Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO5035

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
16/600759-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal met geweld, poging tot afpersing met geweld, autodiefstal, poging tot diefstal met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600759-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats]

wonende te Culemborg

thans gedetineerd in de PI Utrecht –HvB locatie Nieuwegein, Nieuwegein

raadsvrouw mr. K.P. Mandos, advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een autodiefstal met geweld heeft gepleegd;

feit 2: een poging tot autodiefstal met geweld heeft gepleegd;

feit 3 primair: een poging tot diefstal met geweld heeft gepleegd;

feit 3 subsidiair: een poging tot afpersing heeft gepleegd.

Ten aanzien van de ad informandum gevoegde feiten, dat verdachte:

feit 1: zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg veroorzaakt werd;

feit 2: een vuurwapen van de derde categorie voorhanden heeft gehad;

feit 3: een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2 tot een bewezenverklaring kan komen. Feit 3 kan niet bewezen worden, omdat het geweld of het bedreigen met geweld, dat onderdeel uitmaakt van zowel de primaire als de subsidiaire tenlastelegging van feit 3, niet bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft namelijk niet het vuurwapen gericht op de aangever en heeft ook niet achter de aangever aangereden. De verdachte verklaart immers dat hij het wapen pas vastpakte op het moment dat de aangever wegrende. Dat de aangever niets verklaart over de kleur en het model van het wapen geeft aan dat aangever het wapen niet gezien heeft. Het zou kunnen dat aangever later van iemand gehoord heeft dat verdachte een wapen had. Verdachte is over alles wat is gebeurd, dus ook over dit feit, open en eerlijk. Verdachte verklaart dat hij de portemonnee geëist heeft en naar de aangever geschreeuwd heeft. Er is daarbij echter geen sprake van geweld of dreigen met geweld. Verdachte verklaart de andere kant opgereden te zijn. Bovendien verklaart aangever dat de achtervolging van aangever door verdachte één minuut geduurd heeft. Deze verklaring van verdachte wordt in twijfel getrokken. Een achtervolging kan niet één minuut duren, aangezien een auto sneller is dan een voetganger.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

10 november 2010, waarbij hij zijn verklaring afgelegd bij de politie heeft bevestigd;

- de aangifte van [slachtoffer 2];

- de aangifte van [slachtoffer 1].

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

10 november 2010, waarbij hij zijn verklaring afgelegd bij de politie heeft bevestigd;

- de aangifte van [benadeelde 1];

- de verklaring van getuige [benadeelde 2].

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[slachtoffer 3], aangever, heeft verklaard dat hij zich op 1 augustus 2010 te Lage-Vuursche op de Dorpsstraat 2 bevond. Hij verklaart dat een auto naast hem tot stilstand kwam. Het voorraam van de auto stond open en een man in de auto gebaarde om naar hem toe te komen. De man riep naar de aangever “He kom hier, geld, portemonnee, godverdomme nu”. Aangever verklaart dat hij bukte en in de auto keek. Hij zag dat verdachte een vuurwapen op hem richtte. Aangever zag dat verdachte dit vuurwapen van de passagierstoel pakte. Hij zag dat het wapen niet erg groot, namelijk ongeveer ter grote van de hand van aangever, is. Aangever verklaart de parkeerplaats te zijn opgerend, waarna de man in de auto ook de parkeerplaats opreed. Aangever zag dat de auto achter hem aankwam. Hij verklaart hierbij op de grond te zijn gevallen.

Verdachte heeft op zijn beurt verklaard dat hij aangever zag staan en aan hem vroeg of hij naar hem toe kon komen. Verdachte eiste vervolgens de portemonnee van de aangever. Hij heeft hierbij de woorden “he kom hier, geld, portemonnee godverdomme nu” gebruikt.

Het vuurwapen lag op de passagiersstoel. Op het moment dat verdachte de portemonnee eiste, ging hij met zijn hand naar het vuurwapen en op het moment dat de aangever wegrende, schakelde hij. De aangever rende vervolgens naar de parkeerplaats. De verdachte moest wachten tot de slagboom omhoog ging. De aangever viel en verdachte reed de parkeerplaats op. Tijdens het rijden was verdachte misschien aan het schreeuwen.

De rechtbank hecht meer waarde aan de verklaring van de aangever en gaat dan ook hiervan uit gezien de volgende feiten en omstandigheden. De rechtbank gaat hierbij in op de door de verdediging gevoerde verweren, zoals deze zijn weergegeven onder 4.2.

Uit het feit dat aangever niets verklaart over de kleur of het model van het wapen kan niet de conclusie getrokken worden, zoals door de verdediging is gedaan, dat aangever het wapen niet gezien heeft. Hierbij neemt de rechtbank in ogenschouw, dat het op een nachtelijk tijdstip in het donker gebeurd is. Bovendien verklaart aangever wel over de grootte van het wapen. Deze verklaring van aangever blijkt overeen te stemmen met het later bij verdachte teruggevonden wapen.

Voorts zou het, volgens de verdediging, kunnen dat de aangever van iemand anders heeft gehoord heeft dat verdachte een wapen had. Gezien het tijdstip van het tenlastegelegde feit, te weten: 1 augustus 2010 om 00:15 uur en het tijdstip van de verklaring van de aangever, te weten: 1 augustus 2010 om 02:38 uur acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte van iemand anders zou hebben gehoord dat verdachte een wapen, ter grootte van een hand bij zich zou hebben gehad.

Tot slot acht de rechtbank de verklaring van aangever dat de achtervolging ongeveer één minuut geduurd heeft geloofwaardig. De rechtbank neemt bij dit oordeel in ogenschouw dat verdachte tijdens de achtervolging moest wachten tot een slagboom omhoog ging.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de poging tot afpersing op de openbare weg heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 01 augustus 2010 te Hilversum op de openbare weg, te weten de Soestdijkerstraatweg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Ford Mondeo) toebehorende aan [slachtoffer 1] of leasemaatschappij Terberg leasing, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- hard op een ruit van die personenauto heeft gebonkt en

- een pistool, op die [slachtoffer 2] heeft gericht gehouden en

- tegen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd: "Eruit, eruit, eruit" en

- die [slachtoffer 2] aan zijn overhemd uit de auto heeft getrokken en

- die [slachtoffer 2] een harde klap op zijn gezicht heeft gegeven;

2.

op 01 augustus 2010 te Baarn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een personenauto (merk Peugeot 307) toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hebbende hij, verdachte,

- een pistool op die [benadeelde 1] en [benadeelde 2]n en hun hond gericht gehouden en

- meermalen tegen die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (zakelijk weergegeven) geroepen dat hij, verdachte, de sleutels wilde hebben en

- die [benadeelde 1] meermalen met een pistool op zijn hoofd geslagen en die [benadeelde 1] op zijn nek en schouders en slaap geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

op 01 augustus 2010 te Lage-Vuursche, gemeente Baarn, op de openbare weg, te weten de Dorpsstraat, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een portemonnee toebehorende aan [slachtoffer 3], hebbende hij, verdachte,

- een vuurwapen op die [slachtoffer 3] gericht en

- tegen die [slachtoffer 3] geschreeuwd/gezegd: "He kom hier, geld, portemonnee, godverdomme nu", en

- die [slachtoffer 3] met de auto waarin hij, verdachte, reed achterna gereden is waardoor die [slachtoffer 3] op enig moment ten val is gekomen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: diefstal op de openbare weg, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 2: poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 3: poging tot afpersing, terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan

8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van het voorarrest, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht ook als dat inhoudt een behandeling door IrisZorg te Tiel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging vindt de strafeis van de officier van justitie te hoog. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging een overzicht van uitspraken overgelegd die volgens de verdediging vergelijkbare rechtszaken betreffen. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was en dat dit strafverminderend dient te werken. De verdachte is een first-offender. Eerder heeft verdachte een forse hoeveelheid drugs gebruikt, maar dit leverde niet een dergelijke heftige reactie op. Het recidivegevaar is volgens het Pro Justitia-rapport zeer gering. De verdediging is van mening dat de op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn, maar dat het voorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf minstens acht maanden dient te betreffen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in één nacht meerdere zeer ernstige feiten gepleegd. Hij heeft een auto gestolen door de personen in de auto te bedreigen met een pistool en één van hen uit de auto te trekken. Korte tijd later heeft verdachte wederom geprobeerd een auto met geweld te stelen. Hierbij heeft verdachte twee personen onder schot gehouden en één persoon meerdere malen met het pistool geslagen. Verdachte heeft vervolgens de sleutels van deze auto in handen gekregen, maar heeft de auto niet daadwerkelijk gestolen, omdat verdachte de auto niet open kreeg. Hierna heeft verdachte nog geprobeerd iemand tot afgifte van diens portemonnee te dwingen. Hierbij heeft verdachte een vuurwapen op deze persoon gericht en hem met zijn auto achterna gereden.

Ook de ad informandum ten laste gelegde feiten wegen mee in de straftoemetingsbeslissing. Verdachte heeft in dezelfde nacht gevaar in het verkeer veroorzaakt door met hoge snelheid en stoplichten negerend, over wegen buiten en binnen de bebouwde kom te rijden. Het is met name te danken aan alert reageren van medeweggebruikers dat er geen aanrijdingen hebben plaatsgevonden. Ook heeft verdachte een verboden wapen en verboden middelen voorhanden gehad. Voor al deze ernstige feiten is een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

De gedragingen van verdachte hadden tot veel ernstiger feiten kunnen leiden, wanneer bijvoorbeeld het pistool van verdachte tijdens het slaan van één van de slachtoffers was afgegaan of wanneer een ongeluk zich had voorgedaan veroorzaakt door het rijgedrag van verdachte.

Dat de rechtbank niet een hogere straf oplegt, dan door de officier van justitie is geëist, is mede ingegeven door het feit dat verdachte niet eerder soortgelijke strafbare feiten heeft gepleegd. Ook speelt een rol dat de bewezen verklaarde feiten kunnen worden gezien als één voortgezette handeling, alhoewel buiten twijfel is dat elke bewezenverklaring een op zichzelf staand misdrijf is. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals deze blijkt uit het Psychiatrisch onderzoek , niet tot strafvermindering leidt. De verminderde toerekeningsvatbaarheid is immers een gevolg van een psychische stoornis die is ontstaan bij het gebruik van een forse hoeveelheid cocaïne.

Alles overwegend acht de rechtbank de eis van de officier, een gevangenisstraf van

40 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

6.4 De ad informandum gevoegde feiten

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feiten:

1. op 1 augustus 2010 te Maarssenbroek het zich zodanig gedragen dat gevaar op de weg veroorzaakt wordt;

2: op 1 augustus 2010 te Maarssenbroek een vuurwapen van de derde categorie voorhanden heeft gehad;

3: op 1 augustus 2010 te Baarn een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet voorhanden heeft gehad.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 3.036,23 voor feit 2.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert voor dit feit een schadevergoeding van

€ 2.716,25.

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

Deze vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft aangegeven de schade te willen vergoeden. Voor de beide vorderingen geldt wat betreft de immateriële schade dat de rechtszaak waar de benadeelde partij de onderhavige rechtszaak mee vergelijkt niet hetzelfde is.

Het bedrag voor de immateriële schade moet derhalve gematigd worden. Voor de beide vorderingen geldt wat betreft de materiële schade dat de wijze waarop de hoogte van het inkomen is vastgesteld onvoldoende is onderbouwd. Dit gedeelte van de vordering is derhalve niet eenvoudig van aard. Tevens zijn de parkeerkosten en de kosten van de beurt van de auto in de wasstraat onvoldoende onderbouwd. Tevens is de verdediging van mening dat het bloed dat op het polo-shirt is terechtgekomen door toedoen van verdachte uitgewassen zou kunnen worden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd zodat de vorderingen zullen worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal op de openbare weg, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 2: een poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 3: poging tot afpersing, terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een behandeling door IrisZorg te Tiel of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 3.036,23, waarvan € 1.186,23 ter zake van materiële schade en € 1.850,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 1] € 3.036,23 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 40 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van

€ 2.716,25, waarvan € 1.045,25 ter zake van materiële schade en € 1.670,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 2] € 2.716,25 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 37 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.F.R. Storij, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 november 2010.