Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO6823

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
16-710460-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 25 maanden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van verduistering en witwassen. Verdachte is voor een gedeelte van de verduistering vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710460-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1979] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsman mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

als medewerker van de [bedrijf 1] bank tezamen en in vereniging met een ander een groot geldbedrag van rekeninghouders van die bank heeft verduisterd en heeft witgewassen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de raadsman.

De raadsman heeft betoogd dat er bij de start van het vooronderzoek een vormfout is gemaakt. Een particulier onderzoeker van Veiligheidszaken van de [bedrijf 1] bank, de heer [betrokkene 1], zou bij aanvang van zijn onderzoek alleen [verdachte] als verdachte hebben aangemerkt zonder ook andere medewerkers als verdachte mee te nemen in het onderzoek. [betrokkene 1] heeft vervolgens verzuimd om [verdachte] voor aanvang van het horen de cautie te gegeven. Gelet hierop had de politie niet op basis van dit vooronderzoek door mogen gaan, hetgeen tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gesteld dat mocht het verzuim van de heer [betrokkene 2] om verdachte de cautie te geven al een vormverzuim zijn, dat dit dan niet aan het openbaar ministerie is toe te rekenen. Daarnaast is verdachte door dit vormverzuim niet in zijn belang geschaad. Het verzoek tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft op basis van het proces-verbaal van aanhouding geconstateerd dat de politie op basis van de aangifte van de [bedrijf 1], inclusief het vooronderzoek van [bedrijf 1], een eigen opsporingsonderzoek is gestart. De rechtbank heeft geconstateerd dat tijdens de aanhouding van verdachte op 25 mei 2010 door hoofdagent [verbalisant 1] de cautie aan verdachte is medegedeeld. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat de politie ook andere medewerkers, zoals de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3], kritisch heeft ondervraagd en heeft geconfronteerd met mogelijke tegenstrijdigheden tussen verklaringen van de medewerkers en gegevens die de politie tot haar beschikking had . Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een zo ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden, Het openbaar ministerie is aldus ter zake ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 en 2 heeft begaan. Hij baseert zich daarbij onder meer op het feit dat [medeverdachte] bij het overhevelen van rekeningen van derden naar zijn eigen rekeningen hulp van binnenuit moet hebben gehad. Voorts baseert de officier van justitie zich op de beschikking van de kantonrechter. De kantonrechter acht door de [bedrijf 1] bank bewezen dat verdachte op 23 april 2009 de overheveling van de contracten van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] heeft ingevoerd en de validatie ervan aan [betrokkene 2] heeft verzocht.

De officier van justitie baseert zich voorts op de getuigenverklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 2], [getuige] en [betrokkene 6] en op het onderzoek telecommunicatie.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen terzake feit 1 en 2 en wijst daarbij op het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman stelt dat het hele onderzoek van begin af aan ten onrechte alleen op zijn cliënt is gericht. Het enige harde bewijs, de lijsten van de bank, wijst niet op zijn cliënt als mogelijke dader, maar op andere medewerkers van de bank, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Hun verklaringen zijn daarom niet zonder meer betrouwbaar. Nader onderzoek ter ontlasting is niet verricht. Door geen nauwkeuriger onderzoek te verrichten naar telefoonverbindingen en door het verzuim van het veiligstellen van computers om schuld van buitenaf te onderzoeken is blijk gegeven van een tunnelvisie, aldus de raadsman. Gelet op de lange duur van de voorlopige hechtenis, wil hij zijn door de officier van justitie niet gehonoreerde verzoek om twee getuigen te horen niet herhalen bij de rechtbank. Met het horen van die getuigen zou volgens hem wel duidelijk worden dat de bank en de politie onvoldoende hebben gedaan om digitale sporen vast te stellen. Maar zijn pleidooi en de bijlage bij zijn pleitnota maken dit ook voldoende duidelijk, volgens de raadsman.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten voor een deel heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vaststaande feiten

Op 1 juli 2009 is er door [betrokkene 1] namens de [bedrijf 1] bank aangifte gedaan van verduistering.

Er zijn rekeningen van derden overgeheveld naar het rekeningcomplex van [medeverdachte].

Getuige [getuige], kantoordirecteur van de [bedrijf 1] bank verklaart over het overhevelen van rekeningen het volgende.

“Het is het overhevelen van contracten tussen klanten en de bank. Het contract van de ene klant wordt overgeheveld naar de andere klant. Ik spreek over contracten, omdat dat meerdere rekeningen kunnen zijn. Dit overhevelen vindt vaak plaats wanneer een enkele rekening over gaat naar een gezamenlijke rekening. In deze zaak gaat het over het overhevelen van accounts: alle rekeningen onder één klantnummer worden dan overgeheveld. Iedere klant heeft bij ons een eigen nummer.

Voor het overhevelen moet een nota gemaakt worden; die moet worden ondertekend door beide klanten. Vervolgens wordt in het systeem het cliëntnummer van de opdrachtgever ingevoerd en het cliëntnummer van de begunstigde ingevoerd. Daarmee vindt de overheveling plaats. Het invoeren van de overheveling moet vervolgens nog worden geautoriseerd. Als je het rekeningnummer overhevelt, gaat al het geld mee. Als de autorisatie plaats vindt, gaat het geld pas over. Overhevelen bestaat dus uit invoeren en autoriseren.

Als ik invoer, kan ik niet autoriseren. Elke medewerker heeft een gebruikerscode. Als ik heb ingevoerd, pakt het systeem niet een autorisatie op dezelfde gebruikerscode. Er moeten dus altijd twee medewerkers bij betrokken zijn met ieder zijn of haar eigen inlogcode.”

Op 20 juli 2010 is [medeverdachte] door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht veroordeeld voor (kort gezegd) het verduisteren en witwassen van een groot geldbedrag, gepleegd tezamen en in vereniging met een medewerker van de [bedrijf 1] bank.

Door de aangever, de [bedrijf 1] bank, is verdachte als medeverdachte van [medeverdachte] aangemerkt. Verdachte was ten tijde van de verduistering werkzaam bij de [bedrijf 1] bank aan de [adres] te Utrecht.

In het vonnis van [medeverdachte] d.d. 20 juli 2010 is door de rechtbank onder meer het volgende overwogen.

“Bij vier rekeninghouders van de [bedrijf 1] bank, te weten (de erfgenamen van) [betrokkene 7], [betrokkene 4], [betrokkene 8] en [betrokkene 5], is geld van hun rekening gehaald. De rekeningen van die vier rekeninghouders waren overgeheveld naar een andere rekeninghouder, te weten veroordeelde [medeverdachte]. Hierdoor kreeg [medeverdachte] toegang tot de betreffende rekeningen. Daarna zijn van de rekening van [medeverdachte] grote geldbedragen afgehaald. Dit alles heeft plaatsgevonden bij de [bedrijf 1] bank te Utrecht.

Eerst zijn twee rekeningen van rekeninghouder [betrokkene 8] overgeheveld naar [medeverdachte]. Vervolgens is op 30 maart 2009 middels een kasopname respectievelijk € 200.000,- en

€ 50.000,- van die rekeningen opgenomen op naam van [medeverdachte]. Verder is op 15 en 17 april 2009 telkens € 12.000,- overgeboekt van de rekeningen van [betrokkene 8] naar de rekening van [medeverdachte]. Daarnaast heeft [medeverdachte] op 15 april 2009 € 25.000,- opgenomen van die rekeningen en tot slot is van een van de rekeningen nog € 6.500,- overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte].

Verder is ook een rekening van rekeninghouder [betrokkene 7] overgeheveld onder het rekeningencomplex van [medeverdachte]. Op 20 april 2009 heeft [medeverdachte] middels een kasopname van die rekening € 200.000,- opgenomen. Voorts zijn op 23 april 2009 rekeningen van rekeninghouders [betrokkene 4] en [betrokkene 5] overgeheveld naar het rekeningencomplex van [medeverdachte]. Diezelfde dag is door [medeverdachte] middels een kasopname € 150.000,- van de rekening van [betrokkene 5] opgenomen. Middels internet overboekingen is verder respectievelijk

€ 20.000,- en € 141.000,- van de rekening van [betrokkene 4] overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte].

Uit de aangifte van de [bedrijf 1] bank blijkt voorts dat veelal de benodigde formulieren voor overheveling van de rekening niet in orde waren en dat de transacties vrijwel allemaal zijn uitgevoerd met behulp van één en dezelfde medewerker van de bank.

Voornoemde overhevelingen en transacties worden ondersteund door rekeningafschriften, overzichten van bij- en afschrijvingen van de betreffende rekeningen en bonnen van de kasopnames.”

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van bovenstaande vast dat [medeverdachte] hulp vanuit de [bedrijf 1] bank gehad heeft om de overhevelingen te kunnen laten plaatsvinden. De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de mogelijkheid van hacken van het systeem van [bedrijf 1] niet uitgesloten kan worden zonder nader onderzoek. De rechtbank heeft echter geen enkele aanwijzing in het dossier aangetroffen die in de richting van hacken wijst.

Daarentegen stelt de rechtbank vast dat uit de Report Viewing E-Archief lijsten van [bedrijf 1], hierna aangeduid als de lijsten, blijkt dat op 23 april 2009 op kantoor [adres] door [betrokkene 2] is ingelogd op een computer en dat op deze computer onder de code van medewerker [betrokkene 2] de overheveling van rekeningen van rekeninghouders [betrokkene 4] en [betrokkene 5] naar het rekeningencomplex van [medeverdachte] geautoriseerd is. Op 23 april 2009 is deze overheveling om 9.39 uur ingevoerd op een pc waarop door [betrokkene 3] is ingelogd. De invoer is dan ook feitelijk gedaan op de computer waar [betrokkene 3] is ingelogd.

Op grond hiervan kan overheveling door middel van hacken van het computersysteem van buitenaf redelijkerwijs worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt verder:

[betrokkene 3] verklaart over de invoer van de overheveling van de rekeningen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] op 23 april 2009 het volgende.

“Ik heb zelf geen overhevelingen gedaan. Het is wel op mijn pas gebeurd. In ieder geval is het op 23 april 2009 gebeurd. Het gebeurde wel eens dat anderen met mijn pas werkten.

Op 23 april 2009 kwam ik om half negen binnen. Het was heel rustig in de hal. Ik ben naar [betrokkene 6] gelopen en heb met haar een gesprekje gehad over iemand in haar familie die op het punt stond om te overlijden. Ik zat met haar in een spreekkamer. Ik zat op de punt van de tafel. De wanden in de bank zijn van glas; ik had dus zicht op de hal. Het bleef rustig in de hal. Ik keek af en toe in de hal. Ik moest de balie wel in de gaten houden want ik was receptionist. Ik draaide mijn hoofd steeds om te kijken. Ik heb in die tijd geen mensen aan de balie of in de hal zien staan. Ik heb de heer [verdachte] toen achter mijn computer gezien, terwijl hij even aan het typen was.

[code] is mijn pascode. Ik doe geen autorisaties van overhevelingen. Voor een overheveling moeten de oude klant en de nieuwe klant beiden een legitimatie tonen en tekenen voor overheveling. Ze moeten tekenen op een print die uit de computer rolt. Daarna loop je met die papieren naar een tweede persoon voor de autorisatie. Je hoort het in het systeem te registreren. De overeenkomst werd uitgeprint. Daarop moest worden getekend. Ik wist niet hoe het invoeren in het systeem werkte. Ik weet zeker dat ik een overheveling nooit heb ingevoerd.

Als een overheveling netjes gaat, dan blijven de klanten wachten tot er geautoriseerd is. Als er uren tussen zitten, dan is dat vreemd.”

Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 6].

“Ik was die ochtend te laat, na negen uur. De heer [betrokkene 3] was bij mij in de kamer. Het gesprek over iemand die ernstig ziek was heeft wel even geduurd.”

Het was heel rustig op kantoor, ik zou mij zeker herinnerd hebben indien er een driemanschap voor de infobalie zou hebben gestaan, dan zou mij dat zijn opgevallen .

Het is op basis van deze verklaringen niet aannemelijk dat [betrokkene 3] de overheveling heeft uitgevoerd. Volgens de op de lijsten van de bank geregistreerde tijd zou [betrokkene 3] eerder , namelijk op 27 maart 2009 een overheveling hebben geautoriseerd Hiernaar gevraagd zegt hij zich dit niet kunnen herinneren . Hij noemt geen uitvluchten. Verder geeft hij aan dat hij niet weet hoe hij moet overhevelen. Een andere medewerkster van de bank, mevrouw [betrokkene 9] heeft verklaard dat de heer [betrokkene 3] wel kan overhevelen. Zij heeft echter niet waargenomen dat hij dit eerder heeft gedaan. Zijn leidinggevende [getuige] heeft verklaard dat [betrokkene 3] niet kon overhevelen .

De rechtbank acht op grond hiervan en nauw bezien in samenhang met het navolgende bewezen dat de invoer van deze overheveling door [verdachte] is geschied

Vaststaat dat de overheveling op 23 april 2009 om 11.27 uur geautoriseerd is onder de code van [betrokkene 2].

Deze overheveling is niet, zoals gebruikelijk, gelijk na de invoer geautoriseerd.

Uit de lijsten blijkt dat de autorisatie twee uur na de invoer van de overheveling door [betrokkene 2] is uitgevoerd.

[betrokkene 2] heeft hieromtrent verklaard als volgt.

“[verdachte] kwam bij mij met de vraag of ik de autorisatie wilde doen. Het is één keer gebeurd dat [verdachte] mij gevraagd heeft een overheveling te autoriseren. Ik kreeg van hem een papier met een aantal rekeningnummers. Daar stonden geen handtekeningen op en er waren geen identiteitsbewijzen bij. Ik heb toch geautoriseerd. Ik werkte er toen ongeveer een maand. Ik wist toen niet wat er allemaal nodig was voor de autorisatie van een overheveling. Ik wist ook niet wat het betekende. Ik ben onder andere ingewerkt door [verdachte]. Ik heb één keer zo’n handeling gedaan. Ik heb daarna nog ongeveer 3 maanden bij de [bedrijf 1] bank gewerkt. Ik heb in die tijd geen overhevelingen gedaan. Ik weet nu nog niet hoe overhevelen precies moet.”

De rechtbank acht de getuigenverklaring van [betrokkene 2], die consistent is en gedetailleerd, geloofwaardig. Hij heeft verklaard dat hij een paar weken voor 23 april 2009 als uitzendkracht bij de bank is begonnen en dat verdachte hem feitelijk heeft ingewerkt. Het is niet vreemd dat [betrokkene 2] daarom gewoon doet wat verdachte hem vraagt te doen. Het is verder aannemelijk dat overhevelen niet tot de aanvangswerkzaamheden van een startende werknemer als [betrokkene 2] behoort en dat hij niet wist hoe dat in zijn werk ging. Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige], leidinggevende van de afdeling. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de lijst van 17 april 2009 blijkt dat [betrokkene 2] eerder een overheveling heeft geautoriseerd. Toen de politie [betrokkene 2] hiernaar heeft gevraagd, gaf deze aan zich hiervan niets te kunnen herinneren. Gelet op de datum en het tijdstip (bijna 17.00 uur) zou het ook naar zijn mening zeer onwaarschijnlijk zijn, het betreft het einde van de dag, beide partijen zouden aanwezig hebben moeten zijn. Als hij een dergelijke validatie had uitgevoerd zou hij zich dat zeker herinneren en dat doet hij niet. Bovendien wist hij toen overigens evenmin hoe hij zou moeten autoriseren. De rechtbank overweegt dat [betrokkene 2] op 17 april 2009 nog korter in dienst was, pas 2 weken zijn eigen pas had en nog niet volledig was opgeleid. Het is verder onaannemelijk dat [betrokkene 2] voor de autorisatie van 17 april 2009, als hij bij de fraude zou zijn betrokken, niet een verklaring voor het voorkomen van zijn code op de lijst van 17 april zou hebben gegeven.

Op 23 april 2009 om 11.49 uur, derhalve ongeveer 20 minuten na de autorisatie, komt [medeverdachte] de bank binnen voor een kasopname van € 50.000,- en € 150.000,-. Verdachte is bij de uitbetaling van deze kasopnames aan [medeverdachte] betrokken. De overheveling is derhalve net afgerond. Later op die dag wordt via internet € 20.000 en € 141.000 geld overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte].

De opgenomen geldbedragen zijn tot op heden door de politie niet achterhaald kunnen worden. Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 23 april 2009 tezamen en in vereniging geld verduisterd heeft en als gewoonte geld heeft witgewassen.

Partiële vrijspraak

Op een wijze zoals hierboven omschreven hebben er ook overhevelingen en opnames door [medeverdachte] plaatsgevonden welke zijn afgerond rond 27 maart 2009 en 17 april 2009.

In het licht van bovenstaande is een verdenking voor betrokkenheid van verdachte bij deze verduistering aannemelijk. De officier van justitie voert aan dat het niet anders kan dan dat verdachte ook op deze dagen op gelijke wijze de rekeningnummers heeft overgeheveld. De raadsman heeft betoogd dat er geen enkel bewijs is dat zijn cliënt hierbij betrokken is.

De rechtbank is van oordeel dat, in tegen stelling tot de handelingen op 23 april 2009, van deze overhevelingen geen enkel direct bewijs in het dossier aanwezig is dat verdachte hierbij betrokken zou zijn.

De overhevelingen van de rekeningen van [betrokkene 8] en [betrokkene 7] naar de rekening van [medeverdachte] zijn geautoriseerd door een computer waarop door een ander dan [verdachte] is ingelogd. Wanneer de invoer heeft plaatsgevonden en door wie deze invoer is uitgevoerd kan niet worden vastgesteld, althans hiervan is in het dossier geen bewijs voorhanden.

De rechtbank ziet in het bijzonder in het huidig dossier geen aanwijzing dat verdachte op 17 april 2009 op de computer van een andere medewerker heeft gewerkt om te autoriseren. Integendeel. [verdachte] heeft verklaard dat hij een verplicht roostervrije dag had op 17 april 2009 en dat hij die ochtend van 17 april 2009 met zijn vrouw die zwanger was, een echo heeft laten maken. Het werkrooster van deze dag en de afspraak van zijn vrouw op schrift ondersteunen dit. Uit het dossier valt niet af te leiden dat verdachte desondanks die dag wel op het kantoor aanwezig is geweest.

In het dossier zijn omstandigheden af te leiden die betrokkenheid van verdachte bij deze andere twee overhevelingen aannemelijk maken. Hierbij valt te denken aan betrokkenheid van verdachte bij diverse kasopnames rond genoemde overhevelingen, mogelijke indirecte contacten tussen [medeverdachte] en familieleden van verdachte en het aanstralen van een telefoonmast voor mobiele telefonie van de mobiele telefoon van verdachte in Veendam, kort nadat met een pas van [medeverdachte] vlakbij in Veendam een pintransactie was voltooid. Er is evenwel geen direct bewijs voorhanden dat de overhevelingen van 27 maart 2009 en 17 april 2009 door verdachte zijn uitgevoerd, zodat de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging onder 1 moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht de feiten tenlastegelegd onder 1 en 2 voor het overige wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 en 2 heeft begaan op de wijze zoals hieronder is vermeld, namelijk dat:

1.

hij op 23 april 2009 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een groot geldbedrag dat toebehoorde aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5], en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker van de [bedrijf 1] bank onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 april 2009 tot en met 25 mei 2010, te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader telkens

- van een voorwerp, te weten een groot geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst en de verplaatsing verborgen en verhuld,

en

- voornoemd voorwerp verworven en voorhanden gehad en overgedragen,

terwijl verdachte en zijn mededader wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 1: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van een gewoonte maken van witwassen;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat slechts bewijzen van indirecte aard in de richting van verdachte wijzen en hij om die reden vrijgesproken dient te worden.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bewerkstelligd dat er op 23 april 2009 aanzienlijke bedragen op rekening van zijn medeverdachte [medeverdachte] werden bijgeschreven. Deze bedragen kwamen toe aan een tweetal cliënten van de [bedrijf 1] bank alwaar verdachte een dienstbetrekking had.

Verdachte heeft hiervoor zelfs collega’s misleid door hen te verzoeken de frauduleuze handelingen te verrichten en door onder hun naam op hun computer te werken. Met deze handelwijze heeft verdachte het vertrouwen dat zijn collega’s en werkgever, de [bedrijf 1] bank, in hem stelden zwaar geschonden. Ook heeft hij hiermede het vak van bankmedewerker in diskrediet gebracht en het vertrouwen van klanten van de bank in het bijzonder en van het publiek in het algemeen in de bank schade toegebracht.

De betreffende klanten zijn weliswaar schadeloos gesteld door de [bedrijf 1] bank, echter laatstgenoemde resteert als gedupeerde.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

28 mei 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank vindt de gepleegde feiten dermate ernstig, mede gelet op de omvang van de gemoeide bedragen en vooral op het beschaamde vertrouwen van de omgeving van verdachte, dat enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

In strafverzwarende zin zal de rechtbank daarnaast rekening houden met de omstandigheid dat verdachte bij het plegen van het feit heeft gehandeld uit puur winstbejag en zich niets heeft aangetrokken van de belangen van de benadeelden.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode.

Nu de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte op 23 april 2009 geld verduisterd heeft en vanaf 23 april 2009 tezamen en in vereniging geld heeft witgewassen als gewoonte, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf 1] bank vordert een schadevergoeding van € 408.250,- voor feit 1.

Op grond van art. 361, tweede lid aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering is een benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering als haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De vordering van de [bedrijf 1] bank strekt tot vergoeding van de ten gevolge van de bewezenverklaarde verduistering geleden schade, terwijl dat feit enkel jegens de rekeninghouders is gepleegd en de bank derhalve niet direct is getroffen in enig belang dat door de met dat feit overtreden strafbepaling wordt beschermd.

Nu de [bedrijf 1] bank geen rechtstreekse schade heeft geleden, kan de bank niet als benadeelde partij worden aangemerkt.

Om die reden zal de [bedrijf 1] bank niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. Het beslag

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan verdachte.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om teruggave van alle in beslag genomen voorwerpen aan verdachte.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 322, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van:

- de onder 1 ten laste gelegde zinsnede: verduistering “te Groningen en/of Oude Pekela en/of Veendam en/of Rotterdam en/of Antwerpen van een geldbedrag (in totaal 816.500 euro) toebehorende aan [betrokkene 7] en/of (de erfgenamen van) [betrokkene 8]”.

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feit 2: medeplegen van een gewoonte maken van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 25 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] bank N.V. niet-ontvankelijk in de vordering;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van alle inbeslaggenomen voorwerpen welke zijn vermeld op de aan dit vonnis als bijlage II gehechte beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. J.P. Killian en

mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 november 2010.

Mevrouw P. Groot-Smits, griffier, is buiten staat het vonnis te ondertekenen.