Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4960

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
16-504170-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar na verbale bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/504170-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1963] te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit andere hoofde gedetineerd in P.I.V. Huis van Bewaring Nieuwersluis

raadsman mr. H.W.M. van den Heiligenberg, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [aangever 1] heeft bedreigd met de woorden “ik kom terug om je te vermoorden, want ik pik dit absoluut niet”.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van aangeefster, de ondersteunende verklaring van getuige [getuige] en de verklaring van de verdachte dat zij op 22 juli 2010 bij de Sociale Dienst in Utrecht was en dat ze boos was.

Ten aanzien van de getuige heeft de officier van justitie toegelicht dat [getuige] blijkens informatie van de politie ten tijde van het ten laste gelegde feit een beveiligingsmedewerker bij de Sociale Dienst was.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit kan komen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat er getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de door getuige [getuige] telefonisch afgelegde verklaring en dat deze verklaring daardoor niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring als volgt:

Aangeefster [aangever 1] verklaarde bij de politie dat zij op 22 juli 2010 als beveiligingsmedewerkster werkzaam was bij de Sociale Dienst te Utrecht. De haar bekende [verdachte] had een woordenwisseling met de receptioniste naar aanleiding van een nieuwe pas die [verdachte] had gekregen. Aangeefster heeft toen tegen [verdachte] gezegd dat zij het gebouw moest verlaten. Aangeefster zag dat [verdachte] achteruit richting de uitgang liep, dat [verdachte] naar aangeefster keek en zij hoorde dat [verdachte] riep: “Ik kom terug om je te vermoorden, want ik pik dit absoluut niet”.

Getuige [getuige] verklaarde telefonisch dat hij op 22 juli 2010 in het pand van de Sociale Dienst in Utrecht aanwezig was. Hij zag dat [verdachte] boos was, omdat er niet genoeg geld op haar pasje stond. Een beveiligingsmedewerkster vroeg [verdachte] het pand te verlaten. Getuige hoorde dat [verdachte] tegen de beveiligingsmedewerkster riep dat ze wel zou terugkomen en haar vermoorden.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat zij op 22 juli 2010 bij de Sociale Dienst in Utrecht was in verband met een nieuwe pas en dat zij [naam] daarover wilde spreken toen bleek dat er te weinig geld op die pas stond. Verdachte gaf aan dat zij boos was geworden, omdat dat niet mocht en dat zij daarover in discussie was geraakt met een beveiliger.

Gelet op genoemde verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 22 juli 2010 schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [aangever 1].

De bedreiging volgt uit de aangifte en wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] en de verklaring van verdachte zelf dat zij ter plaatse aanwezig was, boos was en in discussie is geweest met een beveiligingsmedewerker.

De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 juli 2010 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik kom terug om je te vermoorden want ik pik dit absoluut niet", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna isd-maatregel) voor de duur van twee jaar.

De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat voor de tegen verdachte openstaande zaken nog geen dagvaardingen zijn uitgegaan. Als verdachte de isd-maatregel krijgt opgelegd, zal het Openbaar Ministerie bekijken of deze zaken op een andere manier dan ter terechtzitting afgedaan kunnen worden.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat als de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging komt een isd-maatregel niet kan worden opgelegd, omdat niet aan de door de wet gestelde criteria voor het opleggen van die maatregel wordt voldaan. Zo is verdachte niet in voorlopige hechtenis geplaatst na haar aanhouding, heeft zij het feit niet gepleegd nadat alle vrijheidsbenemende straffen zijn uitgezeten, is het recidivegevaar niet onderbouwd, ligt er geen concreet behandelplan en is niet duidelijk of er direct capaciteit is in een voor ISD bestemde behandellocatie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een beveiligingsmedewerkster bedreigd.

De rechtbank acht, alles afwegende, de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 september 2010 is verdachte in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsstraffen, te weten door de politierechter op 9 februari 2009, door de politierechter op 22 maart 2006 en door de politierechter op 8 februari 2006. Deze straffen zijn volgens mededeling van de officier van justitie ten uitvoer gelegd voorafgaand aan het onderhavige strafbare feit. Door verdachte is dit niet bestreden. Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Er ligt een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel.

Hieruit volgt dat is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel, mits er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist. Andere eisen zoals door de raadsman naar voren zijn gebracht kent de wet niet en volgen evenmin uit het thans door het Openbaar Ministerie gevoerde beleid.

Het feit dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte thans een vrijheidsstraf uitzit, opgelegd bij vonnis van de politierechter van 30 november 2009, en derhalve na het plegen van het bewezenverklaarde feit, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande evenmin af. Immers, overeenkomstig de Aanwijzing zijn drie in de afgelopen vijf jaar opgelegde vrijheidsstraffen reeds ten uitvoer gelegd voordat verdachte dit feit pleegde.

Met betrekking tot het recidivegevaar, de veiligheid van personen en goederen en de daaruit voorvloeiende noodzakelijkheid van de ISD-maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 september 2010 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor bedreiging, echter wel meermalen voor mishandeling en daarmee naar het oordeel van de rechtbank voor soortgelijke feiten.

Blijkens de inhoud van het voorlichtingsrapport van Centrum Maliebaan d.d. 20 oktober 2010, opgemaakt door mevrouw T. Breukink, casemanager Gavo, gebruikt verdachte regelmatig overmatig alcohol en gebruikt zij dagelijks een onderhoudsdosering methadon. Als verdachte veel alcohol gedronken heeft wordt zij agressief en zowel verbaal als fysiek bedreigend. Verdachte is dan niet meer corrigeerbaar. Door haar alcoholgebruik en haar daaruit voortvloeiende gedrag is verdachte op tal van plekken en instanties geschorst. Het alcoholgebruik wordt door verdachte zelf gebagatelliseerd. Verdachte heeft herhaaldelijk verschillende vormen van hulpverlening afgewezen. Diagnostiek heeft daarom niet kunnen plaatsvinden. In de afgelopen periode is er intensieve bemoeienis geweest met verdachte zonder dat dit geleid heeft tot een verbetering van haar situatie. Hulpverlening en mogelijke interventies worden door haar afgehouden. Gebleken is dat een vrijwillig kader bij verdachte niet werkt. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is in de optiek van Centrum Maliebaan de enige mogelijkheid om de problematiek van verdachte te doorbreken. Afhankelijk van het psychologisch onderzoek dat binnen het traject van de isd-maatregel zal plaatsvinden kan gekeken worden naar een passend hulpverleningstraject.

Mevrouw Breukink heeft ter terechtzitting het adviesrapport toegelicht en daarbij naar voren gebracht dat er ondanks de vele pogingen geen hulpverlening tot stand is gekomen, omdat verdachte hier geen gebruik van heeft gemaakt. De kern van de problematiek ligt in het alcoholgebruik van verdachte.

Aangezien er nog geen diagnostiek heeft kunnen plaatsvinden heeft de reclassering geen plan van aanpak kunnen opstellen. Binnen de isd-maatregel zal een psychologisch onderzoek worden gedaan om te kijken wat er precies aan de hand is met verdachte. Aan de hand daarvan wordt bepaald welke behandeling op welke behandelplek passend is. Tot die tijd is er plek voor verdachte in Huis van bewaring Wolvenplein. Mevrouw Breukink heeft aangegeven dat er op dit moment qua hulpverlening beslist geen alternatieven meer voorhanden zijn. De isd-maatregel is de uiterste maatregel om een behandeling tot stand te kunnen brengen.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven het niet eens te zijn met het advies van Centrum Maliebaan.

Gelet op de inhoud van bovengenoemd rapport van 20 oktober 2010 en de toelichting daarop van mevrouw Breukink, waaruit blijkt dat verdachte verslaafd is aan alcohol en elke vorm van hulpverlening afslaat, overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het alcoholgebruik van verdachte de kern van de problematiek is en dat verdachte voor deze verslaving een behandeling nodig heeft om te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten pleegt. Zonder een passende behandeling is sprake van een uitzichtloze situatie.

Nu verdachte de laatste jaren stelselmatig delicten heeft gepleegd, de haar opgelegde vrijheidsstraffen en de haar in grote mate geboden hulpverlening haar er niet toe hebben gebracht het roer om te gooien en de reclassering onderbouwd heeft aangegeven geen enkele andere mogelijkheid meer te zien, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de isd-maatregel eist. Het nog niet bestaan van een concreet behandelplan vormt geen (formeel) beletsel voor oplegging van de maatregel.

Wel ziet de rechtbank in de onderhavige zaak aanleiding om de voortgang van de isd-maatregel op een kortere termijn dan de gebruikelijke negen maanden te toetsen. De rechtbank overweegt hiertoe dat er op basis van de resultaten van het psychologisch onderzoek een concreet plan van aanpak zal worden opgesteld. Nu de concrete invulling van het hulpverleningstraject thans nog niet duidelijk is zal de rechtbank bij het opleggen van de isd-maatregel bepalen dat het Openbaar Ministerie binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank bericht over de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis bericht over de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en

mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 november 2010.