Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4142

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
16-600258-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling. Verdachte sloeg onder meer met een bezemsteel op het lichaam van verdachte, waardoor de steel van deze bezem tot tweemaal toe is gebroken. Een dergelijk misdrijf rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank legt een gevangenisstraf van zes maanden op, waarvan twee voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is hoger dan die door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, ondanks dat verdachte van een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken, onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600258-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres] te [woonplaats]

raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te Den Bosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: heeft geprobeerd [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 1 subsidiair: [benadeelde 1] heeft mishandeld en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd;

feit 2: [benadeelde 1] en/of zijn kinderen heeft bedreigd;

feit 3: [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft een vrijspraak gevorderd voor de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten, vanwege het ontbreken van het wettig bewijs.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet het opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde 1]. De raadsman heeft de rechtbank dan ook verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde. Naar het oordeel van de raadsman kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie dat de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten niet bewezen kunnen worden verklaard, vanwege het ontbreken van het wettig bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het wettig bewijs ontbreekt ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Voor feit 2 geldt dat zich in het dossier uitsluitend bevindt de verklaring van [benadeelde 1]. Weliswaar heeft ook [benadeelde 2] een verklaring afgelegd waarin zij verklaart dat verdachte bedreigingen uitte, maar hierbij gaat het om andere bedreigingen die op een ander tijdstip zouden hebben plaatsgevonden dan de bij feit 2 tenlastegelegde bedreiging. Met betrekking tot feit 3 is er alleen door [benadeelde 1] een verklaring afgelegd.

Dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, zodat verdachte van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten vrijgesproken dient te worden.

4.3.2 Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegde onder 1 primair, gelet op:

- de aangifte van [benadeelde 1] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ;

- de medische informatie betreffende [benadeelde 1] d.d. 21 december 2009 ;

- foto’s van het letsel van [benadeelde 1]

Opzet

Met betrekking tot de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank het volgende.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling zal moeten worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel dat er sprake is geweest van geweldshandelingen van dien aard dat op grond daarvan kan worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van deze handelingen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen.

Op 19 december 2009 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een explosie van geweld jegens [benadeelde 1]. Verdachte stelt dat hij geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde 1]. De rechtbank overweegt evenwel dat gelet op de aard van de geweldshandelingen en de intensiteit daarvan, verdachte zonder meer de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 1] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen. Enkele van de door verdachte gepleegde geweldshandelingen, waarbij de rechtbank met name denkt aan het meermalen slaan met een bezemsteel op het lichaam van die [benadeelde 1] waardoor de steel van deze bezem tot tweemaal toe is gebroken, zijn op zichzelf al voldoende voor de rechtvaardiging van deze conclusie. Het letsel dat [benadeelde 1] door het toegepaste geweld heeft opgelopen wijst er ook op dat verdachte hard heeft geslagen. Dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel zich niet heeft gerealiseerd is een geluk dat [benadeelde 1] niet aan verdachte te danken heeft.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijke opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1.

op 19 december 2009 te Abcoude, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 1]

- langdurig en hard bij de keel heeft gegrepen en

- aan haar haar richting de bank heeft getrokken en

- een wijnfles tegen (de schouder van) die [benadeelde 1] heeft gegooid en

- meermalen met een bezemsteel tegen het lichaam heeft geslagen en

- met een geluidsbox tegen het lichaam heeft gegooid en

- meermalen met een scherp/puntig voorwerp naar het hoofd en/of het lichaam van die [benadeelde 1] heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

poging tot zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is onderzocht door een psycholoog, de heer dr. P.G.J. Greeven. Deze gedragsdeskundige heeft geconcludeerd dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Op grond van deze conclusie wordt verdachte door de deskundige toerekeningsvatbaar geacht.

De rechtbank maakt de conclusie van de deskundige tot de hare.

De rechtbank constateert dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is aldus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag en een contactverbod. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een werkstraf op te leggen voor duur van 240 uren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd zich te kunnen in een voorwaardelijke straf. De raadsman heeft voorts aangegeven de maximaal gevorderde werkstraf fors te vinden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld. Zo heeft verdachte tegen zijn voormalige partner geweld gebruikt door haar bij haar keel te grijpen, haar te slaan met een wijnfles, haar meermalen met een bezem tegen haar lichaam te slaan en door met een scherp voorwerp in haar richting te steken.

Huiselijk, relationeel getint geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, maar de ervaring leert dat de slachtoffers hiervan meestal nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. Bovendien zorgen dergelijke feiten ook voor onrust in de samenleving.

De rechtbank neemt het de verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij jegens zijn voormalig partner geweld heeft toegepast, terwijl hun jonge kinderen hierbij aanwezig, dan wel in de buurt waren. Zoals uit de door [benadeelde 1] ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt, heeft zij professionele hulp gezocht om zichzelf en de kinderen te laten helpen bij het verwerken van het heftige geweldsincident waar zij slachtoffer respectievelijk getuige van zijn geweest.

Een dergelijk misdrijf rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden noodzakelijk is. Hoewel de rechtbank het positief waardeert dat verdachte vrijwillig hulp heeft gezocht en reeds aan een behandeling bij De Waag is begonnen, ziet zij geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Een gedeelte van deze straf, te weten 2 maanden, zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is hoger dan die door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, ondanks dat verdachte van een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken, onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank deelt de conclusie van de reclassering, zoals verwoord in het rapport d.d. 16 juni 2010, dat begeleiding noodzakelijk is. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk, ook indien dit behandeling bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie, inhoudt.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

Naar het oordeel van de officier van justitie kan de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] worden toegewezen tot een bedrag van € 1.742,85, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij dient niet ontvankelijk te worden verklaard.

Naar het oordeel van de officier van justitie dient de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet ontvankelijk verklaard te worden, vanwege de gevorderde vrijspraak voor het onder 2 tenlastegelegde feit.

7.2 Het standpunt van de raadsman

De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] kan voor het gedeelte van de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 742,85, aldus de raadsman. Naar het oordeel van de raadsman dient het gevorderde bedrag voor de immateriële schade niet ontvankelijk verklaard te worden, omdat niet duidelijk is geworden welk gedeelte van dit bedrag ziet op de vergoeding voor [benadeelde 1] en welk gedeelte van dit bedrag bedoeld is voor haar zoon, [A].

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 7.758,76 voor feit 1 en 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.742,85 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 742,85 ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering, voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade niet van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding, en voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade ten behoeve van haar zoon [A], te weten € 1.000,-, omdat verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade voor [A] zou zijn ontstaan.

Voor deze gedeelten kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 2.337,12 voor feit 2.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 1.742,85, waarvan € 742,85 ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 1.742,85 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 2] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mrs. A. van Maanen en M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 juli 2010.