Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4935

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
16-600171-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, telkens, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, bedreiging, wederspannigheid, en eenvoudige belediging van de politie. De rechtbank heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600171-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. A.C.J. Nettenbreijers, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [aangever 1] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een glazen fles op zijn hoofd te slaan.

Feit 2:

primair: met anderen op een openbare plaats geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] door te duwen/stompen/slaan tegen lichaamsdelen en te spuiten met pepperspray tegen of in de richting van hun gezicht.

subsidiair: met anderen [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] heeft mishandeld door te duwen/stompen/slaan tegen lichaamsdelen en te spuiten met pepperspray tegen of in de richting van hun gezicht.

Feit 3: met anderen op een openbare plaats geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4] en [aangever 5] door [aangever 5] bij de keel te grijpen en [aangever 4] te slaan tegen het gezicht, haar vast te pakken en mee te trekken aan haar arm en haar in de maag/buik te schoppen of te trappen.

Feit 4: [aangever 6], [aangever 7], [aangever 8] en [aangever 9] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling door een mes in hun richting te wijzen, houden of tonen en met dat mes zwaaiende of stekende bewegingen te maken en daarbij de woorden te zeggen: “ik steek je neer”.

Feit 5: zich met geweld heeft verzet tegen politieambtenaren in functie bij zijn aanhouding.

Feit 6: [verbalisant 1], brigadier van de politie, heeft beledigd door te zeggen: “Die kankerpolitie van het boompjesgoed”.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2. De bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 1 het volgende. Verdachte heeft met een glazen fles op het hoofd van [aangever 1] geslagen. Dit is door verschillende getuigen gezien en verdachte heeft dit ook bekend. Namens verdachte is aangevoerd dat hierbij geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet om het slachtoffer van het leven te beroven. De rechtbank gaat ervan uit dat het niet de bedoeling van verdachte was om het slachtoffer van het leven te beroven. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De kans dat het slachtoffer door die handeling zal komen te overlijden is naar het oordeel van de rechtbank niet aanmerkelijk. Verdachte heeft derhalve niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever door dit handelen zou komen te overlijden. Dit betekent dat voornoemd verweer wordt gevolgd. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de poging tot doodslag. Er is wel sprake van een aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel, zodat de poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen is.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake is geweest van openlijke geweldpleging in vereniging. Er was geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking en het betreft twee los van elkaar staande incidenten in afstand en in tijd en met verschillende personen. De rechtbank is echter met de officier van justitie van oordeel dat de openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen is. De twee groepen komen elkaar tegen en er wordt in een openbare ruimte geweld gebruikt door de groep,waar verdachte toe behoorde. [betrokkene 1] en [aangever 3] hebben ruzie met [betrokkene 2], waarbij het tot vechten is gekomen. Vervolgens is verdachte ook ter plaatse. Hij slaat met een fles op het hoofd van [aangever 1], slaat [aangever 3] en gebruikt pepperspray of een vloeistof die daarop lijkt. Dit alles gebeurde op hetzelfde moment en op korte afstand van elkaar. Daarmee is er sprake van openlijke geweldpleging in vereniging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 het volgende. De openlijke geweldpleging in vereniging tegen [aangever 4] is wettig en overtuigend bewezen. Er is een aangifte van [aangever 4] en een getuigenverklaring van [getuige 1]. Het feit dat de getuigenverklaring pas op een later moment is afgelegd, doet niets af aan de bewijswaarde van die verklaring. De naam van die getuige wordt reeds genoemd in de aangifte van [aangever 4]. Het geweld tegen [aangever 5] kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, nu alleen aangeefster daarover verklaart.

[aangever 5] wil zelf geen verklaring afleggen en de getuige heeft het geweld tegen die [aangever 5] niet gezien. Voor dat gedeelte dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever 6], [aangever 7], [aangever 8] en [aangever 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft een mes in hun richting gehouden en daar zwaaiende bewegingen mee gemaakt en daarbij tegen [aangever 6] gezegd “ik steek je neer”. Voor een bedreiging is voldoende dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat zij in het algemeen geschikt is vrees teweeg te brengen. Daar is in dit geval sprake van. Het feit dat [aangever 8] en [aangever 7] hebben aangegeven zich niet bedreigd te hebben gevoeld, doet dan ook niet af aan de bewezenverklaring. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte stekende bewegingen met het mes heeft gemaakt. Van dat gedeelte zal hij dan ook worden vrijgesproken.

Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van feit 5 en 6 het volgende. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op de verklaringen van meerdere verbalisanten en de bekennende verklaring van verdachte.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Op 23 januari 2010 te Veenendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet toen en daar met (grote) kracht een glazen fles op het hoofd van vorenbedoelde persoon stuk heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2. op 23 januari 2010 te Veenendaal met een ander op de openbare weg, [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3], welk geweld bestond uit

- het slaan tegen één lichaamsdeel van die [aangever 3] en

- het spuiten van pepperspray, althans een prikkelende (vloei)stof in de richting van de gezichten van die [aangever 1] en die [aangever 2] en die [aangever 3]

3.

op 5 juli 2009 te Rhenen met een ander op of aan de openbare weg, het [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4], welk geweld bestond uit

- het slaan tegen de rechterzijde van het gezicht van die [aangever 4] en

- het vastpakken en meetrekken van die [aangever 4] aan de rechterbovenarm en

- het in de maag trappen van die [aangever 4]

4.

op 6 september 2009 te Veenendaal [aangever 6] en [aangever 7] en [aangever 8] en [aangever 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een (uitgeklapt) (opvouwbaar) mes in de richting van voornoemde [aangever 6] en [aangever 7] en [aangever 8] en [aangever 9] getoond en

- met voornoemd mes zwaaiende bewegingen in de richting van voornoemde [aangever 6] en [aangever 7] en [aangever 8] en [aangever 9] gemaakt en daarbij voornoemde [aangever 6] dreigend de woorden toegevoegd: “ik steek je neer”

5.

Op 28 maart 2009 te Veenendaal, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte vast hadden teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden

6.

Op 28 maart 2009 te Veenendaal opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (brigadier van politie Utrecht), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Die kankerpolitie van het Boompjesgoed!”

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: poging tot zware mishandeling

Feit 2 primair en feit 3:

telkens: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 5: wederspannigheid

Feit 6: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek pro justitia van 28 juli 2010 van A. van der Donk, gz-psycholoog. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd.

Bij betrokkene is sprake van cannabismisbruik. Tevens is er sprake van tekorten in de agressieregulatie alsmede de impulscontrole. Voorts zijn er antisociale trekken zonder dat men kan spreken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen geacht, waren deze tekorten aanwezig. Hij kon gelijk aan de gemiddelde mens zijn wil in vrijheid bepalen. Het college wordt dan ook in overweging gegeven, betrokkene ten aanzien van het hem ten laste gelegde, indien bewezen, te beschouwen als toerekeningsvatbaar. Het voortbestaan van de tekorten in de agressieregulatie en in de impulscontrole, alsmede het misbruik van cannabis wat ontremmend werkt, zal de kans op herhaling van een soortgelijk delict verhogen. Om de herhalingskans in de toekomst zoveel mogelijk te beperken lijkt het aangewezen dat betrokkene als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, onder toezicht van de reclassering instroomt in een traject voor daders van agressieve delicten zoals dat onder meer gegeven wordt bij polikliniek De Waag te Utrecht. In overleg met zijn behandelaars kan een verwijzing naar de verslavingszorg plaatsvinden. Overwogen kan worden om de medicamenteuze behandeling na detentie voort te zetten.

De rechtbank neemt de conclusie uit het psychologisch rapport over en maakt deze tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- een werkstraf van 120 uur, subsidiair te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Verder verzoekt de officier van justitie de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er op een eerder moment hulp had moeten komen voor verdachte. Er is nu sprake van een grote ommekeer en verdachte vertoont ander gedrag dat meer past bij zijn leeftijd. Hij komt afspraken na en is binnen 2 dagen na de schorsing weer aan het werk gegaan. Verdachte heeft zijn woning kunnen behouden en wat spaargeld opgebouwd. Met extra hulp van De Waag kan hij dit gedrag continueren en structureren. Dit heeft een positief effect voor zowel verdachte als de maatschappij.

De eis van de officier van justitie is volgens de verdediging te fors. Er kan worden volstaan met de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan 6 strafbare feiten: poging zware mishandeling, meermalen openlijke geweldpleging, bedreiging, wederspannigheid en belediging. Dit soort feiten hebben een enorme invloed op het gevoel van onveiligheid in de samenleving in het algemeen en in het bijzonder voor de slachtoffers. Met name de onrust die wordt veroorzaakt door de groep ‘Ellekoot’, waar verdachte onderdeel van uitmaakt(e), zorgt voor veel overlast.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het uittreksel van de justitiële documentatie van 12 oktober 2010. Hieruit blijkt dat verdachte op 28 april 2008 is veroordeeld voor wederspannigheid. Ook is hij in 2003 door de kinderrechter veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling en bedreiging. De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het reclasseringsadvies van 22 oktober 2010. Daarin wordt geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het psychologisch rapport d.d. 28 juli 2010, zoals genoemd onder 5.2.

De rechtbank is op grond van de ernst van de bewezen feiten, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat de volgende straf passend is: een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf rekening gehouden met de persoon van de verdachte en de straffen die worden opgelegd voor soortgelijke feiten en komt daarbij op een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 141, 180, 266, 267, 285, 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: poging tot zware mishandeling

Feit 2: primair en feit 3:telkens, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 5: wederspannigheid

Feit 6: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurend of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag of een vergelijkbare instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat dit vonnis onherroepelijk is.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. I. Bruna en mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam-van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 november 2010.

Mr. I. Bruna is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.