Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO6161

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
SBR 09-2881
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Verweerder heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat is geparkeerd zonder dat op de voorgeschreven wijze de verschuldigde parkeerbelasting was betaald. De rechtbank acht echter aannemelijk dat eisers de verschuldigde parkeerbelasting op het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd wel reeds hadden voldaan, gelet op de overgelegde kopie van het parkeerkaartje en het ter zitting getoonde origineel. Naheffing is dan, gelet op artikel 20 AWR, niet mogelijk. Beroep gegrond, vernietiging bestreden uitspraak en herroeping naheffingsaanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/90
FutD 2010-2847
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/2881

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van

[eisers A en B], wonende te [woonplaats], eisers,

tegen

de inspecteur van de gemeentelijke parkeerbelastingen van de gemeente Amersfoort, verweerder,

gemachtigde: A. Hogendoorn.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op de uitspraak van verweerder van 6 oktober 2009 (hierna: de bestreden uitspraak), waarbij het bezwaar van eisers tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 26 september 2009 ongegrond is verklaard en deze naheffingsaanslag is gehandhaafd.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 27 augustus 2010, waar eisers zijn verschenen. Namens verweerder is de gemachtigde voornoemd verschenen. Eisers en verweerder (bij monde van zijn gemachtigde) hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De naheffingsaanslag parkeerbelasting is gericht aan eiser [A]. Zoals ook ter zitting aan de orde is gesteld, staat de rechtbank primair ambtshalve voor de vraag of het beroep van eiseres [B] ontvankelijk is.

Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Artikel 26a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat het beroep mede kan worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.

Eiseres [B] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij mede-eigenaar is van de auto waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft. Gelet hierop kan zij naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een persoon die ingevolge artikel 26a, tweede lid, van de AWR beroep kan instellen. Eiseres is dan ook, naast eiser, ontvankelijk in haar beroep.

2.2 Op zaterdag 26 september 2009 om 10:48 uur stond de auto van eisers, merk Opel Corsa, met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto), op een parkeerplaats in de Koningin Wilhelminalaan in de gemeente Amersfoort. Deze locatie is op grond van de Verordening parkeerbelastingen 2009 (hierna: de Verordening) en het Besluit Betaald Parkeren 2009 (hierna: het Besluit) aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Aan eiser is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 50,96, berekend over de parkeerduur van één uur (€ 0,96) en vermeerderd met € 50,- aan naheffingkosten. Deze naheffingsaanslag is opgelegd omdat is geparkeerd zonder dat op de voorgeschreven wijze de verschuldigde parkeerbelasting was betaald.

2.3 Eisers hebben gesteld dat zij de verschuldigde parkeerbelasting wel hebben voldaan. Het parkeerkaartje zat in de houder voor parkeerkaartjes, die zich op het kleine raampje aan de bestuurderszijde van de auto bevond. Ter onderbouwing hiervan hebben zij zowel in bezwaar als in beroep een kopie van het door hen betaalde parkeerkaartje overgelegd.

2.4 Verweerder heeft gesteld dat hij het volgende beleid voert bij de afhandeling van bezwaarschriften waarbij achteraf blijkt dat de eigenaar van de auto beschikt over een betalingsbewijs. De parkeercontroleur dient bij de controle van een voertuig goed te controleren of een betalingsbewijs op het dashboard of elders in het voertuig is neergelegd. Indien geen betalingsbewijs wordt waargenomen, dient de controleur een specifiek kenmerk van (een voorwerp in) het voertuig te noteren. Dit wordt bij de opmerkingen genoteerd die een controleur kan noteren bij de naheffingsaanslag. Hiermee toont de controleur aan dat het voertuig goed gecontroleerd is op een eventueel betalingsbewijs. Indien de controleur geen opmerkingen maakt en achteraf blijkt dat de eigenaar van het voertuig over een betalingsbewijs beschikt, voert verweerder als beleid dat dan voldoende is bewezen dat daadwerkelijk aan de vereisten van artikel 3 van het Besluit is voldaan.

2.5 Verweerder heeft aangevoerd dat de controleur in dit geval heeft genoteerd dat zich in het voertuig aan de voorzijde een flesje water bevond. Dat moet dus in de buurt zijn van de plaats waar het parkeerbewijs zich volgens eisers moet hebben bevonden. Eisers hebben niet aangegeven dat de waarneming van de controleur niet juist zou zijn. Hieruit blijkt dat de controleur onderzoek heeft gedaan naar een betalingsbewijs, maar dit niet heeft waargenomen. Dat eisers achteraf een betalingsbewijs kunnen overleggen, doet aan dit onderzoek niets af. Eisers hebben volgens verweerder niet voldaan aan artikel 3 van het Besluit, omdat het betalingsbewijs niet op de juiste wijze zichtbaar en leesbaar op het dashboard lag. Eisers dienden aannemelijk te maken dat het betalingsbewijs zich inderdaad in de auto bevond.

2.6 Ingevolge artikel 1, onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Verordening wordt onder de naam parkeerbelasting een belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

In artikel 7 van de Verordening is bepaald dat burgemeester en wethouders in alle gevallen bij openbaar te maken besluit de aanwijzing bekendmaken van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening mag worden geparkeerd. Dat is gebeurd bij het Besluit.

In artikel 3 van het Besluit is bepaald dat als wordt geparkeerd bij parkeerapparatuur waarbij een betalingsbewijs wordt verstrekt, de aangifte pas is voltooid nadat dit betalingsbewijs op de juiste wijze zichtbaar en leesbaar op het dashboard van het geparkeerde voertuig is gelegd, dan wel op andere wijze zichtbaar en leesbaar in of op het voertuig is aangebracht bij het ontbreken van een dashboard.

2.7 Zoals blijkt uit een arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997 (LJN AA3200) rust de bewijslast dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, in eerste aanleg op verweerder. De omstandigheid, dat bij controle geen geldig parkeerkaartje is waargenomen, kan in het algemeen als toereikend bewijs dienen. De belastingplichtige heeft echter de mogelijkheid tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door het alsnog overleggen van een geldig parkeerkaartje. De rechter heeft de vrijheid aan dat tegenbewijs de waarde toe te kennen die hem goeddunkt.

2.8 Eisers hebben een kopie van het parkeerkaartje overgelegd en ter zitting het originele parkeerkaartje getoond. Daaruit blijkt dat voor dit kaartje op 26 september 2009 om 10:31 uur € 3,60 is betaald en dat de parkeertijd eindigt om 13:31 uur. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de stelling van eisers dat zij dit parkeerkaartje na aankoop achter het kleine raampje aan de bestuurderszijde van de auto in de houder voor parkeerkaartjes hebben geplaatst. Het hiervoor bedoelde tegenbewijs is derhalve geleverd. Het voorgaande betekent dat eisers de verschuldigde parkeerbelasting op het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd, 10:48 uur, reeds hadden voldaan. Naheffing is dan, ingevolge artikel 20 van de AWR, niet mogelijk. In dat artikel is immers bepaald dat naheffing alleen mogelijk is indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig belasting is geheven.

2.9 Omdat in artikel 3 van het Besluit is bepaald dat de aangifte pas is voltooid nadat het betalingsbewijs op de juiste wijze zichtbaar en leesbaar op het dashboard van het geparkeerde voertuig is gelegd, dan wel op andere wijze zichtbaar en leesbaar in of op het voertuig is aangebracht bij het ontbreken van een dashboard, acht de rechtbank dat artikel onverbindend. Van belang is immers of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar een arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2008 (LJN BC1593). Uit dit arrest kan worden opgemaakt dat indien achteraf blijkt dat betaling van de verschuldigde belasting heeft plaatsgevonden, voor het opleggen van een naheffingsaanslag wegens strijd met artikel 20 van de AWR geen plaats is, ook al is niet voldaan aan de voorwaarde dat de kaart van buitenaf duidelijk zichtbaar tegen de voorruit van het voertuig dient te zijn aangebracht. De door verweerder in dit kader nog genoemde uitspraak van deze rechtbank (SBR 09/877), is niet vergelijkbaar met deze zaak, omdat het in die uitspraak ging om een parkeervergunning en niet om een parkeerkaartje.

2.10 Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eisers gegrond verklaren en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid en onder c, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de naheffingsaanslag van 26 september 2009 te herroepen.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten van eisers. Als reiskosten komen op grond van artikel 11, eerste lid, sub c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 voor vergoeding in aanmerking de reiskosten openbaar vervoer, laagste klasse. Dit leidt tot een vergoeding van € 17,20. Voorts dient verweerder op grond van artikel 8:74 van de Awb het griffierecht aan eisers te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

3.3 verklaart het bezwaar gegrond;

3.4 herroept de aanslag van 26 september 2009;

3.5 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden uitspraak;

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, ten bedrage van € 17,20;

3.7 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 41,- aan hen vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2010.

De griffier: De rechter:

mr. M.H. Menger mr. G.J. van Binsbergen