Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4801

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
16/711243-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711243-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1969] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord – De Grittenborgh te Hoogeveen

raadsvrouwe mr. K. Kamminga, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 augustus 2010 en 2 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

t.a.v. feit 1 primair: met anderen een overval op een woning heeft gepleegd, waarbij de bewoner werd bedreigd met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp en waarbij de bewoner geweld is aangedaan;

t.a.v. feit 1 subsidiair: met anderen gepoogd heeft een overval op een woning te plegen, waarbij de bewoner werd bedreigd met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp en waarbij de bewoner geweld is aangedaan;

t.a.v. feit 2: in het bezit is geweest van een gaspistool en munitie.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overval, zoals hem is ten laste gelegd onder feit 1 primair, heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting en de verklaringen van de medeverdachten.

Daarnaast acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 heeft gepleegd, op basis van hetgeen tijdens de doorzoeking in zijn woning is aangetroffen en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 primair niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe is gesteld dat verdachte het slachtoffer niet heeft aangeraakt en dat er geen sprake is van een voltooide overval. Er is volgens de verdediging geen bewijs voor het opzet voor het toegepaste geweld en het opzet op het wegnemen van de sieraden. Verdachte had de opzet om een groot geldbedrag weg te nemen, samen met drie anderen. Verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het geweld dat zij hebben toegepast op aangever. Ook kan hem niet worden verweten dat iemand anders uit de groep sieraden heeft weg genomen. Hierop was zijn opzet immers niet gericht.

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over feit 2 op de dagvaarding.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Onderstaande voetnoten verwijzen steeds naar het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van politie met nummer 2010072749 C, welk proces-verbaal doorlopend is genummerd tot en met pagina 1255. Daar waar gesproken wordt over aanvullende of andersoortige processen-verbaal wordt dit vermeld.

De rechtbank is bij zijn beoordeling uitgegaan van de volgende, door de daarbij genoemde wettige bewijsmiddelen onderbouwde, feiten en omstandigheden:

Feit 1

Op 22 maart 2010 wordt door de buurvrouw van aangever [slachtoffer] opgemerkt dat er geen beweging is in het huis van aangever. Uiteindelijk belt mevrouw [A] de politie . Deze gaan met behulp van de reservesleutel die zij in bezit heeft bij aangever [slachtoffer] naar binnen. Zij treffen de heer [slachtoffer] liggend op zijn buik op de grond van zijn slaapkamer aan. Zijn handen en voeten zijn gebonden en hij ligt met zijn gezicht in een kussen. Ook is om zijn hoofd en mond een doek met tape gewikkeld. Zijn gezicht vertoont veel aangezichtsletsel. De politie ziet ook dat de woning overhoop is gehaald .

Aangever heeft verklaard dat er op zondagochtend werd aangebeld. Toen hij opendeed zag hij dat er jongens aan de deur stonden die hem beet pakten en aan de kant duwden. Eén van de mannen had een revolver in zijn hand. Zij hebben hem op het bed neergegooid en er werd iets voor zijn mond gedaan, zodat hij niet kon schreeuwen. Door de andere persoon werden zijn benen vastgebonden. Ook werd hij door een van de jongens geslagen. Achteraf mist hij € 60,= uit zijn portemonnee. .

Als gevolg van de overval heeft het slachtoffer het navolgende lichamelijke letsel opgelopen:

- ernstige onderkoelingsverschijnselen;

- zware hersenschudding;

- diverse bloeduitstortingen/kneuzingen/zwellingen in/aan het gelaat;

- diverse bloeduitstortingen/zwellingen aan/op zijn lichaam;

- gekneusde ribben;

- pijnlijke rechterheup;

- diverse ontvellingen aan zijn bovenlichaam.

Ter zitting heeft verdachte [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1] met de informatie over de man kwam, waaruit hij begreep dat daar een groot bedrag te halen viel. Besloten werd om naar de woning toe te gaan. Aangekomen bij de woning is hij met [medeverdachte 2] de woning in gegaan. De andere twee - [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] - waren toen al naar binnen. De man lag op de grond in de slaapkamer. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] stonden bij de man. Verdachte [verdachte] heeft de woning doorzocht naar geld. De [medeverdachte 2] waarover hij eerder heeft verklaard is [medeverdachte 2] .

Verdachte [verdachte] heeft hierover voorts bij de politie het volgende verklaard.

Met zijn vieren zijn zij in de woning van de man geweest. Er zou daar een groot geldbedrag in de meterkast liggen. Hij is samen met [medeverdachte 2] naar binnen gegaan. [medeverdachte 3] had een pistool bij zich en die was de hele tijd bij de man bij het bed. [medeverdachte 3] heeft de man ook vastgetaped. Ook [medeverdachte 2] had een pistool bij zich, waarmee hij de man ook heeft geslagen. [medeverdachte 2] zat bovenop de man en beukte in op die man met zijn handen. Ook heeft hij [medeverdachte 2] met bruin tape gezien.

Ook sloeg [medeverdachte 2] de man met zijn handen op zijn hoofd. [verdachte] heeft verklaard dat hij de man niet heeft aangeraakt. Hij heeft in de woning rond gekeken en zag in de keuken een portemonnee met daarin kleingeld en passen. Hij heeft de portemonnee en de inhoud ervan laten liggen. Hij is naar buiten gelopen en heeft met [medeverdachte 1] in de auto gewacht op de anderen .

Deze verklaring wordt gedeeltelijk ondersteund door de verklaring van de medeverdachten.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [B] hem op een verjaardag in Oldebroek heeft verteld dat bij zijn opa geld lag. Hij had hem ook gezegd dat als er iets zou gebeuren, hij wilde meedelen in de opbrengst. [B] is [B] en zijn opa is de heer [slachtoffer]. [B] kon zelf niet meedoen, omdat hij zijn kinderen thuis had. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de voorverkenning met medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gedaan. Er is niet gesproken over tapen, maar het werd wel meegenomen en daarom was hij ervan uitgegaan dat het slachtoffer zou worden getaped. Hij had in de auto [B] een sms gestuurd met de tekst dat het niet gelukt was. [B] had er niet op gereageerd .

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft het volgende verklaard.

In de woning van verdachte [verdachte] is over de overval gesproken. Toen besloten was om er heen te gaan, is [medeverdachte 3] eerst langs huis gereden om een pistool te halen, om daarmee te dreigen. De anderen waren daarvan op de hoogte. Volgens hem was er van tevoren weinig afgesproken. [medeverdachte 1] en hij gingen als eersten naar de woning, ter plaatse bedachten hij en [medeverdachte 1] de rolverdeling, [medeverdachte 1] zou het wapen op de buik van de man zetten en hij zou de man dan de woning in duwen. Daarna zou hij, [medeverdachte 3], de man tapen. Het wapen van [medeverdachte 1] was geladen, het pistool van [medeverdachte 3] niet. [medeverdachte 1] heeft de man met zijn pistool tegen het hoofd getikt. De tape lag in de auto van [medeverdachte 1] en was meegenomen uit de woning van [verdachte]. De bruine tape kwam uit de woning van de man. De man werd door [medeverdachte 3] de slaapkamer in gedreven en op zijn bed gelegd. De man werd echter niet rustig en viel tussen de bedden op de grond. Omdat de man niet rustig werd, heeft [medeverdachte 3] hem gezegd dat hij hem zou omleggen. [verdachte] heeft vervolgens de man met zijn hoofd op de grond geslagen, waarna de man door [verdachte] en [medeverdachte 3] werd getaped. De mond, handen en voeten van de man werden door hen getaped. Op dat moment werd de woning door de anderen doorzocht. Toen zij de woning verlieten, dacht [medeverdachte 3] dat zij de man voor dood achter hadden gelaten. Verdachte [medeverdachte 3] heeft sieraden meegenomen .

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie als volgt verklaard:

Op 20 maart 2010 heeft hij de situatie ter plekke met medeverdachte [medeverdachte 1] verkend. De volgende ochtend zijn zij er weer naar toe gegaan, samen met [verdachte] en [medeverdachte 3]. Er zou € 75.000,= in het huis aanwezig zijn. Volgens hem was er geen duidelijk plan. [medeverdachte 1] had een wapen. De man is met grijs tape vastgebonden. Deze rol lag in de auto van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] heeft gezien dat [medeverdachte 3] met zijn knie op de nek van de man zat, om de man rustig te krijgen. Hij heeft niet gezien wie de man het letsel heeft toegebracht .

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat [verdachte] in de woning is geweest met [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hadden aangebeld bij de woning. De bedden waren door de worsteling uit elkaar geschoven en de man was er tussen gevallen. Later zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] naar binnen gegaan. [verdachte] had de man met zijn hoofd op het beton geslagen, om te weten te komen waar het geld zou liggen, omdat zij het geld niet konden vinden in de woning. Volgens [verdachte] had een ander een kussen op het hoofd van de man gedrukt. Dit was [medeverdachte 1]. De man was vastgetaped met bruine tape uit de woning en het huis was doorzocht. [verdachte] en [medeverdachte 3] hadden flink liggen worstelen met de man, en [medeverdachte 3] had de man een klap gegeven. [medeverdachte 1] had als eerste de woning verlaten omdat hij het niet meer aan kon. [verdachte] had een tip gekregen. De vader van die tipgever was een kennis of aangetrouwde familie van de man .

Getuige [getuige 2] geeft, omdat zijn naam rondging als mogelijke dader, de politie ongevraagd informatie, inhoudende dat hij van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte] heeft gehoord dat zij in de woning waren geweest, samen met iemand waarvan hij de naam niet kent. Eerst gingen twee van de vier mannen naar binnen en later zouden de twee afgewisseld hebben met de twee die aanvankelijk in de auto - op de uitkijk - bleven wachten. [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] heeft de man met een pistool geslagen. De man zouden zij op zijn buik hebben gegooid, waarbij iemand een been in de nek van de man hield. [medeverdachte 3] heeft de man getaped. De man zou flinke weerstand hebben geboden en er zou geen leven meer in de man hebben gezeten, op het moment dat zij de woning verlieten. Hij weet dat [B] een van de naasten is van het slachtoffer. [B] had hem de uitzending van tv op zijn laptop laten zien .

Bewijsoverwegingen

Uit het hiervoor weergegeven bewijs volgt dat verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tezamen een overval hebben gepleegd, die werd vergezeld van grof geweld tegen het slachtoffer. Gezien de voorverkenning, de voorbespreking bij verdachte thuis, de wetenschap bij de deelnemers met welk doel zij 21 maart 2010 samen op pad gingen, de wijze waarop de overval is gepleegd en zij tezamen weer huiswaarts keerden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten en dat dit kan worden geduid als het “medeplegen” van die overval.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (voorwaardelijke) opzet was gericht op het gebruik van geweld. Immers, verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hielden er rekening mee dat het slachtoffer thuis was - wat gezien de dag en het tijdstip van de overval ook voor de hand lag - en zij namen wapens en tape mee om daarmee geweld tegen het slachtoffer te gebruiken dan wel met het gebruik daarvan te dreigen. Zij hebben daarmee allen de kans op de koop toe genomen dat zijzelf en/of hun mededaders daarbij ook geweld zouden gebruiken. Eenmaal in de woning is vervolgens grof geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het handelen van zijn mededader(s) of heeft getracht deze(n) te weerhouden van het verdere gebruik van geweld. Nu sprake is van medeplegen, zijn verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] allen verantwoordelijk voor dit geweld en rekent de rechtbank dit geweld alle vier deze verdachten even zwaar aan.

Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat de bewezenverklaring slechts kan strekken tot de poging, ten laste gelegd onder feit 1 subsidiair, overweegt de rechtbank het volgende. Betoogd is dat verdachte geen geld heeft meegenomen, er mogelijk zelfs in het geheel geen geld is weggenomen, en voor zover de medeverdachten dit hebben meegenomen uit de woning van het slachtoffer, dit verdachte niet kan worden verweten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben allen verklaard dat zij kwamen om een flink bedrag te stelen. Dat zij niet konden vinden waarvoor zij waren gekomen en één van hen het mindere heeft meegenomen, maakt nog niet dat de opzet hierop niet aanwezig is geweest en dat hetgeen is voorgevallen slechts kan worden geduid als een poging tot diefstal met geweld. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat hij € 60,= mist. Het dossier biedt echter geen aanknopingspunten om meer geld bewezen te verklaren.

Feit 2

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte [verdachte] werd een gaspistool, merk Valtro en 10 patronen, zijnde munitie, aangetroffen. Dit wapen is een verboden wapen, evenals de munitie . Verdachte heeft bekend dat dit wapen en de munitie van hem waren .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. Primair

hij op 21 maart 2010 te Hoogland, gemeente Amersfoort,

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en

sieraden, toebehorende aan [slachtoffer],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van

voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat

verdachte en/of zijn mededader(s):

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer] heeft/hebben

gericht en tegen de buik van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt, en

- die [slachtoffer] naar de slaapkamer heeft/hebben geduwd, en

- het hoofd en/of de haren van die [slachtoffer] heeft/hebben beetgepakt en het

hoofd van die [slachtoffer] tegen de vloer heeft/hebben geslagen, en

- de handen en de voeten van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgebonden, en

- een doek en tape rond de mond en het hoofd van die [slachtoffer]

heeft/hebben gedaan, en

- die [slachtoffer], heeft/hebben geslagen en/of gestompt;

2.

hij op 27 mei 2010 te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

een wapen van categorie III, te weten een gaspistool, merk Valtro,

kaliber 9 mm, en munitie van categorie III, te weten 4 knalpatronen en 6 gaspatronen, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair:

Medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem hierdoor een (voor het overgrote deel) voorwaardelijke straf op te leggen of om hem een beperkte straf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Bewezen is verklaard dat de verdachte op 21 maart 2010 samen met anderen een gewelddadige, gewapende overval heeft gepleegd en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig delict. De overval vond plaats in de woning van het slachtoffer. Verdachte en de medeverdachten zijn, nadat het slachtoffer nietsvermoedend de deur had geopend, de woning binnengedrongen, waarbij zij een vuurwapen op die persoon hadden gericht. Het slachtoffer werd bedreigd met de dood als hij niet rustig zou blijven. Ook hebben de verdachten het slachtoffer met zijn hoofd op de grond geslagen, waardoor hij ernstig letsel heeft bekomen. Vervolgens is het slachtoffer vastgetaped en in vreselijke omstandigheden achtergelaten. Door de verdachten zijn sieraden en geld uit de woning meegenomen.

Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven ernstige en langdurige psychische schade aanrichten bij de slachtoffers. Voor het slachtoffer is het gebeuren zeer traumatisch geweest. Het slachtoffer woonde voor de overval zelfstandig en leidde ondanks zijn hoge leeftijd een actief leven. Nadien heeft het slachtoffer niet meer zelfstandig kunnen en durven wonen. De grote impact die de overval op hem heeft gehad, blijkt ook uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. De verdachten hebben zich kennelijk laten leiden door de zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de mogelijke ernstige gevolgen van hun handelen voor het slachtoffer.

De rechtbank overweegt dat een dergelijk feit de rechtsorde schokt en bijdraagt aan algemene gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij na de overval op geen enkele wijze getracht heeft hulp te vragen voor het slachtoffer, bijvoorbeeld door een anoniem telefoontje naar 112.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden wapen- en munitiebezit.

Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 oktober 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten en vermogensdelicten. Dit wordt door de rechtbank in het voordeel van verdachte meegenomen, doch vanwege de ernst van het bewezenverklaarde primair ten laste gelegde delict en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, speelt die omstandigheid echter slechts een beperkte rol.

In het reclasseringsadvies van 20 oktober 2010 wordt aangegeven dat het delictgedrag tegenstrijdig is aan het profiel dat van verdachte bekend is geworden, en een psychologisch onderzoek meer duidelijkheid zou kunnen geven over de beweegredenen van verdachte om de keuzes te maken ten tijde van het delict zoals hij heeft gedaan. De rechtbank ziet daartoe gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf geen aanleiding,

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel, daarbij aansluiting zoekend bij de straffen die door deze rechtbank doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 16.065,= voor

feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 15.875,= een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 2.375,= ter zake van materiële schade en € 13.500,= ter zake van immateriële schade, en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat feit 2 is begaan met betrekking tot deze voorwerpen.

Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 47, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair:

Medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en met 8;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 15.875,=, waarvan € 2.375,= ter zake van materiële schade en € 13.500,= ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer van de mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 15.875,= te betalen, bij niet betaling te vervangen door 114 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van C. Lith-van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 november 2010.