Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO6025

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
04/311 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement- omzetting naar wsnp. Het faillissement is op aanvraag van derden uitgesproken. Verzoekster heeft niet binnen de in art. 3 lid 1 Faillissementswet gestelde termijn een aanvraag gedaan tot toelating tot de schuldsanering. Er is echter sprake van omstandigheden die de verzoekster niet kunnen worden toegerekend, zodat de rechtbank op grond van art. 15b lid 1 Faillisementswet het faillissement opheft onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer: 04/311 F

uitspraakdatum: 29 november 2010

uitspraak op grond van artikel 15 b van de Faillissementswet

(“toepassing schuldsanering na faillissement”)

enkelvoudige kamer

[verzoeker],

wonende [adres], [woonplaats],

hierna: de verzoekster.

De verzoekster heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 30 juni 2004 uitgesproken faillissement van verzoekster onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De verzoekster heeft gemotiveerd gesteld dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat zij wegens haar toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend. De verzoekster heeft verklaringen overlegd waaruit blijkt dat zij in de genoemde periode kampte met zeer ernstige lichamelijke problemen. De rechtbank is van oordeel dat de problemen van verzoekster van een zodanige ernst waren dat de verzoekster de genoemde omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt.

In het faillissement is nog geen verificatievergadering gehouden.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Ten aanzien van verzoekster is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.

De rechtbank zal het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststellen op een daartoe strekkend voorstel van de curator. Indien de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties niet uit de boedel kunnen worden voldaan, zullen deze ten laste van de Staat komen.

De rechtbank gaat ervan uit dat de bewindvoerder verzoekt voor de duur van de toepassing van de schuldsaneringsregeling een voorschot op het salaris toe te kennen.

Gelet op artikelen 295 lid 3 en 320 lid 2 en lid 6 van de Faillissementswet.

Beslissing

De rechtbank:

heft het faillissement van verzoekster op;

stelt het salaris van de curator en de verschotten vast op een daartoe strekkend voorstel;

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

wonende [adres], [woonplaats],

benoemt tot rechter-commissaris mr. M.H.F. van Vugt,

en tot bewindvoerder [Z],

[adres]

[woonplaats],

verhoogt, vooralsnog, het bedrag bedoeld in artikel 295 lid 2 Fw in die zin, dat buiten de boedel wordt gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met dien verstande dat waar in dat artikel staat: "negentig" of "90" wordt gelezen: "95", of, indien de schuldenares inkomen uit arbeid verkrijgt, gedurende de periode(s) waarin zij dat inkomen verkrijgt: "100";

kent toe, voorzover de boedel zulks toelaat, voor de duur van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, een voorschot op het salaris van de bewindvoerder van een telkens aam het eind van de maand opeisbaar bedrag, gelijk aan het overeenkomstig artikel 2 van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2001, 81) te berekenen salaris, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;

geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2010.