Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4924

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
16-600710-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld. Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een stoornis in de impulsbeheersing meer in het bijzonder pathologisch gokken. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600710-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Irak)

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsvrouwe mr. M. van der Salm, advocaat te Soest.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Een overval heeft gepleegd op de [bedrijf 1] met gebruik van geweld door een mes tegen het been van [slachtoffer] te drukken en op dreigende toon te zeggen: “Doe de kassa open” en “Schiet eens op, doe die kassa open”.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de stukken in het dossier, het verhandelde ter zitting en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich met betrekking tot de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 27 oktober 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] ;

- het proces-verbaal van bevindingen met verhoor getuige [getuige] .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 13 juli 2010 te Amersfoort met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een kassa een hoeveelheid geld toebehorende aan [bedrijf 1] ([adres]), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerkster van die [bedrijf 1]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte naast voornoemde [slachtoffer] is gaan staan en vervolgens een mes tegen de achterzijde van een been van voornoemde [slachtoffer] heeft gedrukt en gehouden en daarbij voornoemde [slachtoffer] op dreigende toon de woorden heeft toegevoegd “Doe de kassa open” en “Schiet eens op, doe die kassa open”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

diefstal,voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek pro justitia van 17 september 2010 van R.J.H. Winter, psychiater. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd.

Diagnostisch lijkt er sprake te zijn van een stoornis in de impuls beheersing meer in het bijzonder pathologisch gokken. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om de diagnose persoonlijkheidsstoornis in engere zin te kunnen stellen.

Betrokkene bleek weinig weerstand te kunnen bieden aan de verleiding om te gokken en toen hij plotseling geconfronteerd werd met de rampzalige situatie waarin hij zich bevond (studie gestaakt, geld verloren, geen contacten meer met zijn familie) ontbrak het hem aan voldoende probleemoplossend gedrag en kreeg zijn impulsiviteit de overhand met het onderhavige delict als gevolg. Op basis hiervan kan gesteld worden dat betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde enigszins in verminderde mate in staat was zijn vrije wil te kunnen bepalen. Het verdient dan ook aanbeveling dat betrokkene op meer indringende wijze kennis gaat nemen van de gevaren en gevolgen van de drang tot gokken waar hij blijkbaar weinig weerstand aan heeft kunnen bieden. Een dergelijk traject kan plaatsvinden binnen de reguliere verslavingszorg. Het verdient daarbij aanbeveling dat er toezicht plaatsvindt vanuit de Reclassering om te bepalen of een en ander op adequate wijze verloopt. Geadviseerd wordt om betrokkene enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Er bestaat een grote kans dat betrokkene, indien hij niet voldoende wordt behandeld/begeleid, hij zeer waarschijnlijk snel zal kunnen terugvallen in pathologisch gokgedrag met alle consequenties van eventuele recidive van dien.

De rechtbank neemt de conclusie uit het psychiatrisch rapport over en maakt deze tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact en dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering ook als dat inhoudt een behandeling bij Centrum Maliebaan of een soortgelijke instelling.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de eis van de officier van justitie erg fors is.

Wat betreft de straftoemeting dient rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte een intelligente jonge man is die op negenjarige leeftijd met zijn familie vanuit Irak naar Nederland is gekomen. Hij heeft de havo afgerond en is begonnen met Hbo-opleiding bouwkunde. Blijkens de pro justitia rapportage van 17 september 2010 lijdt verdachte aan een stoornis in de impulsbeheersing, meer in het bijzonder pathologisch gokken. Onder invloed van deze gokverslaving is hij gestopt met zijn opleiding. Nadat verdachte veel geld, waaronder ook geleend geld, heeft verloren werd hij belaagd door zijn schuldeisers. In deze wanhoop is verdachte uiteindelijk tot zijn daad gekomen.

Uit het rapport van de reclassering van 18 oktober 2010 blijkt dat de criminogene factoren volgen uit het pathologisch gokgedrag. Verdachte erkent deze problematiek en is gemotiveerd dit aan te pakken en is bereid en willig om alle hulp daarbij te accepteren. De reclassering concludeert dat er sprake is van een laag gemiddeld recidive risico en adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, gecombineerd met een meldingsgebod, deelname aan gedragsinterventie en behandelverplichting bij de Maliebaan. De verdediging verzoekt de rechtbank het advies van de reclassering te volgen in die zin dat hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van zijn – inmiddels bijna vier maanden durende – voorarrest, met daarbij eventueel een voorwaardelijk deel en een proeftijd onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Het is belangrijk dat verdachte zo snel mogelijk zijn leven kan oppakken en met de behandeling kan starten. Ook verzoekt de verdediging om rekening te houden met het feit dat verdachte in februari 2011 weer kan instromen bij de opleiding Hbo-bouwkunde. Mocht de rechtbank een hogere straf willen opleggen, dan verzoekt de verdediging om dit te doen in de vorm van een werkstraf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met bedreiging van geweld. Verdachte heeft bij de [bedrijf 1] een mes tegen het been van het slachtoffer gehouden en daarbij gezegd dat zij de kassa open moest maken. Hij heeft dit gedaan tijdens openingsuren en in aanwezigheid van winkelend publiek, waaronder een moeder met een jong kind die net stonden af te rekenen. Verdachte heeft zich uitsluitend laten leiden door eigen gewin en geen oog gehad voor het gegeven dat dergelijke feiten bijdragen aan de gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 oktober 2010 waaruit blijkt dat de verdachte op 6 november 2007 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor 5 straatroven;

- een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport van 17 september 2010, als genoemd onder 5.2, onder meer inhoudende het advies om verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en te laten behandelen c.q. laten begeleiden voor zijn gokverslaving;

- het Reclasseringsadvies van 18 oktober 2010, waarin wordt geadviseerd om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod, deelname aan gedragsinterventie en een behandelverplichting.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen feit, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Gelet op de persoon van verdachte en zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden opleggen, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting bij Centrum Maliebaan of een soortgelijke instelling.

7. Het beslag

7.1. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal,voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt

- een meldingsgebod,

- deelname een aan gedragsinterventie en

- een behandelverplichting bij Centrum Maliebaan of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een spijkerbroek, een sweater, schoenen, sokken en een onderbroek;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam-van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 november 2010.