Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO4083

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
SBR 10/2548, SBR 10/3481, SBR 10/2549, SBR 10/3480, SBR 10/2550, SBR 10/3479, SBR 10/2551
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wmo, AWBZ, hulp bij het huishouden, voorliggende voorziening

Samenvatting:

De huishoudelijke hulp op grond van de Wmo is voor verzoekers niet gecontinueerd dan wel niet aan hen toegekend. Verzoekers hebben een psychogeriatrische aandoening en wonen in woningen waar Stichting Zorggroep Charim zorg aan hen verleent. Het CIZ heeft op grond van de AWBZ voor verzoekers een indicatie voor zzp 5, ‘Beschermd wonen met intensieve dementiezorg’ afgegeven. In de aan verzoekers afgegeven indicaties op grond van de AWBZ voor zzp 5 is onder meer hulp bij het huishouden is opgenomen. Verzoekers hebben dergelijke hulp bij het huishouden nodig. Charim, is niet een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de AWBZ, waar verblijf in de zin van artikel 9, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ wordt geboden. Dus is het in beginsel mogelijk dat verzoekers aanspraak kunnen maken op voorzieningen op grond van de Wmo. Namens Charim is verklaard dat de zorg die door Charim in de woningen wordt verleend in beginsel hulp bij het huishouden omvat en dat het ook de bedoeling is dat Charim deze hulp levert, maar dat niet is uitgesloten dat hulp bij het huishouden door derden wordt verleend, hetgeen in een enkel geval ook voorkomt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat des te meer sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 van de Wmo, waarover verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de AWBZ-indicatie van verzoekers op dat punt niet kan worden verzilverd. Gesteld, noch gebleken is dat is geprobeerd om de hulp bij het huishouden aan verzoekers door derden te laten verlenen. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd over financiële en beleidsmatige afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de VNG leidt er niet toe dat het wettelijke systeem waaruit de positie van de Wmo ten opzichte van de AWBZ volgt, opzij kan worden gezet. De wettelijke verhouding tussen de AWBZ en de Wmo is op dit punt - ook bij nadere beschouwing - te robuust om door dergelijke stukken - wat daar ook van zij - opzij te worden gezet. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de AWBZ in het geval van verzoekers een voorliggende voorziening is in de zin van artikel 2 van de Wmo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2011/32 met annotatie van Kluwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/2548, SBR 10/3481, SBR 10/2549, SBR 10/3480, SBR 10/2550, SBR 10/3479, SBR 10/2551, SBR 10/3478, SBR 10/2552, SBR 10/3477, SBR 10/2553 en SBR 10/3476

uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[verzoekster sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoekster sub 3], [verzoekster sub 4], [verzoekster sub 5] en [verzoekster sub 6],

wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigden: mr. J.W.A. van Dommelen en mr. G.H.A. Versluis, advocaten te Veenendaal

over besluiten van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, verweerder,

gemachtigde: J.F. Bakkenes – Minnaard.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 3 mei 2010 heeft verweerder aan verzoekers [verzoekster sub 1], [verzoekster sub 3] en [verzoekster sub 5] een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor het inkopen van hulp bij het huishouden tot en met 23 mei 2010. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft verweerder hetzelfde besloten ten aanzien van verzoekster [verzoekster sub 6]. Bij besluiten van 4 mei 2010 heeft verweerder voorts de aanvragen van verzoekers [verzoeker sub 2] en [verzoekster sub 4] om hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

1.2 Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben voorts de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder de Wmo-voorziening huishoudelijke ondersteuning aan hen dient te handhaven (lees: dan wel te verstrekken) met terugwerkende kracht vanaf de datum van de aanvragen althans de datum van beëindiging van de voorzieningen.

1.3 Bij besluiten van 5 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

1.4 De verzoeken zijn op 7 oktober 2010 ter zitting behandeld, waar verzoekers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. G.H.A. Versluis en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de Stichting Zorggroep Charim heeft [B] het woord gevoerd.

1.5 Verzoekers hebben ter zitting beroep ingesteld tegen de besluiten van 5 oktober 2010 en zij hebben dit bevestigd bij brief van 13 oktober 2010.

1.6 De verzoeken om een voorlopige voorziening worden op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met verzoeken die zijn gedaan hangende de beroepen bij de rechtbank.

Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. De voorzieningenrechter overweegt dat partijen niet overeenkomstig artikel 8:86, tweede lid, van de Awb op deze bevoegdheid zijn gewezen in de uitnodiging voor de zitting, nu ten tijde van het versturen van die uitnodiging nog geen besluiten op het bezwaar waren genomen en er dus nog geen beroepen waren ingesteld. Partijen hebben echter ter zitting verklaard er mee in te stemmen dat de voorzieningenrechter gebruik maakt van zijn bevoegdheid in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Over de beroepen (SBR 10/3481, SBR 10/3480, SBR 10/3479, SBR 10/3478, SBR 10/3477 en SBR 10/3476):

2.3 De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verzoekers hebben een psychogeriatrische aandoening en wonen in woningen aan het [adres] te [woonplaats] waar Stichting Zorggroep Charim (hierna: Charim) zorg aan hen verleent. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor verzoekers een indicatie voor zorgzwaartepakket (zzp) 5, ‘Beschermd wonen met intensieve dementiezorg’ afgegeven, welke indicaties thans geldig zijn.

2.4 De voorzieningenrechter stelt vast dat in de aan verzoekers afgegeven indicaties op grond van de AWBZ voor zzp 5 onder meer hulp bij het huishouden is opgenomen. Tussen partijen is evenmin in geschil dat verzoekers dergelijke hulp bij het huishouden nodig hebben.

2.5 Voorts is tussen partijen niet in geschil dat Charim, locatie [adres], niet een instelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de AWBZ, waar verblijf in de zin van artikel 9, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ wordt geboden. Dus is het in beginsel mogelijk dat verzoekers aanspraak kunnen maken op voorzieningen op grond van de Wmo.

2.6 Op grond van artikel 2 van de Wmo bestaat er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.

2.7 Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij de geïndiceerde hulp bij het huishouden niet via de AWBZ kunnen krijgen. Zij hebben er immers voor gekozen om in een woning op de locatie [adres] te gaan wonen, waar Charim de zorg biedt. Charim kan momenteel niet het Volledig Pakket Thuis (VPT) leveren op de locatie [adres], nu daarvoor gecontracteerd moet worden met het zorgkantoor. Daarnaast hebben verzoekers gesteld dat het VPT geen aanspraak op een voorliggende voorziening in de zin van de Wmo betreft, nu het VPT niet afdwingbaar is voor hen. Verzoekers hebben verder gesteld dat zij niet in de uitzonderingscategorie vallen van personen die een AWBZ-pgb hebben van na 1 januari 2009. Indien het VPT en het AWBZ-pgb als voorliggende voorzieningen zouden worden opgevat, zouden zij dienen te verhuizen naar een intramurale instelling, hetgeen een enorme inbreuk op hun keuzevrijheid is en evenmin in het belang is van de zorg en hun levenskwaliteit, aldus verzoekers. Verzoekers hebben gesteld dat zij voor hulp bij het huishouden dan ook zijn aangewezen op de Wmo.

2.8 Verzoekers hebben verder op het punt van beleid en financiering gesteld dat met de invoering van de Wmo in 2007 de huishoudelijke kosten voor rekening van de gemeenten kwamen en niet meer uit de AWBZ werden gefinancierd. Om gemeenten te ontlasten heeft de staatssecretaris de mogelijkheid van het VPT geïntroduceerd met de gedachte dat dit zo populair zou zijn dat de huishoudelijke ondersteuning voor thuiswonende verblijfsgeïndiceerden weer ten laste van de AWBZ zou komen. Het VPT is echter financieel zeer onaantrekkelijk en komt daarom niet van de grond en dat kan rechtens ook niet worden afgedwongen. Verzoekers hebben onder verwijzing naar de door hen overgelegde Septembercirculaire Gemeentefonds 2008 en Meicirculaire Gemeentefonds 2009 gesteld dat, anticiperend op het verwachte succes van het VPT, aanvankelijk is besloten Wmo-gelden uit het gemeentefonds te nemen. Toen bleek dat het VPT geen succes werd, is deze uitname ongedaan gemaakt. Volgens verzoekers blijkt ook hieruit dat het VPT geen voorliggende voorziening is. Verzoekers hebben verder onder verwijzing naar een uitdraai van de website www.invoeringwmo.nl gesteld dat er tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is afgesproken dat thuiswonende verblijfsgeïndiceerden zonder VPT, die dus extramurale zorg ontvangen, voor de huishoudelijke hulp een beroep kunnen doen op de Wmo. Volgens verzoekers vereisen de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel dat burgers gemeenten daaraan mogen houden.

2.9 De voorzieningenrechter overweegt dat, anders dan hij in zijn uitspraak van 28 juli 2010 in de zaak van [A] (SBR 10/1888) op grond van verklaringen van partijen tijdens de desbetreffende zitting heeft aangenomen, verzoekers niet ondubbelzinnig door middel van de door hen met Charim gesloten zorgovereenkomst en de met Stichting Interkerkelijk Bejaardenwerk Woonservice gesloten huurovereenkomst civielrechtelijk hebben gecontracteerd dat zij in hun woningen geen andere zorgverlener dan Charim mogen inschakelen. De voorzieningenrechter overweegt verder dat ter zitting namens Charim is verklaard dat de zorg die door Charim in de woningen aan [adres] wordt verleend in beginsel hulp bij het huishouden omvat en dat het ook de bedoeling is dat Charim deze hulp levert, maar dat niet is uitgesloten dat hulp bij het huishouden door derden wordt verleend, hetgeen in een enkel geval ook voorkomt.

2.10 Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat des te meer sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 van de Wmo, waarover verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de AWBZ-indicatie van verzoekers op dat punt niet kan worden verzilverd. Gesteld, noch gebleken is dat is geprobeerd om de hulp bij het huishouden aan verzoekers door derden te laten verlenen.

2.11 De voorzieningenrechter overweegt dat het standpunt van verzoekers dat het VPT en het AWBZ-pgb geen voorliggende voorzieningen zijn in zoverre irrelevant is dat verweerder dat ook niet aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd. In het kader van de toetsing door de bestuursrechter hoeft dit dan ook niet in deze zaken te worden beoordeeld.

2.12 De voorzieningenrechter overweegt voorts dat, hoewel hij het begrijpelijk acht dat in de zorgsector beleidsafspraken een grote rol lijken te spelen, hetgeen verzoekers hebben aangevoerd over financiële en beleidsmatige afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de VNG, waaronder het schema in de eerder vermelde uitdraai van de website www.invoeringwmo.nl waaruit verzoekers afleiden dat hulp bij het huishouden in hun geval door de gemeente dient te worden geleverd, er niet toe leidt dat het wettelijke systeem waaruit de positie van de Wmo ten opzichte van de AWBZ volgt, opzij kan worden gezet. Over de op rijksniveau met de gemeenten, verzameld in de VNG, gemaakte afspraken en verder relevant beleid, bestaat bij dit oordeel geen twijfel, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet verzoekers in de gelegenheid te stellen nadere informatie hierover in het geding te brengen. De wettelijke verhouding tussen de AWBZ en de Wmo is op dit punt ook bij nadere beschouwing te robuust om door dergelijke stukken wat daar ook van zij opzij te worden gezet.

2.13 Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de AWBZ in het geval van verzoekers een voorliggende voorziening is in de zin van artikel 2 van de Wmo.

2.14 De beroepen zijn ongegrond.

Over de verzoeken om een voorlopige voorziening (SBR 10/2548, SBR 10/2549, SBR 10/2550, SBR 10/2551, SBR 10/2552 en SBR 10/2553):

2.15 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

Over de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening:

2.16 Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Over de beroepen:

verklaart de beroepen ongegrond.

Over de verzoeken om een voorlopige voorziening:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2010.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. A.E. Veldhoen mr. D.A. Verburg

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op de beroepen kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.