Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO5818

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
16-600248-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor belaging van buren. De rechtbank houdt rekening met de intensiteit, de duur en de frequentie waarmee de verdachte de slachtoffers heeft lastig gevallen, maar ook met de wijze waarop de slachtoffers zelf met het conflict zijn omgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600248-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1935] te [geboorteplaats]

wonende aan de [woonadres] te [woonplaats]

raadsman mr. R.G.J. Booij, advocaat te De Meern

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van15 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: de familie [benadeelde 1] heeft gestalkt;

feit 2: heeft geprobeerd uit de woning van de familie [benadeelde 1] goederen/geld weg te nemen dan wel huisvredebreuk heeft gepleegd;

feiten 3 en 4: een wapen en munitie voorhanden heeft gehad;

feit 5: autosleutels, toebehorende aan de familie [benadeelde 1], heeft gestolen dan wel die autosleutels heeft verduisterd dan wel die autosleutels heeft geheeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de passage “(zie zaak 16/610056-07: laatste veroordeling belaging betreft periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007)” in het onder 1 tenlastegelegde dient te leiden tot de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu uit de inhoud en strekking van deze passage zou volgen dat er sprake zou zijn van een herhaalde strafvervolging voor hetzelfde feit hetgeen in strijd zou zijn met het ‘ne bis in idem’-beginsel.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer niet opgaat. De opgenomen passage in de tekst van de tenlastelegging dient onmiskenbaar als een toelichting op de begindatum van 10 januari 2007 uit het onder 1 tenlastegelegde. Met de wijze waarop de tenlastelegging is ingericht is juist voorkomen dat een herhaalde strafvervolging voor hetzelfde feit plaatsvindt.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, 2 primair en 5 ten laste gelegde feiten en heeft hiervoor een vrijspraak bepleit. De rechtbank kan, volgens de raadsman, tot een bewezenverklaring komen van de onder 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0950/10-000580. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.3.1. Ten aanzien van feit 1:

Tussen verdachte en de familie [benadeelde 1] bestaat reeds langer een burenruzie.

Op 7 maart 2010 omstreeks 20.25 uur kreeg aangever [benadeelde 1] een sms-bericht van zijn alarminstallatie dat het alarm in de bijkeuken van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] was geactiveerd. De politie is ter plaatse gekomen en heeft in de woning van aangever verdachte aangehouden.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend op 7 maart 2010 de woning van de familie [benadeelde 1] te hebben betreden.

Betreden erf

Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie op 17 december 2009 verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte in de periode tussen 2007 en 2009 meermalen zijn erf heeft betreden.

Verdachte heeft bekend dat hij een aantal malen op het terrein van de familie [benadeelde 1] is geweest.

Brieven

Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie verklaard dat er door verdachte verschillende brieven zijn verstuurd. Aangever heeft hierbij onder andere verklaard over:

- een brief van 6 december 2007, gericht aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug, waarin door verdachte is geschreven dat liegen en bedriegen het handelsmerk van de familie [benadeelde 1] is;

- een brief van 7 februari 2008, gericht aan de huurders van de woning van de familie [benadeelde 1], waarin door verdachte is geschreven dat de familie [benadeelde 1] hen bespiedt met camera’s en waarin wordt gesproken over ziekelijke gedragingen van de familie [benadeelde 1];

- een brief van 1 mei 2008, gericht aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug, waarin door verdachte het terrein van de familie [benadeelde 1] wordt omschreven als een zigeunerkamp;

- een brief van 2 november 2009, gericht aan Staatsbosbeheer, waarin door verdachte is geschreven dat de familie [benadeelde 1] zwaar paranoïde is, dat zij van de voorzieningenrechter ongelooflijk op hun donder hebben gekregen en dat zij huurders uit hun woning hebben getreiterd;

- een brief van 20 oktober 2008, gericht aan de Belastingdienst, waarin verdachte in de bij de brief behorende bijlage 3 aangeeft dat liegen en bedriegen het handelskenmerk is van de familie [benadeelde 1].

Verdachte heeft bekend de brieven te hebben geschreven.

Het schijnen met een lamp

Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte meermalen met een lichtgevend voorwerp heeft geschenen in de woning en het gastenverblijf van de familie [benadeelde 1].

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend met een lamp in het gastenverblijf van de familie [benadeelde 1] te hebben geschenen en op 7 maart 2010 ook in de woning van de familie [benadeelde 1] met een lamp te hebben geschenen.

Beplakken van de ruiten

Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte de ruit van het gastenverblijf heeft bespoten met een spuitbus, zodat de camera geen beelden meer kon opnemen.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de ruiten van het gastenverblijf van de woning van de familie [benadeelde 1] heeft beplakt en besmeerd om het filmen door de familie [benadeelde 1] tegen te gaan.

Fotograferen

Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte meermalen de woning en het gastenverblijf van de familie [benadeelde 1] en hun bezoekers heeft gefotografeerd. Op een bij verdachte inbeslaggenomen fotocamera worden foto’s aangetroffen van het erf, de woning, voertuigen en bezoekers de familie [benadeelde 1].

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend het gastenverblijf van de familie [benadeelde 1] te hebben gefotografeerd.

Versperren pad

Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat verdachte het pad naar de woning van de familie [benadeelde 1] op 27 mei 2009 heeft geblokkeerd. De politie is ter plaatse geweest om de versperring op te heffen.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend het pad eenmaal te hebben versperd.

Vernielingen

Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat na aanhouding van verdachte op 7 maart 2010 in de woning van aangever de deur naar de bijkeuken er volledig uit was en dat er beschadigingen zaten op de deurposten.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de deur naar de bijkeuken heeft beschadigd.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de wederrechtelijkheid

In de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 768, nr. 5, p. 2) bij het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van belaging, het huidige artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, wordt belaging, ook wel “stalking” genoemd, als volgt omschreven:

“Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde activiteit, maar ook door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals bijvoorbeeld het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of werkplek posten, het ongewenst bestellen van goederen en diensten op naam en op rekening van de benadeelde partij, het laten bezorgen van grafkransen en het plaatsen van overlijdensadvertenties, het ongevraagd geven van opdrachten op naam van de benadeelde partij, het verspreiden van valse geruchten over het benadeelde partij, het bekladden van de woning, het beschadigen, vernielen of verplaatsen van goederen, het onder valse voorwendselen informatie inwinnen bij instanties over het benadeelde partij, het telkenmale nodeloos aanspannen van gerechtelijke procedures etc. De gedragingen behoeven zich niet louter tot de benadeelde partij uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega’s, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt de benadeelde partij vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk. De benadeelde partij kan zich genoodzaakt voelen een geheim telefoonnummer te nemen, zich niet onbeschermd op straat te begeven, op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen om alert te zijn etc. Veel benadeelde partijs voelen zich gevangene in eigen huis.”

Bij de beoordeling of in het ten laste gelegde geval sprake is geweest van belaging, zal de rechtbank deze opmerkingen bij de beoordeling betrekken.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de familie [benadeelde 1] herhaaldelijk heeft lastig gevallen en daardoor een inbreuk heeft gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft dit gedaan door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals het betreden van het erf van de familie [benadeelde 1], het schijnen met een lamp in het gastenverblijf en de woning, het besmeuren en beplakken van ruiten en door het schrijven van brieven aan diverse personen en instanties.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij de door hem verrichte handelingen uitsluitend heeft verricht ter bescherming van zijn eigen privacy. Verdachte heeft bij de politie vele malen aangifte gedaan tegen de familie [benadeelde 1] en hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn aangiftes wilde ondersteunen met fotomateriaal. Om deze foto's te kunnen maken, heeft hij het erf van de familie [benadeelde 1] betreden.

De rechtbank volgt verdachte daarin niet. Zo er al een idee bestond bij verdachte van de schending van zijn privacy door de familie [benadeelde 1], rechtvaardigt dat het gedrag van verdachte niet. De verhoudingen tussen verdachte en de familie [benadeelde 1] waren reeds gedurende lange tijd ernstig verstoord. Gelet hierop en gelet op de frequentie van de gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de grenzen van het maatschappelijk betamelijke ver overschreden heeft. De inbreuken op de levenssfeer van de familie [benadeelde 1] waren dan ook wederrechtelijk.

Ten aanzien van de brief aan huurders

De verdediging heeft aangevoerd dat uit het bewijs niet kan volgen dat de brief van 7 februari 2008 aan de huurders van de woning, bij de geadresseerden is aangekomen. De rechtbank verwerpt dat verweer. Voor de vraag of sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is niet van belang of deze brief bij de geadresseerden is aangekomen. Zoals verdachte ter zitting heeft verklaard heeft hij de brief geplakt op de deur van de woning die de huurders van de familie [benadeelde 1] huurden. Met deze gedraging heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de familie [benadeelde 1].

Vrijspraak ten aanzien van vernielingen

Door aangever [benadeelde 1] is verklaard dat er in en rond de woning van de familie diverse goederen zijn vernield. Met uitzondering van de vernieling van de bijkeukendeur met deurposten op 7 maart 2010 ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat de overige vernielingen zijn gepleegd door verdachte. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de binnendeur van de woning van de familie [benadeelde 1] heeft beschadigd. Van de andere vernielingen zal verdachte worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van autosleutels en beeldmateriaal

Aan verdachte wordt onder de onder 1 ten laste gelegde belaging verweten dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het voorhanden hebben van autosleutels van de familie [benadeelde 1] en aan het voorhanden hebben van beeldmateriaal, toebehorende aan de familie [benadeelde 1].

Vast staat wel dat de verdachte de autosleutels en het betreffende beeldmateriaal voorhanden heeft gehad, maar dat is op zichzelf niet aan te merken als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de familie [benadeelde 1]. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken.

4.3.2. Ten aanzien van feit 2

Vrijspraak 2 primair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het aan hem onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Bewijs 2 subsidiair

Evenals de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2010 ;

- de aangifte van [benadeelde 1] d.d. 7 maart 2010.

4.3.3. Ten aanzien van feit 3

Evenals de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2010 dat de ploertendoder in zijn woning aanwezig was;

- kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 maart 2010 ;

- het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 maart 2010 .

Verdachte en de raadsman hebben wel gesteld dat de verdachte niet bewust was van de aanwezigheid van de ploertendoder omdat hij deze kwijt was, maar dat sluit voorwaardelijk opzet op die aanwezigheid niet uit: door het wapen niet op te zoeken en bij de politie in te leveren toen dat kon heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat dat zich nog in zijn woning bevond.

4.3.4. Ten aanzien van feit 4

Evenals de officier van justitie en de raadsman, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2010 ;

- een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 maart 2010 ;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2010.

4.3.5. Ten aanzien van feit 5

Vrijspraak 5 primair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het aan hem onder 5 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Bewijs 5 subsidiair:

Op 17 juli 2003 is door aangever [benadeelde 1] aangifte gedaan van diefstal van een sleutelbos, waaronder verschillende autosleutels.

Door de politie worden in de woning van verdachte twee autosleutels in beslag genomen.

Door de politie worden de onder verdachte inbeslaggenomen autosleutels geprobeerd in de aan de familie [benadeelde 1] toebehorende Mercedes (personenauto). Deze autosleutels blijken na onderzoek te passen in de sloten van de Mercedes.

Verdachte heeft verklaard de autosleutels omstreeks 2004 te hebben gevonden in het bos.

De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 5 subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, omdat er geen overtuigend bewijs is van toeëigening.

De rechtbank deelt dit oordeel van de raadsman niet. Omstreeks 2004 heeft verdachte de autosleutels gevonden in het bos. Op 8 maart 2010 worden de autosleutels aangetroffen in de woning van verdachte. Verdachte heeft over de autosleutels sinds het moment van vinden in het bos als heer en meester beschikt, door deze onder zich te houden zonder deze als gevonden aan de politie te melden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van toeëigening van de autosleutels door verdachte.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 10 januari 2007 (zie zaak 16/610056-07: laatste veroordeling belaging betreft periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007) tot en met 7 maart 2010 (dag van aanhouding in woning [benadeelde 1]) te Leersum, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (hierna: fam. [benadeelde 1]), met het oogmerk die fam. [benadeelde 1], te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar (telkens)

wederrechtelijk en met vorenbedoelde opzet de navolgende op de persoonlijke

levenssfeer van de fam. [benadeelde 1] inbreuk makende handelingen verricht:

- eenmaal het plegen van huisvredebreuk bij de fam. [benadeelde 1] door hun woning zonder toestemming binnen te dringen en te betreden;

- meermalen het plegen van erfvredebreuk;

- een brief (van 6 december 2007, p. 102 0-pv) schrijven aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug waarin staat dat liegen en bedriegen hét handelskenmerk van [benadeelde 1] is;

- een brief (van 7 februari 2008, p. 103 0-pv) sturen aan de huurders van de woning van de fam. [benadeelde 1] waarin staat dat [benadeelde 1] hen bespied en ziekelijke gedragingen pleegt;

- een brief (van 1 mei 2008, p. 106 0-pv) sturen aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug waarin de woning en het terrein van de fam. [benadeelde 1] wordt omschreven als zigeunerkamp;

- een brief (van 2 november 2009, p. 340 e.v. van het B-pv) sturen aan staatsbosbeheer, waarin onder andere staat dat de [benadeelde 1] zwaar paranoïde zijn, dat zij van de voorzieningenrechter ongelooflijk op hun donder hebben gehad en dat zij huurders uit hun huis hebben getreiterd;

- een brief (van 20 oktober 2008, p. 389 e.v. van het B-pv) sturen aan de belastingdienst, waar in bijlage 3 gesproken wordt van het handelsmerk liegen en bedriegen van de [benadeelde 1];

- meermalen met een lichtgevend voorwerp in de woning en/of het gastenverblijf van de fam. [benadeelde 1] schijnen;

- meermalen (een) ruit(en) van het gastenverblijf van de fam. [benadeelde 1] beplakken en besmeuren met verf of andere daarop gelijkende (vloei)stof;

- meermalen fotograferen van de woning en het gastenverblijf van de fam. [benadeelde 1] en bezoekers van de fam. [benadeelde 1] (zie onder andere pag. 568 e.v. van het B-pv);

- versperren/blokkeren van het (toegangs) pad naar / van de woning van de fam. [benadeelde 1] op 27 mei 2009;

- eenmaal, het plegen van vernielingen en/of beschadigingen in de woning van de fam. [benadeelde 1], waaronder deur bijkeuken;

2.

Subsidiair

op 07 maart 2010 te Leersum, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2];

3.

op 08 maart 2010 te Leersum, een wapen van categorie I, onder 3 te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

4.

op 08 maart 2010 te Leersum, munitie van categorie III, te weten twee geweerpatronen, voorhanden heeft gehad;

5.

Subsidiair

op tijdstippen in de periode van 17 juli 2003 tot en met 08 maart 2010 te Leersum, opzettelijk meer autosleutels (behorend bij een personenauto, merk Mercedes), toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Eendaadse samenloop van de feiten 1 en 2:

belaging;

en

in de woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen;

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 5:

verduistering.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft, wat betreft de strafbaarheid van verdachte, gelet op een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 30 juli 2010 van drs. S.C. Beeckman, psycholoog en een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 22 juni 2010 van drs. H.A. Gerritsen.

Psychiater H.A. Gerritsen komt tot de conclusie dat verdachte niet lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens noch aan een ziekelijke stoornis, zodat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Psycholoog S.C. Beeckman komt tot de conclusie dat er bij verdachte sprake lijkt te zijn van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in die mate dat er narcistische en obsessief-compulsieve persoonlijkheidskenmerken zijn geconstateerd. wanneer dit als uitgangspunt wordt genomen acht de deskundige verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar voor de aan hem ten laste gelegde feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de familie [benadeelde 1], zowel indirect als direct, en een erfverbod, zoals opgenomen in het laatste civielrechtelijke vonnis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft (voor hetgeen hij bewezen acht) bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die in duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest.

De raadsman heeft onder meer betoogd dat verklaringen van een buurtgenoot, een ex-huurder en van een politieman, allen gehoord door de rechter-commissaris, een ander licht op de zaak werpen en dat daaruit blijkt dat [benadeelde 1] zelf inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte althans heeft bijgedragen aan het voortduren van het conflict.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, met name de belaging van de familie [benadeelde 1] moet als zodanig worden opgevat. Verdachte heeft de familie [benadeelde 1] gedurende lange tijd belaagd, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een aanhouding van verdachte in de woning van de familie [benadeelde 1].

Door aldus te handelen heeft verdachte in het leven van de familie [benadeelde 1] onuitwisbare sporen nagelaten. Verdachte heeft de familie [benadeelde 1] angst aangejaagd zodanig dat voor hen een normaal functioneren (welhaast) onmogelijk werd. Nog immer, zo is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, kampt de familie [benadeelde 1] met de gevolgen van verdachtes handelen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan erfvredebreuk en verduistering.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 november 2010 is de verdachte eerder veroordeeld wegens belaging van de familie [benadeelde 1]. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten te plegen.

Voorts neemt de rechtbank het de verdachte zeer kwalijk dat hij, blijkens zijn houding ter terechtzitting, kennelijk nog steeds niet het inzicht heeft verkregen dat zijn handelen onjuist is en evenmin blijk geeft van enig inzicht in de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met enerzijds de intensiteit, de duur en de frequentie waarmee de verdachte de slachtoffers heeft lastig gevallen, en anderzijds de wijze waarop de slachtoffers zelf met het conflict zijn omgegaan.

Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte - na de schorsing van de voorlopige hechtenis - de aangevers lastig is blijven vallen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank heeft hierbij ten voordele van verdachte in overweging genomen dat aannemelijk is geworden dat verdachte herhaaldelijk het erf heeft betreden, ruiten heeft besmeurd en foto’s heeft gemaakt om schending van zijn privacy te verhinderen dan wel aan te kunnen tonen dat zijn eigen privacy door aangever [benadeelde 1] werd geschonden. Zoals hiervoor is overwogen, betekent dat niet dat de gedragingen van verdachte waren toegestaan, wel is de rechtbank van oordeel dat thans kan worden volstaan met een gevangenisstraf van kortere duur.

De rechtbank zal, anders dan de officier van justitie heeft geëist, geen bijzondere voorwaarde opleggen inhoudende een contactverbod, omdat de rechtbank geen meerwaarde ziet in een contactverbod. De algemene voorwaarde bij de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf houdt in dat verdachte zich niet schuldig mag maken aan het plegen van strafbare feiten. Dit betekent derhalve reeds dat verdachte zich dient te onthouden van het plegen van een stelselmatige inbreuk op de rechten van de familie [benadeelde 1]. Om die reden ziet de rechtbank dan ook geen meerwaarde in een contactverbod. Wel zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde bepalen dat verdachte zich niet op het perceel van de familie [benadeelde 1] zal begeven, behoudens op het gedeelte waarop het recht overpad rust.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden wapen- en munitiebezit.

Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken.

Gelet op de omstandigheden en de aard van de voorwerpen waar het om ging spelen deze feiten in het bepalen van de straf een ondergeschikt rol.

7. De benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] volledig dienen te worden toegewezen tot een bedrag van € 2.600,- respectievelijk € 2.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 100,- als materiële schade en voor het overige niet ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet van eenvoudige aard zou zijn. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] dient, naar het oordeel van de raadsman, eveneens niet ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze niet van eenvoudige aard zou zijn.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 2.600,- voor feit 1.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 1] door het bewezen verklaarde feit 1 rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, acht de rechtbank, bezien in het licht van hetgeen verdachte benadeelde partij [benadeelde 1] heeft aangedaan, het redelijk en billijk de vordering tot het bedrag van €1.100,-, waarvan € 100,- ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van de immateriële schade toe te wijzen.

Voor het overige verklaart de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet eenvoudig van aard zou zijn, aangezien er sprake zou zijn van medeschuld aan de zijde van de benadeelde partij.

Omdat de rechtbank niet kan vaststellen in hoeverre de benadeelde partij medeschuld heeft aan het ontstaan van de immateriële schade, is de vordering niet van eenvoudige aard.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij [benadeelde 1] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 2.500,- voor feit 1.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] door het bewezen verklaarde feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, acht de rechtbank, bezien in het licht van hetgeen verdachte benadeelde partij [benadeelde 2] heeft aangedaan, het redelijk en billijk de vordering tot het bedrag van €1.000,- toe te wijzen.

Voor het overige verklaart de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet eenvoudig van aard zou zijn, aangezien er sprake zou zijn van medeschuld aan de zijde van de benadeelde partij.

Omdat de rechtbank niet kan vaststellen in hoeverre de benadeelde partij medeschuld heeft aan het ontstaan van de immateriële schade, is de vordering niet van eenvoudige aard.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij [benadeelde 2] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. Het beslag

8.1. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de familie [benadeelde 1], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.2. De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat deze inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte toebehoren en het onder 1 gepleegde strafbare feit is begaan met betrekking tot deze voorwerpen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 55, 57, 138, 285b en 321 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich niet op het perceel van de familie [benadeelde 1] zal begeven, behoudens op het gedeelte waarop het recht overpad rust;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan de familie [benadeelde 1] van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd onder 10;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 9;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 1.100,-, waarvan € 100,- ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 1.100,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 21 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van

€ 1.000,-, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], € 1.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mrs. M.C. Oostendorp en R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 november 2010.