Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO6723

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-12-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
16.711232-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk, het opzettelijk vervalsen van OV-chipkaarten en het voorhanden hebben van computerapparatuur en software om de OV-chipkaarten te vervalsen. Hiervoor is hij veroordeeld tot een werkstraf van zestig uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.711232-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres],

raadsman mr. G.H. Fijma, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk, het vervalsen en gebruikmaken van (vervalste) OV-chipkaarten en het treffen van voorbereidingshandelingen om het vervalsen van de OV-chipkaarten mogelijk te maken.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastelegde heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het volgende. Verdachte heeft bekend dat hij de OV-chipkaart heeft gehackt en de daarvoor benodigde apparatuur met dat doel heeft aangeschaft. Verdachte heeft weliswaar aangevoerd dat hij de OV-chipkaart niet als vervoersbewijs heeft gebruikt, omdat hij steeds een regulier treinkaartje of strippenkaart heeft gebruikt, maar daarvan is na onderzoek door de politie niet gebleken. Bovendien leidt enkel het in- en uitchecken met de OV-chipkaart al tot gebruik van de vervalste kaart en daarmee tot een strafbaar feit. De verklaring van verdachte dat hij de OV-chipkaart slechts heeft willen testen, wordt tegengesproken door het gegeven dat hij meerdere kaarten heeft vervalst en verspreid aan zijn collega’s, die daarvan gebruik hebben gemaakt en financieel voordeel hebben genoten.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Verdachte heeft de gehackte OV-chipkaart niet gebruikt als regulier vervoerbewijs en kan dit aantonen ten aanzien van een deel van de door hem gemaakte reizen met een uitdraai van zijn eigen persoonlijke OV-chipkaart op zijn Voordeelurenkaart. De rest van de reishistorie van verdachte is vermoedelijk door een medewerker van de OV-chipkaart gewist. Verdachte heeft met zijn handelwijze willen aantonen dat de beveiliging van de OV-chipkaart zo lek als een mandje is. Bovendien is sprake van culpa in causa, omdat [bedrijf 1] de OV-chipkaart niet van een goed beveiligingssysteem heeft voorzien. Verdachte heeft ook geen winstoogmerk gehad bij het verstrekken van de vervalste OV-chipkaarten aan zijn collega’s, het is alleen zijn eerzucht waardoor hij deze kaarten heeft verstrekt. De apparatuur die verdachte heeft aangeschaft om de OV-chipkaart te hacken is niet verboden. Op grond van het voorgaande voert de raadsman aan dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, met uitzondering van het tenlastegelegde onder feit 2 ten aanzien van [betrokkene 1].

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Op 8 maart 2010 wordt namens [bedrijf 1] (hierna te noemen [bedrijf 1]) aangifte gedaan van fraude met haar OV-chipkaarten. Door een afdeling binnen [bedrijf 1] is melding gemaakt van een duplicaat E-purse transactienummer en een duplicaat Card transaction nummer op een anonieme OV-chipkaart, terwijl deze nummers in principe niet dubbel voorkomen. Verder onderzoek wijst uit dat betreffende kaart een kopie bevat van een transactie van een eerdere kaart en volgens [bedrijf 1] kan dit alleen wanneer er iemand heeft ingebroken op een kaart, het image met daarop transactiegegevens en e-purse saldo heeft ingelezen en vervolgens op een andere kaart heeft geplaatst. [bedrijf 1] constateert dat er in de periode van 27 december 2009 tot en met 20 juni 2010 27 anonieme OV-chipkaarten worden gekocht, op 26 van deze OV-chipkaarten wordt een image van een andere kaart geladen en vervolgens worden deze kaarten normaal gebruikt.

Nader onderzoek door de politie wijst een veelvuldig terugkerende reisbeweging tussen Leiden CS en Schiphol uit op meerdere gehackte kaarten en daarnaast op meerdere andere reisbewegingen. Uiteindelijk wordt verdachte door de politie aangehouden. Bij de doorzoeking in de kamer van verdachte te Leiden wordt door de politie onder meer een kaartlezer, een computer en elf OV-chipkaarten in beslaggenomen.

Verdachte bekent dat hij in oktober van 2009 in zijn woning te Leiden begonnen is met het hacken van de OV-chipkaart en dat hij bewust met dat doel de benodigde apparatuur heeft aangeschaft. Verdachte verklaart dat hij een kaartlezer heeft aangeschaft voor € 30,--, dat hij de benodigde software van internet heeft gedownload en dat hij een zogenaamde tool heeft gebruikt om de beveiliging van de kaart te ontsleutelen. Verdachte verklaart voorts dat hij met een door hem geschreven programma telkens het image van de onvervalste kaart heeft gelezen en een bedrag van € 115,-- aan reissaldo op de OV-kaarten heeft gestort. De anonieme, lege, OV-chipkaarten kocht verdachte voor € 7,50. Verdachte verklaart dat hij uiteindelijk 27 kaarten heeft vervalst. Verdachte bekent bovendien dat hij aan vier van zijn collega’s een gehackte kaart heeft verschaft en aan een van hen zelfs meerdere gehackte kaarten.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij tegen zijn collega’s aan wie hij de gehackte kaarten heeft verschaft heeft verteld dat ze het risico liepen om tegen de lamp te lopen, omdat een conducteur in de trein met zijn controleapparaatje zou kunnen zien dat sprake was van een vervalste kaart. Een van deze collega’s, [betrokkene 1], aan wie hij meerdere kaarten heeft verschaft, vertelde hem dat hij het wel relaxed vond die kaarten en dat het lekker goedkoop was.

Volgens verdachte heeft hij zelf echter nooit voordeel gehad van de vervalste passen, omdat hij zelf altijd een regulier vervoersbewijs gebruikte naast de gehackte pas en hij de passen aan zijn collega’s heeft verstrekt tegen de kostprijs van een anonieme OV-chipkaart. Zijn oogmerk was slechts het aantonen dat de beveiliging van de OV-chipkaart niet deugde en in strijd was met het belang van privacy. De collega’s die vervalste OV-chipkaarten van verdachte hebben ontvangen bevestigen dat zij verdachte slechts de kostprijs van een anonieme OV-chipkaart hebben betaald voor de ontvangst van een vervalste OV-chipkaart.

De rechtbank overweegt dat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zichzelf te bevoordelen en om zelf opzettelijk de door hem vervalste OV-chipkaarten als echt en onvervalst te gebruiken. Verdachte heeft namelijk gesteld dat hij met de vervalste OV-chipkaarten slechts in- en uitcheckte en daarnaast een regulier vervoersbewijs gebruikte. In het dossier bevindt zich onvoldoende bewijs om te kunnen oordelen dat dit niet het geval was. De rechtbank zal daarom het eerste deel van het tenlastegelegde onder feit 3 niet bewezen verklaren.

Wel kan op grond van wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de kaarten die verdachte heeft gegeven aan collega [betrokkene 1] worden bewezen dat verdachte opzettelijk vervalste OV-chipkaarten heeft afgeleverd en overgedragen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze kaarten bestemd waren voor een gebruik als regulier vervoersbewijs. Verdachte heeft namelijk heel expliciet verklaard dat hij wist dat zijn collega [betrokkene 1] de vervalste kaarten als zijn reguliere vervoersbewijs gebruikte, omdat het zo lekker goedkoop was. Ook kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk heeft gehad om een ander, namelijk [betrokkene 1], te bevoordelen met de vervalste kaarten. Verdachte heeft namelijk, terwijl hij wist dat [betrokkene 1] de vervalste kaart gebruikte om vervoerskosten uit te sparen, hem op zijn verzoek tegen kostprijs van een anonieme OV-chipkaart meerdere vervalste OV-chipkaarten verstrekt. Desondanks kan het tweede deel van het tenlastegelegde onder feit 3 niet bewezen worden verklaard door de wijze waarop het openbaar ministerie de tenlastelegging heeft geformuleerd. Indien de rechtbank alleen het tweede gedeelte van het tenlastegelegde onder feit 3 bewezen verklaart, en verdachte van het bovenstaande vanaf het woord ‘telkens’ tot aan het woord ‘uitgecheckt’ vrijspreekt, is onduidelijk wat bedoeld wordt met ‘kaarten bestemd voor zodanig gebruik’ zoals in het tweede deel van het tenlastegelegde is weergegeven. De rechtbank moet verdachte daarom van feit 3 in zijn geheel vrijspreken.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 4.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op meerdere tijdstippen in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 9 juni 2010 te Leiden, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk, te weten

(de chip(s) van) een of meerdere OV-chipkaarten, welke OV-chipkaarten in

eigendom toebehoren aan [bedrijf 1], is binnengedrongen, waarbij hij enige beveiliging van die OV-chipkaarten heeft doorbroken en waarbij hij de toegang heeft verworven door een technische ingreep en een valse sleutel,

en vervolgens (telkens) gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, te weten (de chip(s) van) een of meerdere OV-chipkaarten, waarin hij zich (steeds) wederrechtelijk bevond, voor zichzelf heeft overgenomen en/of heeft afgetapt en/of heeft opgenomen,

immers heeft verdachte opzettelijk en wederrechtelijk meermalen

- de OV-chipkaart(en) via een kaartlezer verbonden met een computer, en

(vervolgens);

- met behulp van software de (beveiliging van de) OV-chipkaart(en) ontsleuteld

en zich aldus toegang verschaft tot de zich op die OV-chipkaart(en)

bevindende chip(s) en tot de zich in die chip(s) bevindende gegevens (het image), en (vervolgens);

- die gegevens (het image) van die chip(s) heeft gekopieerd naar zijn computer.

2.

op meerdere tijdstippen in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 9 juni 2010 te Leiden, (telkens) opzettelijk (een) waardekaart(en), bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, te weten OV-chipkaart(en), die in eigendom toebehoren aan [bedrijf 1], heeft vervalst met het oogmerk een ander te bevoordelen, immers heeft hij, verdachte,

-een (of meerdere) OV-chipkaart(en) gehackt, en

-(vervolgens) het image (bevattende transactiegegevens en/of een e-purse

saldo) van die OV-chipkaart(en) ingelezen en/of gekopiëerd en/of gewijzigd,

en;

-dat (gewijzigde) image op meerdere OV-chipkaarten geplaatst, waardoor (telkens) een (duplicaat) OV-chipkaart ontstond met een hoger, althans gewijzigd, e-purse saldo;

4.

op een (of meerdere) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 9 juni 2010 te Leiden, voorwerpen en gegevens, te weten computerapparatuur en

software, heeft vervaardigd en ontvangen en voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat deze voorwerpen en gegevens bestemd waren tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, omschreven misdrijf, te weten het vervalsen van OV-chipkaarten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

5.1.1. Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat het feit niet strafbaar is, omdat verdachte op grond van artikel 10 van het Verdrag van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht heeft op vrije meningsuiting en het hacken van de OV-chipkaart voor hem een onderzoek betrof om zijn mening dat de OV-chipkaart onvoldoende beveiligd was te onderbouwen met feitelijke gegevens.

5.1.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat verdachte de OV-chipkaart slechts gehackt heeft om zijn mening over de OV-chipkaart verder te ventileren, aangezien verdachte nooit contact heeft gezocht met de media of met [bedrijf 1].

5.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het verweer van verdachte dat hij slechts bezig was om zijn standpunt ten aanzien van de beveiliging van de OV-chipkaart te onderbouwen met feitelijke gegevens niet aannemelijk. De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie heeft betrekking op met deze zaak onvergelijkbare zaken. Uit niets blijkt dat verdachte contact heeft gezocht met de media of met [bedrijf 1] om zijn standpunt met betrekking tot de beveiliging van de OV-chipkaart weer te geven. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat zijn onderzoek nog niet was afgerond, maar op het moment van zijn aanhouding had hij al 26 OV-chipkaarten vervalst en uit niets blijkt dat verdachte van plan was hiermee op korte termijn te stoppen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder deze omstandigheden het beroep van verdachte op artikel 10 van het EVRM niet kan slagen.

Er zijn geen (andere) feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1. Computervredebreuk, meermalen gepleegd,

Feit 2. Opzettelijk een waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg valselijk opmaken, met het oogmerk een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd,

Feit 4. Opzettelijk voorwerpen bestemd voor het valselijk opmaken van waardekaarten voorhanden heeft gehad.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het gegeven dat verdachte geen strafblad heeft, zich coöperatief heeft opgesteld na zijn aanhouding door de politie en dat hij door de media-aandacht voor zijn strafzaak belast is. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het gegeven dat verdachte voor zijn werk periodiek een verklaring omtrent gedrag nodig heeft en dat hij - indien hij een strafblad krijgt - waarschijnlijk zijn werk zal verliezen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich - kort en zakelijk weergegeven - schuldig gemaakt aan computervredebreuk, het opzettelijk vervalsen van OV-chipkaarten en het voorhanden hebben van computerapparatuur en software om de OV-chipkaarten te vervalsen. Verdachte heeft bewust dergelijke strafbare feiten begaan. Dat verdachte hiermee de tekortkomingen van de OV-chipkaart wilde aantonen waarbij hij niet uit was op het verkrijgen van eigen voordeel, doet aan de strafbaarheid niet af.

Verdachte is OV-chipkaarten binnengedrongen die eigendom zijn van [bedrijf 1] en heeft daarbij, door onder meer speciaal daarvoor aangeschafte computerapparatuur, de beveiliging doorbroken. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Het is van groot economisch en maatschappelijk belang dat consumenten vertrouwen moeten kunnen hebben in waardekaarten zoals de OV-chipkaart. Door de computervredebreuk en vervolgens het vervalsen van OV-chipkaarten is een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen van de consument in de OV-chipkaart. Wanneer dit vertrouwen niet meer aanwezig is, bestaat het risico van ontwrichting van het openbaar vervoer. Dit kan tevens leiden tot grote schade voor de eigenaar van de OV-chipkaart, Aan verdachte dient dan ook een straf te worden opgelegd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 november 2010 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank houdt hiermee rekening ten voordele van verdachte. De rechtbank houdt in mindere mate rekening met de door de verdediging gestelde media-aandacht betreffende verdachte. Niet is gebleken dat met betrekking tot het kraken van OV-chipkaarten juist aan verdachte in de media specifiek aandacht is besteed, althans de verdediging heeft niet concreet gemaakt waaruit deze media-aandacht dan zou hebben bestaan, anders dan uit het benaderen van verdachte voor interviews die verdachte structureel heeft geweigerd. Dat verdachte door de media-aandacht en deze strafzaak disproportioneel wordt geraakt, is niet gebleken. Een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met zich dat dit bij het opleggen van de straf dient mee te wegen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een werkstraf van zestig (60) uren dan wel vervangende hechtenis van dertig (30) dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van een (1) maand met een proeftijd van twee (2) jaar op zijn plaats ter voorkoming dat verdachte zich in de toekomst aan soortgelijke of andere strafbare feiten schuldig zal maken.

De rechtbank is van oordeel dat met deze straf, die lager is dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, kan worden volstaan.

De rechtbank realiseert zich dat een werkstraf, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur, en meer in het algemeen een strafblad, nadelige gevolgen kan hebben voor verdachte en zijn werkzaamheden op Schiphol. Echter voor de feiten zoals bewezenverklaard, is het opleggen van een straf op zijn plaats. Dat het periodiek verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag door een veroordeling van verdachte een probleem zou kunnen worden, is voor de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, geen reden om van veroordeling van verdachte af te zien.

7. De benadeelde partij

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, omdat dit de daadwerkelijke schade is die [bedrijf 1] als gevolg van de strafbare feiten aan de openbaar vervoersbedrijven heeft moeten betalen.

De verdediging heeft aangevoerd dat het aan [bedrijf 1] zelf te wijten is dat de schade is ontstaan, omdat zij haar eigen beveiligingssysteem niet heeft geactiveerd. Daarnaast staat de schade ook niet vast, omdat de gesignaleerde reisbewegingen geen daadwerkelijke reisschade betreft, nu verdachte voor sommige reizen heeft betaald. Deze overlap dient uit het schadebedrag te worden gehaald. Daarbij komt dat diverse reisbewegingen door anderen dan verdachte zijn gemaakt. Deze zelfstandige gedragingen van anderen en de daaruit voortvloeiende schade kan niet aan verdachte worden toegerekend.

De benadeelde partij [bedrijf 1] vordert een schadevergoeding van € 2.411,17 voor feit 3. Verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, zal de rechtbank daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 138a, 232, 234 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van ten laste gelegde feit onder 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Computervredebreuk, meermalen gepleegd,

Feit 2: Opzettelijk een waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg valselijk opmaken, met het oogmerk een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd,

Feit 4: Opzettelijk voorwerpen bestemd voor het valselijk opmaken van waardekaarten voorhanden heeft gehad.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van zestig (60) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van dertig (30) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee (2) uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van een (1) maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 december 2010.

Mr. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.