dag een hoeveelheid van ongeveer 62 kilogram natte hennep hebben verkocht, vervoerd en aan [medeverdachte] afgeleverd.

De personenauto van verdachte, die op 22 mei 2007 in beslag wordt genomen, wordt op 23

mei 2007 doorzocht. Bij deze doorzoeking worden in het handschoenenkastje twee brokjes van een bruinachtige substantie aangetroffen. Nader onderzoek wijst uit dat het gewicht van de blokjes 109 gram respectievelijk 265 gram bedraagt en dat de test een positieve score opleverde op cannabis, danwel hashish. Hieruit blijkt dat verdachte op 22 mei 2007 een hoeveelheid van 374 gram hashish heeft vervoerd.

Op 5 april 2007 belt de gebruiker van telefoonnummer 06-22774047, waarvan uit het onderzoek blijkt dat dit verdachte betreft , met [medeverdachte] en vraagt hem of hij de volgende dag die kleintjes heeft en dat het er precies 12 moeten zijn. Een minuut later belt [medeverdachte] naar [betrokkene 1] om te zeggen dat hij er 1200 wil voor morgenochtend en dat [betrokkene 1] alles op alles moet zetten. Op 6 april 2007 wordt door leden van het observatieteam gezien dat er rond 9.28 uur een bestelbus arriveert bij de growshop [bedrijf 1] te Amersfoort en dat er dozen worden uitgeladen. Om 10.56 uur zien de verbalisanten een persoon -die later als verdachte wordt geïdentificeerd- arriveren, vervolgens zien ze dat er 15 dozen in zijn auto worden geplaatst en kort daarna dat de auto is vertrokken.

De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat verdachte op 6 april 2007 in Amersfoort 1200 hennepstekken heeft vervoerd. Niet bewezen acht de rechtbank dat hij dat tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedaan.

4.3.2. Het onderzoek IJssel

Naar aanleiding van CIE-informatie met betrekking tot handel in verdovende middelen door de eigenaar en medewerkers van growshop “[bedrijf 2]” werd in januari 2008 door de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Gedurende dit onderzoek ontstond het vermoeden dat er sprake was van een criminele organisatie die, met genoemde growshop als centraal middelpunt, zich bezig hield met georganiseerde en professionele hennepteelt. Op 25 november 2008 werden in diverse woningen van verdachten en in de growshop doorzoekingen verricht, waarbij onder meer op verschillende plekken hennepresten, grote geldbedragen, agro-artikelen en hennepkwekerijen werden aangetroffen. Dit onderzoek, dat de naam ‘IJssel’ heeft gekregen, heeft geleid tot een einddossier waarin de onderzoeksbevindingen van de politie Utrecht in 18 onderscheiden zaakdossiers zijn neergelegd. Per zaakdossier is aangeven over welk strafbaar feit of welke strafbare feiten wordt gerelateerd, wanneer die zouden zijn gepleegd en welke personen ervan worden verdacht daarbij betrokken te zijn.

In zaakdossier 8 is gerelateerd over de verdenking jegens verdachte zoals hem ten laste is gelegd, dat hij op 24 november 2008 een partij van 2400 hennepstekken heeft verkocht en geleverd aan medeverdachten.

Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij 16 dozen met 150 hennepstekken per doos heeft verkocht voor € 1,25 per stuk en dat hij deze heeft afgeleverd bij de MacDonalds in Nieuwegein aan [betrokkene 2].

Behalve in deze bekennende verklaring van verdachte vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewijs voor haar oordeel dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd in de volgende bewijsmiddelen:

Op 20 november 2008 belt [betrokkene 2] om 12:56 uur naar de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer], waarvan uit onderzoek blijkt dat dit het nummer van verdachte is, en vraagt hem of alles een mogelijkheid is. Verdachte antwoordt daarop dat dat niet kan maar wel iedere week 5 of 6000. Om 13.04 uur belt [betrokkene 2] opnieuw naar verdachte en vraagt hem of die 5 per volgende week in kan gaan. Verdachte verklaart dat dit kan en dat hij ze ook in 2 keer kan brengen en dat [betrokkene 2] maandag al de helft kan krijgen. Op 24 november 2008 om 10:52 uur belt verdachte naar [betrokkene 2] en vraagt waar hij heen moet komen. Ze spreken af bij de Mac Donalds. Diezelfde dag om 11.11 uur neemt het politieobservatieteam waar dat verdachte en [betrokkene 2] bij de Mac Donalds te Nieuwegein een aantal dozen uit de auto van verdachte halen en deze inladen in de auto van [betrokkene 2]. Wanneer korte tijd later de auto van [betrokkene 2] in beslag wordt genomen door de politie wordt in het voertuig een partij van 2400 hennepstekken aangetroffen.

Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op 24 november 2008 te Nieuwegein 2400 hennepstekken heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd. Niet bewezen acht de rechtbank dat hij dat tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gedaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 16.600577-07

1.

op (verschillende tijdstippen op) 17 april 2007 te Amersfoort en/of te Herpen (telkens) opzettelijk

- heeft verkocht en vervoerd en afgeleverd ( een hoeveelheid van ongeveer) 62 kilo van

een materiaal bevattende hennep en

- heeft vervoerd en afgeleverd (een hoeveelheid van ongeveer) 7 kilo van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op 22 mei 2007 te Amersfoort opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 374 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op 06 april 2007 te Amersfoort opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 1200 hennepplanten (stekken), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Parketnummer 16.712223-08

op 24 november 2008 te Nieuwegein opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een grote hoeveelheid van ongeveer 2400 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Parketnummer 16.600577-07 feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Parketnummer 16.600577-07 feit 2 en 3 en parketnummer 16.712223-08 (telkens):

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht –en rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn in de zaken met parketnummer 16.600577-07- gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden alsmede een geldboete van € 9.000,--.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat dit gelet op de ernst van de feiten niet noodzakelijk is en verdachte in een slechte gezondheidstoestand verkeert. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de geldboete.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Hierbij ging het om hoeveelheden softdrugs, die op grote schaal en op professionele wijze werden verhandeld. Met deze handel zijn forse geldbedragen gemoeid en ook de verdiensten die uit deze handel worden verkregen zijn groot. Deze handel is een onderdeel van de keten die het gebruik van softdrugs faciliteert. Een keten die uit is gegroeid tot een aanzienlijke organisatie en die veelal gepaard gaat met het plegen van andere strafbare feiten en die onrust veroorzaakt in de samenleving.

Gelet op de omvang van deze handel en het aandeel van verdachte hierin is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van enige duur op zijn plaats is.

Daar staat evenwel tegenover dat de redelijke termijn fors is overschreden. De bewezenverklaarde feiten uit het [naam]onderzoek dateren uit het begin van 2007 terwijl de eerste terechtzitting pas op 29 maart 2010 heeft plaatsgehad. De rechtbank acht deze overschrijding dermate ernstig - te meer nu van de zijde van het openbaar ministerie niet duidelijk is geworden waarom de vervolging zo lang op zich heeft laten wachten- dat zij voor enkel de strafbare feiten uit het [naam]onderzoek geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou willen opleggen.

Uit het onderzoek IJssel blijkt echter dat verdachte, nadat hij was aangehouden en enkele dagen in voorarrest heeft gezeten vanwege genoemde strafbare feiten uit het onderzoek [naam], zich daarna opnieuw heeft bezig gehouden met de handel in hennep en een grote hoeveelheid hennepstekken heeft verkocht en afgeleverd.

De rechtbank neemt bovendien bij het bepalen van de strafmaat in ogenschouw het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte al eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 10 februari 2005 en dat,nog geen vijf jaren verlopen zijn sinds de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan (namelijk op 11 april 2006).

Tenslotte houdt de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het wetboek van strafrecht rekening met de omstandigheid, dat verdachte op 26 juli 2007 en op 17 december 2007 door de kantonrechter is veroordeeld en nu schuldig wordt verklaard aan een misdrijf voor de hierboven genoemde datum gepleegd.

Dit alles maakt dat de rechtbank in het geval van verdachte toch een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden noodzakelijk acht, met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast zal zij verdachte een geldboete opleggen. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie naast een geldboete ook een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ingediend ter hoogte van € 4.000,-- en dat deze vordering door de rechtbank -bij afzonderlijke beslissing- is toegewezen. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding de geldboete te matigen tot een bedrag van € 4.000,--, bij niet betaling te vervangen door 50 dagen hechtenis.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 23, 24, 24c, en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 16.600577-07 feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Parketnummer 16.600577-07 feit 2 en 3 en parketnummer 16.712223-08

(telkens):

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 4.000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, en mr. J.P. Killian en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 oktober 2010.