Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO6170

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
263920 / FA RK 09-1391
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk tussen een tante op leeftijd en haar achterneef.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Hierbij is van belang dat het aangaan van het huwelijk een complexe beslissing betrof, met grote (financiële en emotionele) consequenties. De rechtbank is dan ook voornemens om het huwelijk van de man en de vrouw nietig te verklaren.

De rechtbank acht de gevolgen van de nietigverklaring zodanig verbonden met de nietigverklaring dat zij daarover behoort te beslissen. Nu deze vraag nog niet voldoende in de procedure is betrokken, zal de rechtbank partijen als volgt in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 69
Burgerlijk Wetboek Boek 1 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/18
NJF 2011/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 263920 / FA RK 09-1391

nietigverklaring huwelijk

Tussenbeschikking van 24 november 2010

in de zaak van

DE OFFICIER VAN JUSTITIE,

betreffende

[de man],

wonende te [woonplaats], gemeente Bunnik,

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. J. Rozendaal,

en

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

curator: mr. D.J. Bonnerman,

advocaat: mr. J.M. Spronk.

1. Verdere verloop van de procedure

1.1. Op 13 mei 2009, 28 oktober 2009 en 24 maart 2010 heeft de rechtbank eerdere (tussen)beschikkingen gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot 24 maart 2010 wordt verwezen naar die beschikkingen.

1.2. Op 28 mei 2010 heeft een (nader) getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.3. De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, waaronder:

- de brieven d.d. 22 juni 2010 en 22 oktober 2010 van mr. Spronk,

- een brief (met bijlage) d.d. 13 juli 2010 van de officier van justitie.

1.4. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de behandeling van de zaak voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 25 oktober 2010. Hierbij zijn verschenen:

- de officier van justitie,

- de man met zijn advocaat,

- de vrouw met haar verzorgster, haar advocaat en haar curator.

2. Vaststaande feiten

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de op 13 mei 2009 gegeven beschikking.

3. Verdere beoordeling van het verzochte

3.1. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om nietigverklaring van het tussen de man en de vrouw op 1 juli 2008 voltrokken huwelijk, op grond van artikel 1:69 jo. artikel 1:32 van het Burgerlijk Wetboek (BW), te weten dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Ter onderbouwing van haar stellingen, in het bijzonder met betrekking tot de geestvermogens van de vrouw, heeft de officier van justitie (onder meer) de verslagen d.d. 15 november 2008 en 4 maart 2009 van psychiater J.J. Fedder overgelegd, alsmede het rapport d.d. 6 april 2009 van drs. G.J. Lefeber, arts in opleiding tot specialist klinische geriatrie, en dr. R.J. van Marum, klinisch geriater, beiden werkzaam in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Daarnaast heeft de officier van justitie een brief d.d. 23 oktober 2008 van Fortis Bank overgelegd.

3.2. De advocaat en de curator van de vrouw ondersteunen het verzoek van de officier van justitie. Bij brief van 22 oktober 2010 heeft de advocaat van de vrouw de rechtbank verzocht om, bij toewijzing van het verzoek, de beslissing tot nietigverklaring van het huwelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3. De man heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat het huwelijk uit verstandelijke overwegingen is aangegaan, maar met de uitdrukkelijke instemming van de vrouw. Volgens de man hebben partijen, na ingewonnen advies en goed overleg, samen gekozen voor een huwelijk om erfrechtelijke en fiscale redenen. In dit kader heeft de man verwezen naar de brief (met bijlagen) d.d. 24 maart 2009 van mr. H. van Haren, de voormalige advocaat van de vrouw. De man heeft de door de officier van justitie overgelegde medische verklaringen (zoals genoemd in 3.1.) ter discussie gesteld. Deze verklaringen zijn gebaseerd op eenzijdige informatie en aannames achteraf, aldus de man. De man heeft zich tevens verweerd tegen het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking.

3.4. Bij beschikking van 13 mei 2010 heeft de rechtbank bepaald dat op de officier van justitie de bewijslast rust van de stelling dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Hiertoe is op 28 september 2009 mevrouw [A] ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zeist, als getuige gehoord. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank overwogen dat het noodzakelijk is een deskundigenbericht in te winnen. Vervolgens heeft de heer drs. S.P.C. Groen, klinisch geriater bij het Kennemer Gasthuis te Haarlem – in opdracht van de rechtbank – schriftelijk gerapporteerd op 23 november 2009.

Voorts zijn op 28 mei 2010 de reeds genoemde drs. G.J. Lefeber, dr. R.J. van Marum en drs. S.P.C. Groen als getuigen gehoord. Ter zitting van 25 oktober 2010 hebben partijen verklaard dat zij het, op dit moment en in deze procedure, niet nodig achten dat nog nadere getuigen worden gehoord.

3.5. De rechtbank zal allereerst beoordelen of de officier van justitie is geslaagd in het bewijs van de stelling dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

3.6. De rechtbank overweegt dat drs. Groen en drs. Lefeber beiden hebben verklaard dat de vraag of iemand wilsbekwaam is, moet worden beoordeeld aan de hand van het onderwerp waarover iemand zijn wil moet bepalen. In het algemeen is het moeilijker om de wil te bepalen ten aanzien van een complexe beslissing die grote consequenties heeft, aangezien een aangetast brein door bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer die consequenties minder goed kan overzien, aldus de artsen. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk van partijen een complexe beslissing betreft. Het heeft grote gevolgen op het gebied van het erfrecht en het fiscaal recht. Bovendien is te verwachten dat een huwelijk als het onderhavige, zijnde een huwelijk tussen een tante op leeftijd en haar achterneef, gevolgen heeft voor de verhoudingen binnen de familie. Het vergt daarom naar het oordeel van de rechtbank meer van iemands beoordelingsvermogen om de gevolgen van een dergelijke ingewikkelde constructie te overzien dan van gebruikelijke, dagelijkse beslissingen. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat beide artsen het moeilijk vinden om met terugwerkende kracht te bepalen of iemand op een tijdstip in het verleden wilsbekwaam was. In het algemeen past bij de ziekte van Alzheimer een geleidelijke achteruitgang, maar dit kan in een concreet individueel geval anders zijn. De rechtbank overweegt dat drs. Lefeber wel op 3 april 2009 heeft geconstateerd dat de cognitieve problemen van de vrouw, gezien de ernst van de dementie, al enkele jaren in toenemende ernst zullen spelen. Hij sluit het zeker niet uit dat de vrouw dementerend was ten tijde van het huwelijk. Drs. Groen acht het – gezien zijn deskundigenrapport en getuigenverklaring – uiterst onwaarschijnlijk dat de vrouw in juli 2008 nog wilsbekwaam was met betrekking tot het sluiten van een huwelijk, aangezien hij op 19 november 2009 heeft geconstateerd dat er bij de vrouw sprake is van een verder gevorderd dementiesyndroom. Daar staat tegenover dat de ambtenaar van de burgerlijke stand tijdens de ondertrouw en de huwelijksplechtigheid niets heeft gemerkt waaruit zij zou kunnen afleiden dat de vrouw niet wilsbekwaam was. Uit de verklaringen van de artsen blijkt echter dat bij een hoog intelligent persoon als de vrouw was het voor een gemiddelde buitenstaander minder snel te zien is dat zij de strekking van een beslissing niet meer kan overzien. Daarbij komt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de vrouw met name over haar verleden heeft bevraagd, terwijl over het algemeen bij dementerende personen de herinneringen aan het verre verleden nog intact zijn.

3.7. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de brief d.d. 23 oktober 2008 van Fortis Bank blijkt dat Fortis op dat moment al enige tijd betwijfelt of de vrouw nog haar wil kan bepalen. Voorafgaand aan deze brief heeft Fortis een dossier bijgehouden en (onder meer) een telefoongesprek gehad met de vrouw, waarbij zij een verwarde indruk maakte. Gelet hierop verzoekt Fortis in oktober 2008 om een doktersverklaring dan wel een onderbewindstelling of ondercuratelestelling van de vrouw.

3.8. Gelet op het voorgaande – in het bijzonder de verklaringen van de medisch specialisten – is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Hierbij is van belang dat het aangaan van het huwelijk een complexe beslissing betrof, met grote (financiële en emotionele) consequenties. De rechtbank is dan ook voornemens om het huwelijk van de man en de vrouw nietig te verklaren.

3.9. Daarnaast is de rechtbank voornemens om het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing af te wijzen, aangezien de declaratoire aard van deze beslissing aan uitvoerbaar bij voorraadverklaring in de weg staat.

3.10. De rechtbank heeft ter zitting de vraag aan de orde gesteld of de rechtbank zich in het kader van deze procedure dient uit te laten over de juridische gevolgen van een nietigverklaring zoals omschreven in artikel 1:77 BW. Blijkens genoemd artikel werkt de nietigverklaring van het huwelijk – zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan – terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking, behalve ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot. Ten aanzien van een te goeder trouw zijnde echtgenoot werkt een nietigverklaring namelijk als een echtscheiding. Duidelijk is dat de man en de curator van mening verschillen over de gevolgen van een nietigverklaring van het huwelijk. De rechtbank acht de gevolgen van de nietigverklaring zodanig verbonden met de nietigverklaring dat zij daarover behoort te beslissen. Nu deze vraag nog niet voldoende in de procedure is betrokken, zal de rechtbank partijen als volgt in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten. De rechtbank begrijpt, onder meer uit de brief d.d. 12 juli 2010, dat de curator van de vrouw zich op het standpunt stelt dat de man te kwader trouw heeft gehandeld. De curator zal in de gelegenheid worden gesteld om zijn standpunt nader te onderbouwen, waarna de man in de gelegenheid zal worden gesteld om verweer te voeren. Vervolgens zal de officier van justitie in de gelegenheid worden gesteld om te concluderen, waarna de mondelinge behandeling door de meervoudige kamer zal worden voortgezet.

4. Beslissing

De rechtbank

4.1. houdt de behandeling van de zaak aan, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om schriftelijk hun standpunt kenbaar te maken, uitsluitend met betrekking tot hetgeen hiervoor onder 3.9. is overwogen,

4.2. verzoekt de curator om voor 11 januari 2011 schriftelijk te reageren,

4.3. verzoekt de man om vervolgens voor 1 februari 2011 schriftelijk te reageren,

4.4. verzoekt de officier om vervolgens voor 22 februari 2011 schriftelijk te concluderen,

4.5. bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 maart 2011 te 9.00 uur.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, mr. R.C. Stijnen en mr. S.G.M. Buys, rechters, leden van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Verouden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.?