Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4964

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
282296 - HA ZA 10-394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde en haar echtgenoot (van wie gedaagde nu gescheiden leeft) zijn appartementseigenaren geweest. Gedaagde is bestuurslid geweest van eiseres. Door middel van de aan haar verstrekte pinpas is een bedrag van EUR 31.107,61 van de rekening van eiseres verduisterd. Gedaagde heeft een bedrag van EUR 12.380,- terugbetaald.

Eiseres stelt dat gedaagde samen met haar echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk is voor de resterende schuld en de nog openstaande periodieke bijdragen. Zij heeft echter alleen gedaagde in rechte betrokken.

Tijdens de zitting komt vast te staan dat gedaagde nog in gemeenschap van goederen is getrouwd. Zij erkent dat zij een bedrag van EUR 12.380,- heeft verduisterd om rond te komen, maar voert aan dat het restant door haar echtgenoot is opgenomen nadat hij haar het pasje afhandig had gemaakt. Partijen zijn het erover eens dat gedaagde hoofdelijk aansprakelijk is.

Met betrekking tot de hoofdelijkheid oordeelt de rechtbank dat partijen kennelijk het oog hebben op het bepaalde in artikel 1:85 BW. Het verduisteren van gelden is geen activiteit die valt onder artikel 1:94 lid 2 BW, zodat van hoofdelijkheid geen sprake is. Als de lezing van eiseres juist is, dan kan zij gedaagde aanspreken voor de terugbetaling van de restantschuld. Als de lezing van gedaagde juist is, dan kan eiseres alleen de echtgenoot aanspreken. Bewijsopdracht aan eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 282296 / HA ZA 10-394

Vonnis van 24 november 2010

in de zaak van

de vereniging

[eiseres]

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.A.J. Heijnen te Breda,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.M. Dezfouli te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 juni 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 september 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1. [gedaagde] is met [A] in gemeenschap van goederen gehuwd. In de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 was zij samen met [A] eigenaar van en woonachtig in een appartement in het complex [adres].

2.2. [gedaagde] was enige tijd bestuurlid (waaronder penningmeester) van [eiseres]. In deze hoedanigheid beschikte [gedaagde] over de pinpas die behoorde bij de bankrekening van [eiseres]. Gedurende deze periode is een bedrag van EUR 31.107,61 van deze bankrekening verduisterd. Hiervan heeft [eiseres] op 16 november 2007 aangifte gedaan bij de politie Midden en West Brabant.

2.3. De jaarlijks door de appartementseigenaren te betalen bijdrage bedroeg in voornoemde periode (omgerekend) EUR 544,56. Ondanks herhaalde betalingsverzoeken is deze bijdrage niet door [gedaagde] en/of [A] betaald. In totaal is ter zake hiervan nog een bedrag van EUR 3.267,36 verschuldigd.

2.4. Op 7 en 9 december 2004 heeft [gedaagde] een bedrag van in totaal EUR 12.380,- aan [eiseres] terugbetaald. Op enig moment is [gedaagde] in de persoonlijke schuldsanering geraakt. Op 5 juni 2008 is de schuldsanering geëindigd zonder aansluitend faillissement. Krachtens de informele uitdelingslijst is vervolgens een bedrag van EUR 512,98 aan [eiseres] betaald.

2.5. In haar brieven van 23 maart en 7 april 2009 sommeert [eiseres] respectievelijk [A] en [gedaagde] ter zake van de verduistering een bedrag van EUR 21.481,14 terug te betalen.

2.6. Ook [A] is in de persoonlijke schuldsanering geraakt. In haar brief van 7 april 2009 aan Stadsgeldbeheer schrijft [eiseres] onder meer:

“Uiteindelijk ontstond het voorstel dat uw cliënt maandelijks voorlopig via u een bedrag van € 75.00 betaalt, in aflossing op de door hem erkende schuld van € 21,481.14 (…)”

Deze brief is door [A] ondertekend en voorzien van de woorden “Gezien en akkoord”.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

- EUR 21.481,14, vermeerderd met rente vanaf 23 maart 2009, althans de dag van de dagvaarding; en

- de kosten, waaronder het griffierecht, explootkosten, de kosten van de advocaat van [eiseres], [gedaagde] daarbij tevens veroordelend tot betaling van de mogelijke kosten verband houdende met de mogelijke executie van de toegewezen bedragen.

3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot het niet ontvankelijk verklaren van [eiseres] althans tot afwijzing van haar vorderingen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] stelt dat [gedaagde] het bedrag van EUR 31.107,61 heeft verduisterd. Volgens haar zijn [gedaagde] en [A] hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld, waarbij zij erop wijst dat [A] de schuld met betrekking tot de verduistering heeft erkend. Hierbij verwijst zij naar haar brief van 7 april 2009 aan diens bewindvoerder (zie r.o. ?2.6). Niettemin heeft [eiseres] alleen [gedaagde] gedagvaard, omdat zij – in tegenstelling tot [A] – niet bereid is mee te werken aan een regeling, terwijl zij het is die de gelden heeft verduisterd. Volgens [eiseres] betaalt [A] maandelijks EUR 75,- af, welk bedrag minder is dan de wettelijke rente over het openstaande bedrag.

4.2. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat zij nog steeds met [A] gehuwd is, omdat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Zij heeft erkend dat zij geld van [eiseres] heeft verduisterd. Het betreft volgens haar, anders dan [eiseres] stelt, een bedrag van EUR 12.380,-, welk bedrag zij in december 2004 heeft terugbetaald (zie r.o. ?2.4). Ter onderbouwing van dit verweer verwijst zij naar het proces-verbaal van aangifte (zie r.o. ?2.2). Volgens [gedaagde] heeft zij de verduistering uit nood gepleegd, omdat zij geld nodig had om te eten. In dit licht voert zij aan dat zij en [A] te maken hadden met een grote achteruitgang in inkomen. Eerst hadden zij twee inkomens, terwijl zij op een gegeven moment rond moesten zien te komen van een AOW-uitkering.

Volgens [gedaagde] kreeg [A] op een gegeven moment de beschikking over het bankpasje van [eiseres] en heeft de rest van het geld verduisterd. Volgens haar heeft zij het pasje wel van [A] teruggevraagd, maar zij werd telkens door hem in elkaar geslagen. Het was daarom onmogelijk het pasje terug te krijgen. [gedaagde] stelt dat zij niet weet waar [A] het geld voor gebruikt heeft, maar vermoedt dat hij het heeft aangewend voor zijn nogal actieve nachtleven. Hoewel sprake is van een gemeenschappelijke schuld, is het volgens [gedaagde] onder deze omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat zij wordt aangesproken voor betaling van het feitelijk door [A] verduisterde bedrag.

Tot slot heeft [gedaagde] ter zitting erkend dat zij gehouden is de achterstallige bijdrage van EUR 3.267,36 aan [eiseres] te betalen.

4.3. In reactie hierop stelt [eiseres] dat zij niet weet of de verduistering is gegaan zoals [gedaagde] heeft verklaard. Volgens haar gaat een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid in elk geval niet op, omdat [gedaagde] de bankrekening had kunnen blokkeren of naar een Blijf-van-mijn-lijfhuis had kunnen gaan.

Verduistering

4.4. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet betwist dat ter zake van de verduistering nog een bedrag van EUR 21.481,14 aan [eiseres] betaald moet worden, zodat de hoogte van deze resterende schuld als vaststaand moet worden aangenomen.

Verder leidt zij uit de stellingen van partijen af dat zij zich op het standpunt stellen dat [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schuld, omdat zij met [A] in gemeenschap van goederen is getrouwd. Kennelijk – mede omdat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd dat op andere gronden sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid – hebben zij hierbij het oog op het bepaalde in artikel 1:85 BW.

4.5. De rechtbank overweegt dat de schuld van EUR 21.481,14 ingevolge artikel 1:94 lid 2 BW in de gemeenschap is gevallen. Van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 1:85 BW is echter geen sprake. Op grond van dit artikel zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk voor de ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen. Verduistering van gelden die toebehoren aan [eiseres] is geen activiteit die valt onder de gewone gang van de huishouding. Dit betekent dat uitsluitend degene die de gelden heeft verduisterd door [eiseres] kan worden aangesproken, waarbij de vereniging op grond van artikel 1:95 lid 1 BW wel het recht heeft zich te verhalen op de huwelijksgoederengemeenschap. De eisen van redelijkheid en billijkheid maken dit, anders dan [gedaagde] betoogt, niet anders.

4.6. In het licht van het voorgaande geldt het volgende. Als hetgeen [gedaagde] met betrekking tot de verduistering heeft aangevoerd, juist is, dan kan [eiseres] slechts [A] (en niet [gedaagde]) aanspreken voor terugbetaling van de restantschuld, zodat de vordering van [eiseres] zal moeten worden afgewezen.

Als evenwel de stelling van [eiseres] juist is, namelijk dat [gedaagde] het gehele bedrag heeft verduisterd, dan kan zij haar wel aanspreken voor de terugbetaling van de restantschuld.

4.7. Gelet op hetgeen over en weer is gesteld en ter zitting is verklaard, zal de rechtbank [eiseres] – zijnde de partij op wie de bewijslast rust – opdragen te bewijzen dat [gedaagde] het volledige bedrag van EUR 31.107,61 heeft verduisterd.

4.8. De rechtbank gaat ervan uit dat bij het tijdstip van oproeping van de getuigen rekening wordt gehouden met de te verwachten duur van het verhoor per getuige, waarbij als leidraad kan worden aangehouden dat het verhoor van een getuige die niet tevens partij is, ten minste 60 minuten pleegt te duren, en dat van een getuige die ook partij is, ten minste 90 minuten.

Jaarlijkse bijdrage

4.9. Gelet op de erkenning door [gedaagde] (zie r.o. ?4.2) en op het bepaalde in artikel 1:85 BW zal de vordering tot betaling van de achterstallige bijdrage van EUR 3.267,36 in het eindvonnis worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiseres] op te bewijzen hetgeen is vermeld onder r.o. ?4.7,

5.2. bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.E. Heinemann in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op dinsdag 1 maart 2011 van 9.00 uur tot 13.00 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank – ter attentie van de roladministratie van de sector civiel – om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat [eiseres], als zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de roladministratie van de sector civiel – en aan de wederpartij moet opgeven; in dat geval zal het getuigenverhoor geen doorgang vinden en zal de zaak naar een nader te bepalen rolzitting worden verwezen voor het nemen van een akte met dit doel door [eiseres],

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.

MaH/EJB