Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO8483

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-12-2010
Datum publicatie
24-12-2010
Zaaknummer
SBR 10-2812 en SBR 10-2819
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU3758, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Projectbesluit "Herenweg 71-73 Vinkeveen" voor vergroten en veranderen van een winkelruimte ten behoeve van een supermarkt. Voldoende ruimtelijke onderbouwing. Strijdigheid met het bestemmingsplan is door projectbesluit opgeheven. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/2812 en SBR 10/2819

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

1. de stichting Stichting Pensioenfonds Wonen, gevestigd te De Meern, eiseres,

gemachtigde: mr. F. Spijker, advocaat te Amsterdam,

2. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

Vinkeveen Supermarkt B.V., gevestigd te Vinkeveen, en

Super de Boer Winkels B.V., gevestigd te Veghel, eiseressen,

gemachtigde: mr. V.J. Leijh, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder,

gemachtigden: mr. A. de Vink en N.J.M. Röling, beiden werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 6 juli 2010 heeft verweerder op grond van artikel 3:10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) het projectbesluit “Herenweg 71-73 Vinkeveen” genomen voor het vergroten en veranderen van een winkelruimte ten behoeve van een supermarkt en het ontsluiten en loskoppelen van de winkel van twee bovenwoningen op het perceel Herenweg 71-73 te Vinkeveen en aan [A] (hierna: de vergunninghouder) een bouwvergunning eerste fase verleend.

Verweerder heeft aan het besluit de voorwaarden verbonden dat op het terrein van de supermarkt langs de Kerklaan twaalf parkeerplaatsen worden aangelegd en op het naastgelegen terrein aan de Herenweg 75 zes parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarbij heeft verweerder ontheffing verleend voor de parkeerplaatsen op het perceel Herenweg 75 ingevolge artikel 11 van de Woningwet, in samenhang met artikel 2.5.30, vierde lid, onder b van de Bouwverordening.

1.2 Het tegen genoemd besluit door eiseres sub 1 ingestelde beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder SBR 10/2812. Het door eiseressen sub 2 ingestelde beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder SBR 10/2819.

1.3 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 15 november 2010, waar namens

eisers is verschenen mr. V.J. Leijh. Namens Vinkeveen Supermarkt B.V. is verder verschenen de statutair directeur [B]. Met eiseressen sub 2 is ook meegekomen ing. [C], werkzaam bij Arthic Verkeer. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden. Voorts is ter zitting verschenen de vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde

mr. G.H.J. Heutink, advocaat te Amsterdam. Tevens is verschenen [D], huurder van de Albert Heijn (AH) franchise supermarkt. Partijen hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Het bouwplan ziet op het vergroten en veranderen van de bestaande panden aan de

Herenweg 71-73 waarbij de panden met de achtererfbebouwing worden samengevoegd. Op de begane grond wordt 823 m² winkelruimte gerealiseerd en een opslagruimte van 43 m². Op de verdieping worden twee appartementen gerealiseerd die over een eigen opgang beschikken, alsmede een kantine van 100 m². Het bouwplan gaat uit van een renovatie en interne verbouwing alsmede van de realisatie van een trappenhuis aan de zuidgevel en een entreepartij aan de voorgevel.

Het project is op 1 november 2010 casco aan Albert Heijn geleverd. Met ingang van 1 februari 2011 zal in de winkelruimte een Albert Heijn supermarkt worden geëxploiteerd.

2.2 Eiseres sub 1 is eigenaar en verhuurder van het winkelcentrum Zuiderwaard. Zij

verhuurt onder meer winkelruimte aan eiseressen sub 2 ten behoeve van een Super de Boer vestiging.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.3 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is onder meer degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen.

Niet in geschil is dat eiseressen sub 2 en de in het bouwplan beoogde supermarkt in hetzelfde marktsegment werkzaam zijn en een grotendeels elkaar overlappend assortiment hebben. Voorts is aannemelijk dat de beide supermarkten in hetzelfde verzorgingsgebied werkzaam zijn en zich tot dezelfde klantenkring richten. Daarmee is het belang van eiseressen sub 2 als directe concurrenten rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit, zodat zij naar het oordeel van de rechtbank als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij dat besluit kunnen worden aangemerkt.

2.4 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding vergunninghouder te volgen in het betoog dat de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) en artikel 1.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met zich brengen dat eiseressen sub 2 niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. In artikel 1:2 van de Awb is een nationaalrechtelijk ontvankelijkheidvereiste neergelegd waarvan niet valt in te zien dat deze in strijd komt met de Dienstenrichtlijn en de implementatie daarvan. Dat argumenten van concurrentiebeperking in het geheel geen rol meer mogen spelen bij het stellen van eisen aan de vestiging van detailhandel en dat bij individuele besluitvorming de gevolgen voor concurrenten niet mogen worden meegewogen, zoals door vergunninghouder wordt betoogd onder verwijzing naar de Dienstenrichtlijn en het Bro, speelt – wat er van de juistheid van deze stelling ook zij – hooguit een rol bij de inhoudelijke besluitvorming en de omvang van een eventuele belangenafweging in het kader daarvan. Voor de vraag of aan een concurrent met een bij het bestreden besluit rechtstreeks betrokken belang naar nationaal recht bestuursrechtelijke rechtsbescherming toekomt, heeft dit betoog geen relevantie. Ook niet wanneer dat belang of het opkomen ervoor uitsluitend economische motieven kent.

Ook het betoog van vergunninghouder dat de in de in Crisis- en herstelwet opgenomen relativiteitseis aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg dient te staan faalt, reeds omdat die wet op het onderhavige besluit niet van toepassing is.

2.5 In haar hoedanigheid van eigenaar en verhuurder van winkelruimte in het winkelcentrum Zuiderwaard, van onder meer de daar gevestigde supermarkt, moet ten aanzien van eiseres sub 1 echter worden geoordeeld dat zij niet wordt geraakt in een belang dat rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Haar belang is afgeleid van de (concurrentie)belangen van haar huurders en daarmee onvoldoende rechtstreeks en concreet. Zij is dan ook niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en haar beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

De beroepsprocedure SBR 10/2819

2.6 De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden ziet om vergunninghouder te volgen in diens stelling dat één of meerdere beroepsgronden van eiseressen sub 2 (verder: eiseressen) met toepassing van artikel 6:13 van de Awb buiten bespreking dienen te worden gelaten. Dit artikel staat immers alleen in de weg aan het opvoeren van beroepsgronden die als zodanig in de zienswijzen niet waren opgenomen (nog daargelaten of daar hier sprake van is) wanneer deze gronden zich richten tegen besluitonderdelen die in die bestuurlijke fase niet aan de orde zijn gesteld. Daarvan is hier geen sprake.

2.7 Het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen in een gebied waarvoor het bestemmingsplan “Vinkeveen Zuid” geldt. Niet in geschil is dat het bouwplan op onderdelen in strijd is met dit bestemmingsplan. Op grond van artikel 46, derde lid, van de Woningwet is de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een verzoek tot het nemen van een projectbesluit.

2.8 Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder projectbesluit verstaan: een besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het tweede lid bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project. Ingevolge artikel 3.10, vierde lid, van de Wro kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

De bevoegdheid tot nemen van projectbesluit heeft de raad gedelegeerd aan het college.

De bevoegdheid om een projectbesluit te nemen kan, gelet op artikel 3.10, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, slechts worden aangewend voor het verwezenlijken van een project. Het projectbesluit heeft, gelet op artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, alleen tot gevolg dat voor het desbetreffende project het geldende bestemmingsplan opzij wordt gezet.

2.9 Het betoog van eiseressen dat verweerder reeds op 10 september 2009 het besluit had genomen de bouwvergunning en het nemen van een projectbesluit te weigeren en dat daarmee de bevoegdheid van verweerder om over het projectbesluit te beslissen, is vervallen, faalt. Zoals uit de stukken onmiskenbaar blijkt, is geen sprake van een op 10 september 2009 door verweerder op de aanvraag van eiser – overeenkomstig de voorgeschreven procedure – genomen besluit maar van een op schrift gesteld, aan de gemeenteraad gericht standpunt over de destijds door verweerder wenselijke geachte beslissing op deze aanvraag in het kader van de politiek/bestuurlijke afstemming over dit project. Er kan bovendien geen sprake van zijn dat eiseressen aan dit stuk een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat projectbesluit en bouwvergunning zouden worden geweigerd.

2.10 Eiseressen hebben zich op het standpunt gesteld dat het projectbesluit geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat. In dat kader hebben zij er in de eerste plaats op gewezen dat de vestiging van een (full-service) supermarkt op deze locatie in strijd is met het gemeentelijk beleid, zoals dat uit verschillende beleidsstukken blijkt. Zij betogen dat de Structuurvisie Centrum Vinkeveen, de Detailhandelstructuurvisie De Ronde Venen en ook de Woon/wijkvisie Zuiderwaard 2006, in onderlinge samenhang bezien, aan het verlenen van het projectbesluit in de weg staan. Verder hebben zij betoogd dat een aantal noodzakelijke onderzoeken niet zijn uitgevoerd, dat ten onrechte niet alle vormen van detailhandel in de ruimtelijke onderbouwing zijn betrokken, en dat in de ruimtelijke onderbouwing parkeer- en verkeerproblemen zijn miskend.

2.11 De rechtbank ziet zich dus geplaatst voor de vraag of de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit voldoet aan artikel 3.10 van de Wro, zodat verweerder in dit geval gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om het projectbesluit te nemen.

2.12 De beroepsgrond dat in de ruimtelijke onderbouwing is miskend dat vestiging van een supermarkt op deze locatie in strijd is met gemeentelijk beleid, faalt.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat op grond van een tweetal uitgevoerde distributieplanologische onderzoeken in beroep niet (langer) in geschil is dat door realisering van het onderhavige bouwplan niet voor duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau behoeft te worden gevreesd. Voor het meewegen van economische argumenten is, gelet op vaste jurisprudentie van de ABRvS, bij planologische besluitvorming als de onderhavige geen ruimte. Derhalve is relevant de vraag of de door eiseressen genoemde beleidsstukken ruimtelijk relevante aanknopingspunten bieden, op grond waarvan kan worden volgehouden dat een supermarkt aan de Herenweg in strijd is met het gemeentelijke beleid.

2.13 Eiseressen hebben er in dit kader op gewezen dat zowel de Detailhandelstructuurvisie De Ronde Venen van MKB Reva (november 2006) en de Structuurvisie Centrum Vinkeveen (augustus 2007), onderstrepen dat de winkels langs de Herenweg complementair zijn aan het winkelcentrum Zuiderwaard, omdat Vinkeveen te klein is voor twee centra voor dagelijkse boodschappen. Een supermarkt aan de Herenweg is niet wenselijk, zo staat in de Detailhandelstructuurvisie, omdat dit het functioneren van winkelcentrum Zuiderwaard zal ondermijnen. Ook zijn, blijkens de Structuurvisie, voor uitbreiding van de winkelfunctie op de Herenweg de beperkte fysieke ruimte, bereikbaarheid en parkeren mogelijk een beperking.

2.14 De rechtbank is van oordeel dat uit het gegeven dat de Herenweg complementair wordt geacht aan Zuiderwaard niet kan worden afgeleid dat aan de Herenweg helemaal geen plaats is voor (nieuwe) detailhandel, meer in het bijzonder voor een tweede supermarkt.

In de ruimtelijke onderbouwing is op alle door eiseressen genoemde (beleids)stukken inhoudelijk ingegaan. Daarbij is onderkend dat de winkels aan de Herenweg een complementaire positie innemen ten opzichte van winkelcentrum Zuiderwaard. Met de thans in dit project voorziene supermarkt van 825 m² wordt dit volgens verweerder echter niet anders, omdat door de relatief kleine omvang van de supermarkt geen tweede boodschappencentrum zal ontstaan. Verder is gemotiveerd ingegaan op de ruimtelijke relevantie van de winkelstructuur die ook aan de Herenweg wordt toegedicht in de diverse visies en de noodzaak van een kwalitatieve opwaardering hiervan, waarin dit project past.

Dat in de Structuurvisie Centrum Vinkeveen rekening wordt gehouden met ruimtelijke beperkingen van de Herenweg voor uitbreiding van de detailhandelsfunctie, betekent evenmin dat uitbreiding of vestiging van detailhandel hier niet wordt voorgestaan. Integendeel, uitgangspunt is, gegeven de genoemde beperkingen, een faciliterende houding waar het uitbreiding van de winkelfunctie betreft alsmede het streven naar een kwaliteitsimpuls van de winkels aan het lint (waaronder de Herenweg valt).

2.15 Eiseressen hebben geen andere, ruimtelijk relevante argumenten aangedragen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de komst van de beoogde supermarkt met gemeentelijk beleid in strijd is. Aan passages in de Detailhandelstructuurvisie De Ronde Venen of de Structuurvisie Centrum Vinkeveen waarin wordt gerept van “niet met Zuiderwaard conflicterende winkels en/of branches”, van “verzwakking van het detailhandelsaanbod”, van “ondermijning van Zuiderwaard” en “ontwrichting van de detailhandelsstructuur”, kan geen betekenis toekomen gelet op hetgeen hierover in 2.12 is overwogen. Nu duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau niet valt te verwachten omdat – kort gezegd – in Vinkeveen uit distributieplanologisch opzicht nog voldoende ruimte is voor een fullservice supermarkt van de hier beoogde omvang, heeft verweerder aan dergelijke passages in de ruimtelijke onderbouwing terecht geen doorslaggevende betekenis gehecht.

De ruimtelijke onderbouwing is op dit onderdeel derhalve toereikend.

2.16 Eiseressen hebben zich verder op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen verkennend bodemonderzoek en geen verkennend ecologieonderzoek is uitgevoerd. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de ABRvS dient dergelijk onderzoek te worden uitgevoerd omdat het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd, omdat de leegstandsituatie wordt gewijzigd naar gebruik voor detailhandel en wonen.

2.17 Ook deze beroepsgrond faalt. Zoals verweerder heeft toegelicht, betreft het de renovatie, verbouwingen en ondergeschikte uitbreiding van twee binnen de bebouwde kom gelegen, reeds lang bestaande winkelpanden. Het betreft een beperkte uitbreiding van de bebouwing door middel van een entree met een oppervlakte van 20 m² en een trappenhuis. Deze uitbreiding vindt plaats op bestaand verhard terrein dat al bij de winkels hoorde en in het verleden werd gebruikt voor bevoorrading. Het gebruik van de panden voor detailhandel en wonen wijzigt niet, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de bodem geschikt is voor de voortzetting van de huidige functie. Een bodemonderzoek was daarvoor niet noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor een verkennend ecologieonderzoek. Gelet op de aard van het bouwplan en op de locatie ervan heeft verweerder ook daarvan kunnen afzien. Er was geen aanleiding te vermoeden dat een dergelijk onderzoek aanwijzingen zou kunnen opleveren dat de Flora- en Faunawet aan uitvoering van het bouwplan in de weg zou staan. Het enkele gegeven dat de panden een tijd hebben leeggestaan is daarvoor onvoldoende. Concrete aanwijzingen voor het tegendeel hebben eiseressen niet verschaft. Eiseressen hebben volstaan met de enkele stelling dat de aanwezigheid van beschermde vogels of vleermuizen niet kan worden uitgesloten.

2.18 Eiseressen hebben voorts aangevoerd dat in onderhavige situatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd had moeten worden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een dergelijk onderzoek ter zake van dit project achterwege heeft kunnen blijven. Van strijd met artikel 77 van de Wet geluidhinder is geen sprake.

2.19 Eiseressen hebben voorts ter onderbouwing van hun standpunt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing betoogd dat ten onrechte geen verkeersonderzoek is uitgevoerd, dat uit in hun opdracht uitgevoerde verkeersonderzoeken is gebleken dat er onvoldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd en dat er een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. Zij wijzen daarbij specifiek op verkeersonderzoeken van Arthic Verkeer van 20 augustus 2010 en van Royal Haskoning van 20 november 2009. Uit die onderzoeken blijkt onder meer dat het bouwplan een parkeerbehoefte genereert van 41 parkeerplaatsen. Eiseressen stellen voorts onder verwijzing naar die verkeersonderzoeken dat er noodzaak is om bestaande tekorten te compenseren.

2.20 Uit de gedingstukken en de toelichting van partijen ter zitting blijkt dat er in de oorspronkelijke situatie geen specifieke parkeervoorzieningen waren aangelegd. Parkeren vond tot dusver plaats langs de Herenweg en op het eigen terrein aan de Kerklaan. Verder voorzagen parkeerplaatsen bij de kerk aan de overzijde in de behoefte.

Voor het bouwplan worden thans 18 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de supermarkt: op het terrein van de supermarkt zelf worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de zijde van de Kerklaan en worden er zes parkeerplaatsen gerealiseerd op het naastgelegen terrein aan de Herenweg 75. Voor deze zes parkeerplaatsen is ontheffing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening verleend, omdat zij niet op bij het bouwplan behorende terrein zijn voorzien, maar daarmee wel op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien.

2.21 Verweerder heeft voor de bepaling of het bouwplan aldus voorziet in voldoende parkeervoorzieningen de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan tot uitgangspunt genomen en daarbij reeds bestaande tekorten buiten beschouwing gelaten. Verweerder is er daarbij voor de berekening van uitgegaan dat de totale bruto vloeroppervlakte van de supermarkt 823 m² bedraagt, waarvan circa 600 m² al de functie winkelhuizen had en als zodanig werd gebruikt in de vorm van een supermarkt en een elektronicazaak. Door het bouwplan wijzigt het gebruik van circa 200 m² vloeroppervlakte in winkelruimte.

2.22 Gelet op vaste jurisprudentie van de ABRvS behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Uit de uitspraak van de ABRvS van 29 maart 2006, LJN AV7559 volgt dat dit bij, zoals in dit geval, vervangende nieuwbouw inhoudt dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is verweerder er terecht van uitgegaan dat geen sprake is van een totale functiewijziging. Voorheen was op dit perceel reeds sprake van detailhandel. Weliswaar is er een periode van leegstand geweest, nadat eerst de supermarkt en vervolgens de elektronicazaak zijn vertrokken, maar verweerder heeft terecht de leegstand niet als uitgangspunt voor zijn berekening van de parkeerbehoefte genomen. Er is immers sprake van een verbouwing om voortgezet gebruik mogelijk te maken. In die zin bestaat geen grond om voor de berekening van de parkeerbehoefte uit te gaan van de leegstand, maar dient uitsluitend uit worden gegaan van de toename ten gevolge van het realiseren van het bouwplan. Een bestaand tekort aan parkeerplaatsen blijft daarbij buiten beschouwing. Voor het bouwplan met betrekking tot de supermarkt dient derhalve slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding van de winkeloppervlakte met ruim 200 m².

Omdat er reeds twee woningen waren en in zoverre niets verandert, behoeft voor de woningen dus niet te worden uitgegaan van een toename van de parkeerbehoefte. Vast staat ook dat door realisering van het bouwplan geen bestaande parkeerplaatsen verloren gaan,die gecompenseerd zouden moeten worden.

2.23 Verweerder heeft zich bij zijn berekeningen gebaseerd op de parkeerkencijfers uit de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004) van het CROW. Daarbij is verweerder ervan uit gegaan dat de kern Vinkeveen de stedelijkheidsgraad “matig” heeft, gelet op de adressendichtheid van deze kern van circa 1100 per vierkante kilometer en de categorie-indeling die het CROW terzake in de parkeerkencijfers hanteert. Eiseressen hebben op grond van gegevens van het CBS indeling van Vinkeveen in de stedelijkheidsgraad “weinig stedelijk” bepleit. Zij hebben echter niet weersproken dat op basis van de feitelijke adressendichtheid en de door het CROW gehanteerde categorieën uitgegaan moet worden van de klasse “matig stedelijk” . Verweerder heeft daarvan dan ook mogen uitgaan. Hierbij hoort een parkeernorm van minimaal 2,5 en maximaal 4 parkeerplaatsen per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte (gemiddeld 3,3).

2.24 Voorts heeft verweerder ter zitting toegelicht waarom uitgegaan is van de minimale norm binnen de bandbreedte van 2,5 parkeerplaats en niet van de maximale of de gemiddelde norm. Daarbij heeft hij gemotiveerd het standpunt ingenomen dat een supermarkt op deze locatie een minder dan gemiddelde parkeerbehoefte heeft. Dit is onweersproken gebleven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding eiseressen te volgen in hun standpunt dat verweerder niet de ondergrens heeft mogen hanteren en minst genomen van de gemiddelde norm had moeten uitgaan. Zij hebben daarvoor geen aanknopingpunten aangereikt.

2.25 Hiervan uitgaande heeft verweerder aldus berekend dat tengevolge van het bouwplan dient te worden voorzien in 5 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in 18 plaatsen. Dit is ruimschoots voldoende. Gelet op deze marge, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven of in de berekening moet worden uitgegaan van de bruto vloeroppervlakte, al dan niet inclusief kantine en trappenhuis, dan wel van de verkoopvloeroppervlakte. Deze wijziging in uitgangspunten bij de berekening zou niet tot de conclusie leiden dat het bouwplan tekortschiet waar het het aantal vereiste parkeerplaatsen betreft. Dit geldt temeer nu ter zitting is gebleken dat vergunninghouder naast de genoemde 18 parkeerplaatsen nog 6 extra parkeerplaatsen gaat realiseren op het terrein waar hij aanvankelijk een coffeecorner zou oprichten.

Aan het betoog van eiseressen dat niet alle parkeerplaatsen even goed bruikbaar zijn, komt in dit licht dan ook geen doorslaggevende betekenis toe. Daarbij komt dat verweerder ter zitting heeft erkend dat mogelijk twee parkeerplaatsen moeilijker bruikbaar zijn, maar dat ze onbruikbaar zijn – zoals eiseressen betogen – is onvoldoende aannemelijk geworden. Onweersproken is gebleven de stelling van verweerder dat een dergelijke parkeersituatie niet ongebruikelijk is en bovendien op de Kerklaan, waar sprake is van een gelijksoortige parkeersituatie, tot dusver niet tot problemen heeft geleid. Voorts heeft verweerder voldoende toegelicht dat de afmetingen van de parkeerplaatsen voldoen aan de minimale eisen van de Bouwverordening. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseressen te volgen in hun stelling dat niet voldoende in parkeergelegenheid zou worden voorzien. Van een ondeugdelijke ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft dit aspect is dan ook niet gebleken. In zoverre treft de beroepsgrond van eiseressen dan ook geen doel.

2.26 Ten aanzien van het standpunt van eiseressen dat sprake is van een onveilige verkeerssituatie als gevolg van het laden en lossen voor de supermarkt, dat deels op het parkeerterrein plaatsvindt, stelt de rechtbank vast dat ter zitting vergunninghouder heeft bevestigd dat het laden en lossen geheel op eigen terrein gebeurt, zoals dat ook uit de stukken reeds blijkt. Er is dan ook geen noodzaak tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in de artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Verder is toegelicht dat het laden en lossen met name in de ochtenduren plaatsvindt en dat op die tijdstippen er geen grote parkeerdruk is. Eiseressen hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het laden en lossen tot gevaarlijke situaties zal gaan leiden dan wel dat door het laden en lossen te veel parkeerplekken onbruikbaar zijn.

2.27 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat hetgeen eiseressen hebben aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat aan het projectbesluit geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

2.28 Verder is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eiseressen stellen, het project voldoende concreet is omschreven, zodat niet kan worden gezegd dat dit project zich in de mate van concreetheid niet of onvoldoende onderscheidt van de normering die is neergelegd in een bestemmingsplan. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder gehouden was om de wenselijkheid van alle vormen van detailhandel te onderzoeken op deze projectlocatie, nog daargelaten of dit binnen het karakter van een projectbesluit zou passen.

2.29 Verweerder was dus bevoegd om het projectbesluit te nemen. Op grond van hetgeen in beroep is aangevoerd, kan niet worden volgehouden dat verweerder van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken.

De strijdigheid met het bestemmingsplan is door het projectbesluit opgeheven.

2.30 Eiseressen hebben nog betoogd dat verweerder de bouwvergunning eerste fase niettemin had behoren te weigeren wegens strijdigheid met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening van de gemeente De Ronde Venen. Ook dit betoog faalt. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het aspect parkeren is overwogen, is het belang bij aanwezigheid van voldoende parkeerruimte uitdrukkelijk en op genoegzame wijze meegewogen bij het nemen van het projectbesluit krachtens artikel 3.10, eerste lid, van de Wro. Daarmee heeft het belang voldoende regeling gevonden. Onder die omstandigheid brengt een redelijke toepassing van artikel 9 van de Woningwet, gelet op de aard van de in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro geregelde procedure, met zich dat het bepaalde in artikel 2.5.30 van de bouwverordening moet wijken voor hetgeen met het projectbesluit mogelijk wordt gemaakt. Bovendien heeft voor zover noodzakelijk expliciet een toepassing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening plaatsgevonden door het verlenen van de al genoemde ontheffing op de voet van het vierde lid van dit artikel.

2.31 Het betoog van eiseressen dat het laden en lossen onmogelijk geheel op eigen terrein kan plaatsvinden en dat een ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vijfde lid, van de Bouwverordening ontbreekt, faalt eveneens. Verwezen wordt naar hetgeen daarover hiervoor reeds is overwogen. Ook op dit punt is dus niet gebleken van strijdigheid met de bouwverordening.

2.32 Nu op grond van hetgeen in beroep is aangevoerd niet is gebleken van het bestaan van overige in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet genoemde weigeringsgronden en de strijd met het bestemmingsplan is opgeheven, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de bouwvergunning verleend.

2.33 Hetgeen eiseressen in beroep hebben aangevoerd, kan dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep van eiseressen verklaart de rechtbank dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van eiseressen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep van eiseres in de zaak met nummer SBR 10/2812 niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep van eiseressen in de zaak met nummer SBR 10/2819 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2010.

De griffier: De rechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. J.M. Willems

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.