Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4157

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-05-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
285819 / KG ZA 10-357
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Niet betaalde kinderalimentatie voldoende grond voor lijfsdwang? Uit de dagvaarding en de toelichting die de advocaat van eiseres tijdens de zitting heeft gegeven, maakt de voorzieningenrechter op dat de vrouw vergeefs heeft geprobeerd om op grond van een eerdere beschikking van de rechtbank Utrecht kinderalimentatie te incasseren bij de man en dat zij via het LBIO vergeefs heeft geprobeerd om ter incassering van deze kinderalimentatie beslag te leggen. Verder maakt de voorzieningenrechter uit de stellingen van de vrouw op dat deze incasso- en beslagpogingen niet zijn gelukt omdat de man niet traceerbaar is en niet in loondienst werkzaam is. Op grond van het voorgaande is het aannemelijk dat toepassing van een ander dwangmiddel dan lijfsdwang onvoldoende uitkomst zal bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2011, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

285819 / KG ZA 10-357

31 mei 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 285819 / KG ZA 10-357

Vonnis in kort geding van 31 mei 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. D.I.A. Schröder,

tegen

[gedaagde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• de aan dit vonnis gehechte dagvaarding van 27 april 2010 met de daaraan gehechte producties 1 tot en met 5,

• de advertentie in het AD Utrecht-Zuid van 30 april 2010,

• de mondelinge behandeling van 31 mei 2010 ter gelegenheid waarvan de vrouw haar vorderingen heeft toegelicht en haar subsidiaire vordering, voor zover de man wordt veroordeeld tot betaling van EUR 12.405,44 op straffe van verbeurte van een dwangsom, heeft ingetrokken.

1.2. Ten slotte is mondeling vonnis gewezen. Het onderstaande geeft de motivering en de beslissing van dit vonnis weer.

2. De feiten

2.1. De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad en hebben samen twee kinderen, te weten [kind A] en [kind B]

2.2. De rechtbank Utrecht heeft bij beschikking van de 12 september 2007 (zaaknummer/rekestnummer 229720/FA RK 07-2326) bepaald dat de man vanaf 1 januari 2007 bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van EUR 150,-- per maand per kind zal verstrekken. Op 6 november 2007 is deze beschikking openbaar aan de man betekend.

2.3. De vrouw heeft het LBIO verzocht om namens haar de door de man op grond van de beschikking van 12 september 2007 verschuldigde kinderalimentatie te incasseren.

2.4. Bij brief van 18 maart 2009 heeft het LBIO aan de vrouw bericht dat zij geen relevante informatie heeft kunnen achterhalen waarmee kan worden overgegaan tot gerichte incassomaatregelen en dat zij daarom de zaak aan de deurwaarder uit handen heeft gegeven. (zie productie 3 bij de dagvaarding).

Bij brief van 30 oktober 2009 heeft het LBIO aan de vrouw bericht dat de deurwaarder het dossier heeft gesloten in verband met het ontbreken van incassomogelijkheden (zie productie 3 bij de dagvaarding).

3. De beoordeling

3.1. Voor de vordering en de feiten wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

3.2. Ten aanzien van het exploot van de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat het gevraagde verstek behoort te worden verleend.

3.3. De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevor¬derde voldoende aannemelijk geworden.

3.4. De primaire vordering strekt tot betaling van een bedrag van EUR 12.405,44 aan achterstallige kinderalimentatie met betrekking tot de periode 1 januari 2007 tot

1 mei 2010. Deze vordering zal worden afgewezen omdat de vrouw voor dit bedrag al een executoriale titel heeft, namelijk de in punt 2.2. genoemde beschikking van de

rechtbank Utrecht van 12 september 2007. De vrouw heeft dan ook geen belang bij toewijzing van deze vordering.

3.5. Daarmee wordt toegekomen aan de beoordeling van de subsidiaire vordering.

Deze vordering strekt – na vermindering van eis – ertoe dat de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 september 2007, voor zover die betrekking heeft op de kinderalimentatie met betrekking tot de periode 1 januari 2007 tot 1 mei 2010, bij lijfsdwang wordt toegestaan. Deze vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal dan ook worden toegewezen. Dit wordt als volgt gemotiveerd.

3.5.1. Het is op grond van artikel 585 sub b Rv toegelaten om in het geval dat kinderalimentatie niet wordt betaald lijfsdwang toe te passen.

Uit de dagvaarding en de toelichting die de advocaat van de vrouw tijdens de zitting heeft gegeven, maakt de voorzieningenrechter op dat de vrouw vergeefs heeft geprobeerd om de door de man op grond van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 september 2007 aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie te incasseren en dat zij via het LBIO vergeefs heeft geprobeerd om ter incassering van deze kinderalimentatie beslag te leggen.

Verder maakt de voorzieningenrechter uit de stellingen van de vrouw op dat deze

incasso- en beslagpogingen niet zijn gelukt omdat de man niet traceerbaar is en niet in loondienst werkzaam is.

Op grond van het voorgaande is het aannemelijk dat toepassing van een ander dwangmiddel dan lijfsdwang onvoldoende uitkomst zal bieden.

De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, mede gelet op haar financiële situatie, belang heeft bij het incasseren van de kinderalimentatie en daarmee bij het pressiemiddel van lijfsdwang.

Verder geldt dat, nu de man niet is verschenen, niet is gebleken dat de man buiten staat is om de in het geding zijnde kinderalimentatie te voldoen.

3.6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de duur van de lijfsdwang voor de in dit geding zijnde schuld ad EUR 12.405,44 (de achterstallige kinderalimentatie met betrekking tot de periode van 1 januari 2007 tot 1 mei 2010) te bepalen op één maand.

Een langere duur zou gezien de omvang van de in het geding zijnde schuld van de man niet proportioneel zijn. Het komt de voorzieningenrechter voorts voor dat een periode van

één maand voldoende moet zijn om als pressiemiddel tot betaling van de in de geding zijnde kinderalimentatie te dienen.

3.7. Hoewel het geschil verband houdt met de beëindiging van de affectieve relatie tussen partijen ziet de voorzieningenrechter in dit geval geen aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De man heeft vanaf 2007 alles eraan gedaan om aan de betaling van de op grond van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 september 2007 verschuldigde kinderalimentatie te ontkomen.

De vrouw is daardoor genoodzaakt om aan de voorzieningenrechter te verzoeken om het uiterste pressiemiddel van lijfsdwang te mogen toepassen.

De man zal dan ook als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:

- dagvaarding EUR 87,93

- betaald vast recht 65,75

- in debet gesteld vast recht 197,25

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.166,93

Deze kosten dienen met toepassing van artikel 243 Rv aan de griffier van de rechtbank Utrecht te worden betaald.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1. verleent verstek tegen de man,

4.2. wijst de primaire vordering af,

4.3. staat toe dat indien de man niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het bedrag van EUR 12.405,44 aan de vrouw betaalt de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 september 2007 (zaaknummer/rekestnummer 229720/FA RK 07-2326), voor zover die betrekking heeft op de kinderalimentatie met betrekking tot de periode 1 januari 2007 tot 1 mei 2010 (EUR 12.405,44) bij lijfsdwang , ten uitvoer wordt gelegd,

4.4. bepaalt de duur van de tenuitvoerlegging van de lijfsdwang op ten hoogste één maand,

4.5. veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op EUR 1.166,93, te voldoen aan de griffier van de rechtbank Utrecht,

4.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2010.