Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO5230

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
280952 / HA RK 10-42
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 46 lid 1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) afgewezen, nu naar het oordeel van de rechtbank de Wbp niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
P&I 2011, afl. 2, p. 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 280952 / HA RK 10-42

Beschikking van 17 november 2010

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster],

gemachtigde: mr. N.K. Visscher,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMFORS HOLDING B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verweerster,

hierna te noemen: Amfors,

gemachtigde: mr. J.W. Stam.

1. Verloop van de procedure

1.1. [verzoekster] heeft op 12 januari 2010 een verzoekschrift ex artikel 46 lid 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ingediend. Het verzoek strekt er toe dat Amfors kopieën zal verstrekken van stukken uit een dossier dat door de Commissie Ongewenste Omgangsvormen van Amfors Groep (hierna: de COO) is aangelegd naar aanleiding van een klacht van [verzoekster].

1.2. De griffier van deze rechtbank heeft partijen opgeroepen tegen de terechtzitting van 9 maart 2010, waarbij aan Amfors een kopie van het verzoekschrift is toegezonden.

1.3. Op 4 maart 2010 is ter griffie van de rechtbank een brief met bijlagen van

mr. J.W. Stam ontvangen.

1.4. Ter zitting zijn verschenen:

- mevrouw [verzoekster], in persoon;

- mevrouw mr. N.K. Visscher, voornoemd;

- mevrouw [A], namens Amfors;

- mevrouw mr. J.W. Stam, voornoemd.

1.5. Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

2. Vaststaande feiten

2.1. Op 31 juli 2006 heeft [verzoekster] een klacht ingediend bij de COO tegen – in het bijzonder – de heer [B], de heer [C] en mevrouw [D]. De klacht is ontvankelijk verklaard en inhoudelijk door de COO behandeld. In dat kader heeft de COO onder meer met [B], [C] en [D] gesproken. Hiervan zijn gespreksverslagen opgesteld. In de uitspraak van november 2006 is zakelijk weergegeven wat [B], [C] en [D] hebben verklaard. In de uitspraak is voorts als conclusie opgenomen:

“Conclusies: - de COO acht de klachten ontvankelijk

- de COO acht niet bewezen dat de drie functionarissen klaagster hebben geïntimideerd of anderszins zoals door klaagster geformuleerd in haar brief van 31 juli en tijdens het gesprek met de COO.

- de COO acht bewezen dat weerlegging van bepaalde stellingen van klaagster onogelijk is doordat geen schriftelijke aantekeningen van sommige afspraken is gemaakt .”

2.2. Nadat de onder ?2.1 bedoelde uitspraak was gedaan, heeft [verzoekster] verzocht om inzage in het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier. Amfors heeft dat verzoek ingewilligd; op 31 augustus 2007 heeft [verzoekster] het dossier ingezien. Zij heeft Amfors toen verzocht om kopieën van documenten en gespreksverslagen te mogen ontvangen. Amfors heeft dit verzoek niet ingewilligd.

2.3. Op 6 november 2007 heeft [verzoekster] een bemiddelingsverzoek ingediend bij het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). Nadat enige correspondentie heeft plaatsgevonden tussen het CBP, [verzoekster] en Amfors heeft het CBP bij brief van 2 december 2009 aangegeven dat zij uit de brieven van Amfors afleidt dat Amfors haar mogelijk geen volledig afschrift van het dossier ter beschikking zal stellen. Het CBP geeft in die brief voorts aan dat niet te verwachten valt dat verdere bemiddeling door het CBP tot een ander resultaat zal leiden. Daarom heeft het CBP besloten de behandeling van de zaak te beëindigen.

3. Verzoek

3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank om Amfors te veroordelen binnen een week na de datum van de beschikking de gevraagde kopieën aan [verzoekster] te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, een en ander met veroordeling van Amfors in de kosten van de procedure, waaronder begrepen een bedrag aan salaris van gemachtigde.

3.2. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [verzoekster] dat het door de COO aangelegde dossier een bestand is in de zin van de Wbp. Het dossier is namelijk gestructureerd aangelegd en [verzoekster] heeft klachten ingediend over verschillende functionarissen, zodat het dossier betrekking heeft op verschillende personen. Amfors is daarom op grond van artikel 35 Wbp gehouden [verzoekster] de verzochte kopieën te verstrekken.

3.3. [verzoekster] beroept zich voorts op artikel 8 lid 9 van het Reglement voorkoming ongewenst gedrag dat door Amfors wordt gehanteerd en waarin is bepaald:

“Na afronding van het onderzoek stelt de commissie ongewenst gedrag een proces-dossier samen van alle stukken die bij de uitkomsten van het onderzoek zullen worden betrokken en stuurt dit aan zowel de klager als aangeklaagde. Zij worden daarbij in de gelegenheid gesteld te reageren binnen een bepaalde termijn.”

3.4. De weigering van Amfors op grond van bescherming van privé-gegevens van derden gaat volgens [verzoekster] niet op nu in een eerder stadium reeds verslagen zijn verstrekt waarin namen van derden staan vermeld. Ook de stelling dat de kopieën niet worden verstrekt omdat Amfors vreest dat opmerkingen over medewerkers en hun gezondheid bij [verzoekster] terecht komen, is volgens [verzoekster] onjuist. In het persoonlijk dossier van Eemfors betreffende [verzoekster] staat enkel informatie van managers over [verzoekster] en geen informatie over collega’s van [verzoekster]. Bovendien staan gegevens over de gezondheid van een medewerker in een medisch dossier. [verzoekster] wenst uitsluitend kopieën uit haar persoonlijk dossier.

4. Verweer

4.1. Amfors betwist gehouden te zijn de gevraagde kopieën te verstrekken. Zij stelt allereerst dat de Wbp niet van toepassing is. De verklaringen waarvan kopieën zijn verzocht bevinden zich namelijk in een persoonlijk dossier, zijn niet gestructureerd en hebben geen betrekking op verschillende personen. De gegevens zijn dan ook niet te beschouwen als een “bestand” in de zin van artikel 1 sub c Wbp.

4.2. Subsidiair beroept Amfors zich op artikel 43 sub e Wbp, waarin is bepaald dat het bepaalde in artikel 35 Wbp buiten toepassing blijft als dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van rechten of vrijheden van anderen. Ter onderbouwing hiervan heeft Amfors verklaringen overgelegd van de personen die in de procedure voor de COO verklaringen hebben afgelegd, waarin deze bezwaar maken tegen het verstrekken van de verzochte kopieën aan [verzoekster].

4.3. Tenslotte stelt Amfors dat [B] en [D] hebben verzocht de door hen afgelegde verklaringen te vernietigen. Dit, in combinatie met het feit dat artikel 10 Wbp voorschrijft dat bestanden niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is, leidt volgens Amfors eveneens tot de conclusie dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen.

5. Beoordeling van het verzoek

5.1. Uit artikel 2 Wbp volgt dat de Wbp van toepassing is op “de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin opgenomen te worden”. Uit het door [verzoekster] ingediende verzoek en uit het verweer van Amfors blijkt dat de gegevens waarop het verzoek zich richt, geen geautomatiseerde gegevens zijn. Dat betekent dat de Wbp slechts van toepassing is als het gaat om persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen.

5.2. In artikel 1 sub c Wbp is het begrip bestand gedefinieerd als:

“elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen”.

[verzoekster] stelt dat het door de COO aangelegde dossier onder de reikwijdte van deze definitie valt. De rechtbank volgt [verzoekster] daarin niet. Zoals reeds volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 1 van de Wet persoonsregistraties (MvT wetsvoorstel 19 095, nr. 3, p. 17) kunnen enkelvoudige dossiers niet als persoonsregistratie in de zin van de Wet persoonsregistraties worden aangemerkt. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting (bladzijde 53) is met de invoering van de Wbp niet bedoeld daarin verandering te brengen. Daar komt bij dat het door de COO aangelegde klachtdossier, anders dan [verzoekster] stelt, geen betrekking heeft op verschillende personen als bedoeld in artikel 1 sub c Wbp. In dat artikel wordt immers gedoeld op de situatie waarin persoonsgegevens deel uitmaken van een samenhangend groter geheel (zie bladzijde 17 van de memorie van toelichting). Er moet dus sprake zijn van bestanden waarin (vergelijkbare) persoonsgegevens van verschillende personen op een gestructureerde wijze zijn verzameld, zodat deze gemakkelijk toegankelijk zijn. Het door de COO aangelegde klachtdossier is niet te kwalificeren als een dergelijk “bestand”. Het heeft immers uitsluitend betrekking op de door [verzoekster] ingediende klachten en bevat geen (vergelijkbare) persoonsgegevens van anderen. Dat derden zijn benaderd om op de door [verzoekster] geuite klachten te reageren, maakt dit niet anders.

5.3. Er zou mogelijk wel sprake kunnen zijn van een bestand als bedoeld in de wet als er sprake zou zijn van een hele verzameling klachtdossiers die op een systematische manier toegankelijk zouden zijn gemaakt, bijvoorbeeld in combinatie met een al dan niet geautomatiseerd bestand met een verwijsfunctie naar de dossiers. Gesteld noch gebleken is echter dat de COO een dergelijke verzameling klachtdossiers zou beheren. Uit de door Amfors ingenomen (en door [verzoekster] niet bestreden) stelling dat het in het onderhavige geval gaat om een individueel dossier waartoe slechts twee personen toegang hebben, volgt eerder het tegenovergestelde.

5.4. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Wbp niet van toepassing is op het door de COO aangelegde klachtdossier. De vorderingen van [verzoekster] zullen daarom worden afgewezen en de overige verweren van Amfors behoeven geen nadere bespreking. Met betrekking tot het beroep van [verzoekster] op artikel 8 lid 9 van het Reglement voorkoming ongewenst gedrag overweegt de rechtbank nog dat zij niet kan uitsluiten dat [verzoekster] zich op deze bepaling kan beroepen. De onderhavige – op de Wbp gebaseerde – procedure leent zich echter niet voor een toetsing van die stelling van [verzoekster].

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.?