Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO5058

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
16/600744-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ad informandum, diefstal, woninginbraken, bedrijfsinbraken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600744-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland

thans gedetineerd in het HvB locatie Wolvenplein, Utrecht

raadsman mr. J. Bredius, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: openlijk geweld heeft gepleegd tegen goederen,

Feit 1 subsidiair: samen met een ander goederen heeft vernield,

Feit 2: een woninginbraak heeft gepleegd,

Feit 3: samen met een ander een woninginbraak heeft gepleegd,

Feit 4: samen met een ander een bedrijfsinbraak heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het eerste ten laste gelegde feit en heeft vrijspraak bepleit. Uit het dossier blijkt enkel dat de persoon met de witte broek er bij heeft gestaan.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

10 november 2010, waarbij hij zijn verklaring afgelegd bij de politie heeft bevestigd;

- de aangifte van [slachtoffer 1].

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

10 november 2010, waarbij hij zijn verklaring afgelegd bij de politie heeft bevestigd;

- de aangifte van [slachtoffer 2].

Feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

10 november 2010, waarbij hij zijn verklaring afgelegd bij de politie heeft bevestigd;

- de aangifte van [slachtoffer 3].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 24 juli 2010 te Hoogland, gemeente Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een flatscreen (merk Panasonic) toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van een raam van die woning en vervolgens door middel van inklimming;

3.

op 09 januari 2008 te Hoogland, gemeente Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan Breeland 59) heeft weggenomen een flatscreen (merk Panasonic), toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte en/of zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking van een ruit van die woning en door middel van inklimming;

4.

op meer tijdstippen in de periode van 31 oktober 2005 tot en met 21 november 2005 te Amersfoort tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit beautysalon Beauty N Joy heeft weggenomen verzorgingsproducten, toebehorende aan beautysalon Beauty N Joy en/of [slachtoffer 3], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht telkens door middel van braak (het ingooien van een ruit en een glazen voordeur met een steen).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming;

Feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een opname in een instelling voor begeleid wonen (bijvoorbeeld de instelling Exodus).

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de onderhavige zaak een uitzonderlijke zaak betreft, omdat verdachte veel feiten bekent. De vraag is hoe in dit geval om te gaan met de straf. Zowel vergelding als preventie zijn belangrijk. Er moet niet alleen naar de ernst van het feit gekeken worden. De persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zich hebben voorgedaan zijn van belang. Verdachte heeft oprecht spijt. De verdachte heeft zelf bedacht dat hij hulp nodig heeft en dat de instantie Exodus de nodige begeleiding kan geven. Het recidiverisico is laag. Een lange voorwaardelijke gevangenisstraf is op zijn plaats. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot 15 december 2010 is op zijn plaats. Op deze dag kan verdachte bij de instantie Exodus terecht voor een intakegesprek. Het overige gedeelte van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf dient voorwaardelijk te worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft binnen het tijdsbestek van een aantal jaar zeer veel vermogensdelicten gepleegd. Verdachte kan derhalve getypeerd worden als een veelpleger die nooit is gepakt. Deels zijn de vermogensdelicten afzonderlijk ten laste gelegd. Het overige gedeelte van de vermogensdelicten is ad informandum vermeld op de dagvaarding. Het betreft hier 23 diefstallen dan wel pogingen tot diefstal die ad informandum zijn gevoegd. Het gaat daarbij om 17 voltooide delicten en zes maal om een poging tot diefstal. In 16 gevallen betreft het een bedrijfsinbraak, in zes gevallen betreft het een woninginbraak en eenmaal is sprake van diefstal van een auto. Met dit grote aantal ad informandum vermelde feiten wordt door de rechtbank rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de straf.

Onder meer op grond van het grote aantal feiten is de rechtbank van oordeel dat een hogere straf dan door de officier van justitie geëist, passend en geboden is.

Bovendien beschouwt de rechtbank de bewezenverklaarde feiten als zeer ernstig. Een substantieel deel van de inbraken is ’s nachts gepleegd in woningen van de slachtoffers. Dit is een ingrijpende gebeurtenis voor de slachtoffers die dit doorgaans nog lang na de inbraak met zich mee dragen.

In het voordeel van verdachte weegt mee dat hij door zijn spontane bekentenis bij de politie zaken heeft opgelost die mogelijk anders nooit opgelost zouden zijn en dat hij oprecht spijt lijkt te hebben van zijn daden en er op gebrand lijkt zijn leven een positieve wending te geven.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van:

- De inhoud van het strafblad van verdachte d.d. 4 oktober 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

- Een reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland betreffende verdachte d.d. 18 oktober 2010 opgemaakt door A. Balfoort, reclasseringswerker, inhoudende een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een opname in een instelling voor begeleid wonen.

De rechtbank acht alles afwegend een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan

1 jaar voorwaardelijk, passend en geboden.

Als bijzondere voorwaarde dient verdachte zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang zoals Exodus of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering of de instelling dat nodig acht.

De voorwaardelijke gevangenisstraf kan tevens dienen als een 'stok achter de deur' ten einde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd van 2 jaar.

6.4 Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feiten:

1. op 17 februari 2010 te Amersfoort een poging diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

2. op 30 juni 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

3. op 29 december 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

4. op 22 februari 2006 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

5. op 6 december 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

6. op 31 mei 2005 te Amersfoort een poging diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

7. op 2 juli 2005 te Amersfoort een poging diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

8. op 18 juni 2005 te Amersfoort een diefstal heeft gepleegd;

9. op 20 mei 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

10. op 11 maart 2005 te Hoogland een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

11. op 2 juli 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

12. op 26 januari 2006 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

13. op 21 oktober 2005 te Soest een diefstal door middel van een valse sleutel heeft gepleegd;

14. op 21 oktober 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

15. op 26 december 2005 te Amersfoort een poging diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

16. op 5 november 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

17. op 4 april 2006 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

18. op 17 juli 2005 te Hoogland een poging diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

19. op 29 augustus 2005 te Hoogland een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

20. op 9 augustus 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

21. op 2 december 2005 te Amersfoort een poging diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

22. op 23 november 2005 te Amersfoort een diefstal door middel van braak heeft gepleegd;

23. op 12 januari 2008 te Bunschoten een diefstal door middel van braak heeft gepleegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming;

Feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang zoals Exodus of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering of de instelling dat nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens , voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. Y.M.J.I. Baauw- de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.F.R. Storij, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 november 2010.