Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4145

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-08-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
SBR 09-777
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepszaak. B&W van Utrecht hebben de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van een matras afgewezen. De rechtbank stelt vast dat B&W van Utrecht, door eiseres leenbijstand toe te kennen ter hoogte van het maximale bedrag voor één persoon (100 euro), conform het eigen beleid heeft gehandeld. Dat eiseres een tweepersoonsmatras heeft aangeschaft, omdat zij al een tweepersoonsbed heeft, is begrijpelijk maar is niet een zo bijzondere omstandigheid dat deze - in afwijking van het beleid - moet leiden tot een aanspraak op bijstand voor een tweepersoonsmatras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/777

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. T. Schouten, advocaat te Utrecht

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder,

gemachtigde: C. van den Bergh

Inleiding

1.1 Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van een matras afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 januari 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 13 juni 2010, waar eiseres is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiseres heeft op 11 september 2008 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van een tweepersoonsmatras ter hoogte van € 269,-. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiseres, omdat er sprake was van bijzondere omstandigheden, leenbijstand ter hoogte van € 100,- toegekend. Het gaat om een toekenning op grond van de hardheidsclausule van artikel 46 van de Richtlijnen Bijzondere Bijstand Utrecht (hierna: RBBU, waarin door verweerder toegepast beleid is neergelegd), zo heeft verweerder ter zitting toegelicht.

2.2 Het beroep richt zich tegen het bestreden besluit van 30 januari 2009. In beroep kan dus enkel de vraag worden beantwoord of verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van een matras terecht (deels) heeft afgewezen.

2.3 Eiseres wil bijzondere bijstand ontvangen voor het volledige bedrag van € 269,- dat zij heeft uitgegeven aan haar nieuwe matras. Bovendien wil zij deze bijstand om niet.

2.4 Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 van de WWB geeft regels omtrent afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening.

2.5 Vast staat dat de aanvraag van eiseres ziet op een duurzaam gebruiksgoed. Verweerder was dus - gelet op artikel 51, eerste lid, van de WWB - in beginsel bevoegd de gevraagde bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.

2.6 In paragraaf 2.27 van het Handboek SoZaWe (hierna: het Handboek) heeft verweerder beleid vastgelegd dat betrekking heeft op bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen. Daaruit blijkt dat verweerder aan zelfstandige huishoudens met een minimuminkomen zonder ten laste komende kinderen, indien een lening bij de KBU (de gemeentelijke kredietbank) niet mogelijk is, bijstand verstrekt in de vorm van leenbijstand.

2.7 De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres, die alleenstaande is en die heeft aangetoond dat zij geen lening bij de KBU kon krijgen, overeenkomstig zijn beleid bijstand in de vorm van een lening heeft toegekend. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft verweerder geen bijzondere omstandigheden hoeven zien op grond waarvan de bijstand om niet had moeten worden verstrekt. Overigens heeft eiseres in haar aanvraag om de bijzondere bijstand zelf aangegeven dat zij zich kan vinden in toekenning in de vorm van leenbijstand. Zij heeft immers op het aanvraagformulier geschreven: “Desnoods schiet u het voor, en elke maand € 30,- van mij[n] uitkering inhouden tot ik het heb afgelost.”

2.8 In de hiervoor genoemde paragraaf van het Handboek is over de hoogte van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen bepaald dat de bijstand wordt verleend voor de werkelijk gemaakte kosten, maar ten hoogste tot de in het beleid neergelegde maximumbedragen. Voor één persoon geldt voor een matras een maximumbedrag van € 100,-. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. Verweerder gaat er blijkens dit beleid van uit dat voor € 100,- een matras voor één persoon gekocht kan worden. Nu het tegendeel niet is gebleken gaat de rechtbank daar ook van uit.

2.9 De rechtbank stelt vast dat verweerder, door eiseres bijstand toe te kennen ter hoogte van het maximale bedrag voor één persoon, conform dat beleid heeft gehandeld. Dat eiseres een tweepersoonsmatras heeft aangeschaft, omdat zij al een tweepersoonsledikant heeft, is begrijpelijk maar is niet een zo bijzondere omstandigheid dat deze - in afwijking van het beleid - moet leiden tot een aanspraak op bijstand voor een tweepersoonsmatras.

2.10 Het beroep is ongegrond.

2.11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op

9 augustus 2010.

De griffier: De rechter:

mr. G. Delissen mr. K.J. Veenstra

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.