Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4750

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
16/513974-10 [
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving waarbij door verdachte gedreigd is met geweld en geweld is gebruikt. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 100 uur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/513974-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander [slachtoffer] heeft beroofd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit zoals ten laste gelegd heeft begaan.

De officier van justitie baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de verklaringen van aangever [slachtoffer], getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2], waaruit blijkt dat [verdachte] en een medeverdachte hebben samengewerkt bij het plegen van de beroving en dat de beroving gepaard is gegaan met geweld en bedreiging met geweld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor wat betreft de bedreiging met geweld. Dit omdat aan verdachte ten laste wordt gelegd dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt echter dat hij de telefoon liet zien, omdat [getuige 2] werd bedreigd.

Indien de rechtbank dit verweer verwerpt, kan het volledige feit wettig en overtuigend bewezen worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring als volgt:

De rechtbank maakt uit de aangifte van [slachtoffer] op dat aangever zich op 16 augustus 2010 met zijn vrienden [getuige 2] en [getuige 1] op de Beetzlaan in Soest bevond. Daar vlakbij bevonden zich ook twee jongens (de rechtbank begrijpt uit de verklaring van [slachtoffer] dat het hier gaat om verdachte en medeverdachte [medeverdachte]). Verdachte en medeverdachte keken enkele malen in de richting van de drie jongens. Daarna reden de beide jongens op hun scooter in de richting van [slachtoffer] en zijn vrienden. De medeverdachte is toen van de scooter afgestapt en naar de drie jongens toegelopen. [slachtoffer] had op dit moment zijn telefoon in de hand. De medeverdachte zei dat hij de telefoon, een zwarte Blackberry , van [slachtoffer] terug wilde hebben, omdat dit zijn eigen gestolen telefoon zou zijn. [slachtoffer] heeft daarop geantwoord dat dit zijn telefoon was en dat hij hem daarom niet wilde geven. De medeverdachte liep terug naar de scooter. Vervolgens liep verdachte zelf naar [slachtoffer] toe en zei toen tegen [slachtoffer] dat hij hem zou slaan als hij zijn telefoon niet zou laten zien. [slachtoffer] heeft de telefoon uit angst wederom laten zien. Verdachte trok met kracht de telefoon uit de hand van [slachtoffer]. Hierdoor liet het klepje van de telefoon los. Verdachte en zijn medeverdachte reden samen weg op de scooter.

Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij zag hoe twee jongens (de rechtbank begrijpt uit de verklaring dat het hier gaat om verdachte en medeverdachte) op een scooter in de richting van [slachtoffer] en zijn vrienden reden. De medeverdachte liep naar de jongens toe en zei dat hij de telefoon van [slachtoffer] wilde zien. De medeverdachte liep terug in de richting van de scooter en nam deze over van verdachte. Verdachte liep in de richting van [slachtoffer] en wilde diens telefoon zien. Hij zag toen hoe verdachte de telefoon uit de handen van [slachtoffer] probeerde te trekken, terwijl [slachtoffer] zich aan zijn telefoon vastklampte. Verdachte trok de telefoon toen met zoveel kracht uit [slachtoffer] handen, dat deze alleen nog het klepje van de telefoon in zijn handen hield. Hierna sprong verdachte bij medeverdachte achterop de scooter en reden beide verdachten weg.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend de beroving te hebben gepleegd. Verdachte verklaarde dat hij samen met de medeverdachte in de buurt van [slachtoffer] en zijn vrienden stond. Hij liep naar [slachtoffer] en vroeg om zijn telefoon. Toen [slachtoffer] hem de telefoon liet zien, pakte hij de telefoon uit de handen van de jongen. Daarna reed hij bij de medeverdachte achterop de scooter weg. Verdachte gaf in zijn verklaring bij de politie aan dat het klepje van de telefoon is losgekomen toen hij de telefoon uit de handen van [slachtoffer] trok.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 augustus 2010 in Soest, op de openbare weg, de telefoon van [slachtoffer] onder bedreiging van geweld en met gebruik van geweld heeft weggenomen.

Verdachte ontkent dit feit samen met een mededader te hebben gepleegd. De rechtbank acht echter, op basis van de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1], wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de beroving samen met een medeverdachte heeft gepleegd. Uit beide verklaringen blijkt namelijk dat verdachte en de medeverdachte samen op de scooter aan kwamen rijden. Beide verdachten hebben [slachtoffer] op enig moment gevraagd de telefoon te laten zien. Gedurende de tijd dat verdachte bij [slachtoffer] stond en de telefoon uit diens handen trok, stond de medeverdachte vlakbij de jongens. Vervolgens reden beide verdachten samen op de scooter weg. Hieruit valt op te maken dat er sprake was van een nauwe samenwerking tussen beide verdachten met de opzet [slachtoffer] van zijn telefoon te beroven.

Verdachte ontkent tevens dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd. De rechtbank acht echter op basis van de verklaring van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen dat gedurende de beroving sprake was van bedreiging met geweld door verdachte. Gelet op het verweer van de raadsman voegt de rechtbank hier aan toe dat zij bewezen acht dat deze bedreiging zich heeft gericht tot [slachtoffer] zelf. Immers [slachtoffer] verklaarde dat verdachte tegen hem zei dat hij klappen zou krijgen als hij zijn telefoon niet zou laten zien.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 16 augustus 2010 te Soest, op de openbare weg, de Beetzlaan, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (merk Blackberry, kleur zwart) toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat dreigend tegen die [slachtoffer] werd gezegd dat hij zijn Blackberry moest laten zien anders zou hij slaag krijgen, althans, woorden van soortgelijke strekking en dat die telefoon met kracht uit de handen van die [slachtoffer] werd getrokken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en 2 maanden geheel voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar met daarbij de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, zolang die instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde gedurende 6 maanden deel moet nemen aan het project ITB Plus of een behandeling moet volgen bij Kade 17 of een soortgelijke instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak gepleit van hetgeen ten laste is gelegd.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het gaat goed met verdachte. De begeleiding middels ITB Plus verloopt goed dankzij de coöperatieve houding van verdachte en zijn moeder.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving waarbij door verdachte gedreigd is met geweld en geweld is gebruikt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijke beroving nog geruime tijd de gevolgen daarvan, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, kunnen ondervinden. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, kunnen dit soort berovingen midden op straat ook het gevoel van onveiligheid in de samenleving doen toenemen.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 oktober 2010 blijkt dat verdachte al eerder voor diefstal, geweldpleging en bedreiging met geweld is veroordeeld. De rechtbank neemt dit als strafverzwarende omstandigheid mee.

Daarnaast acht de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid aanwezig het feit dat verdachte nog maar zeer recentelijk terug in Nederland was toen hij het huidige feit pleegde. Verdachte is eind 2009 door zijn moeder naar zijn vader in Marokko gestuurd vanwege zijn (delict) gedrag. Binnen zeer korte tijd na zijn terugkeer is verdachte opnieuw in aanraking gekomen met de politie.

De rechtbank houdt als strafverminderende factor rekening met de proceshouding van verdachte. De verdachte heeft ter zitting openheid van zaken gegeven waar het zijn eigen aandeel in het delict betreft. De rechtbank heeft door de proceshouding van verdachte de indruk dat er sprake is van berouw.

Daarnaast neemt de rechtbank in haar overweging mee dat uit het voorlichtingsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 27 oktober 2010, opgemaakt door raadsonderzoeker R.J. Verhoek, blijkt dat verdachte momenteel op alle leefgebieden goed functioneert. Wel lijkt verdachte hiervoor het toezicht en de controle vanuit de ITB Plus maatregel nodig te hebben. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert dan ook een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarde dat de minderjarige zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun, waarvan 6 maanden ITB Plus, houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de minderjarige zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal moeten stellen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard zich bewust te zijn van de noodzaak hulp en begeleiding te krijgen, om zo in de toekomst delictgedrag te voorkomen.

De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur nodig is om verdachte er in de toekomst van te weerhouden strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht hiervoor, op grond van persoonlijke omstandigheden van verdachte een lagere voorwaardelijke jeugddetentie afdoende dan door de officier van justitie is geëist. Gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de verklaring van verdachte zal de rechtbank daarbij de bijzondere voorwaarde opleggen, zoals door de Raad voor de Kinderbescherming is geadviseerd. Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen van het Bureau jeugdzorg Utrecht, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde gedurende 6 maanden deel moet nemen aan het project ITB-Plus of een behandeling moet volgen bij Kade 17 of een soortgelijke instelling.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van de datum dat dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A. Wassing en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E.J. Sprakel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november 2010.