Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3762

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
295127 / JE RK 10-2574
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overweging hof 12 oktober 2010 tot plaatsing bij ouders, voorwaarden, hechtingsproblematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Zaaknummer: 295127 / JE RK 10-2574

Beschikking van 5 november 2010 van de kinderrechter met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], [geboortedatum] 2006,

kind van

[de vader],

en

[de moeder], beiden wonende te [woonplaats].

Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag.

1. Verloop van de procedure

1.1. Het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering heeft op 13 oktober 2010 een verzoek tot verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend voor de duur van zes weken. Daarbij zijn overgelegd het hulpverleningsplan en verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

1.2. Bij beschikking van 13 oktober 2010 van de kinderrechter te Utrecht is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (ambtshalve) verlengd, met ingang van 14 oktober 2010 tot 11 november 2010 en is het verzoek voor het overige aangehouden.

1.3. De rechtbank heeft kennis genomen van nadien ingekomen stukken van de raadsvrouw van de pleegouders d.d. 25 oktober 2010.

1.4. Op 29 oktober 2010 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:

- de vader, [de vader];

- de moeder, [de moeder];

- de raadsman van de ouders, mr. A.P. van Stralen;

- namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad), mevrouw J. Dols, raadsonderzoeker, en mevrouw A.P.M. van Rheenen, gedragsdeskundige;

- namens Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna: BJZ), de heer D. Doleweerd, unitleider, mevrouw K.W. van Mourik, juriste, en mevrouw W. de Groot, gedragswetenschapper;

- namens het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (hierna: LdH), mevrouw J. Clayton, gezinsvoogd, en mevr. M. Boer, gedragswetenschapper;

- de pleegouders, de heer en mevrouw [A];

- de raadsvrouw van pleegouders, mr. A.M.C.J. Klostermann;

- namens pleegzorgvoorziening de Rading: mevrouw E. Mout, teamcoördinator, en mevrouw M.C. van Ree, pleegzorgmedewerker.

1.5. Mr. Van Stralen heeft ter zitting aangevoerd dat ouders het niet eens zijn met de aanwezigheid van BJZ. Hiertoe heeft mr. Van Stralen aangevoerd dat BJZ haar taken omtrent de ondertoezichtstelling heeft gemandateerd aan het LdH en daarom geen belang meer heeft.

De kinderrechter oordeelt dat BJZ op deze zitting aanwezig mag zijn als belanghebbende. De kinderrechter overweegt hiertoe dat de kinderrechter [minderjarige] bij beschikking van 27 april 2007 onder toezicht heeft gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht. Bij beschikking van 7 juli 2010 van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht is de termijn waarvoor [minderjarige] onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht is gesteld, verlengd, met ingang van 9 juli 2010 tot 14 april 2011 en is de uitvoering van de maatregel opgedragen aan het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering. Aangezien ook een verzoek tot belasting van BJZ met de uitvoering van de ondertoezichtstellingmaatregel aan de orde is, heeft BJZ alleen al uit dien hoofde toegang tot de zitting. Daarnaast overweegt de kinderrechter dat het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem blijkens de beschikking d.d. 12 oktober 2010 BJZ heeft aangemerkt als belanghebbende en ziet de kinderrechter geen aanleiding om BJZ voor onderhavig verzoek anders te handelen door BJZ niet als belanghebbende aan te merken.

1.6. Ter zitting heeft de gezinsvoogd een gewijzigd verzoek ingediend, strekkende tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij pleegouders voor de duur van drie maanden, waarbij de gezinsvoogd heeft verklaard om de machtiging eerst met zes weken te verlengen en het verzoek voor het overige aan te houden.

1.7. Mr. Klostermann heeft ter zitting verzocht (zoals ook vermeld in haar schrijven d.d. 25 oktober 2010) om het vaststellen van een omgangsregeling tussen pleegouders en [minderjarige], om het laten verrichten van een hechtingsonderzoek tussen pleegouders en [minderjarige], om een bijzonder curator te benoemen die de belangen van [minderjarige] kan behartigen en om een wijziging van de gezinsvoogdijinstelling die belast is met de ondertoezichtstelling, van LdH naar BJZ.

Mr. Klostermann heeft daarnaast een pleitnotitie overgelegd en een brief van de intern begeleider van openbare basisschool [B] d.d. 28 oktober 2010.

2. Beoordeling van het verzochte

2.1. Bij beschikking van 7 juli 2010 van de kinderrechter te Utrecht is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 9 juli 2010 verlengd tot 14 april 2011 en is de uitvoering van de maatregel opgedragen aan LdH.

2.2. Ter zitting heeft de gezinsvoogd haar gewijzigde verzoek toegelicht. Gebleken is dat het volgen van een agressie regulatietraining door vader naar alle waarschijnlijkheid niet haalbaar is, maar dat eventueel een ander hulpaanbod voorhanden is. De gezinsvoogd heeft hierover verklaard dat De Waag geen agressie regulatietraining kan aanbieden zoals het Hof dat in de beschikking van 12 oktober 2010 bedoelt, maar wel een behandeling gericht op agressiebeheersing. De Waag zal adviseren over passend hulpaanbod voor vader. Op maandag 1 november 2010 zal er een gesprek plaatsvinden tussen vader en zijn vaste behandelaar. De gezinsvoogd verwacht dat eind november 2010 hierover meer duidelijkheid is.

Voorts heeft de gezinsvoogd verklaard dat [minderjarige] op alle ontwikkelingsgebieden achter loopt in vergelijking met leeftijdgenootjes. Volgens de gezinsvoogd is verblijf van [minderjarige] op een medisch kinderdagverblijf (hierna: MKD) noodzakelijk.

2.3. Mr. Van Stralen heeft ter zitting namens ouders aangevoerd dat ouders op zich wel achter een korte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing staan, maar dat hoe langer de uithuisplaatsing voortduurt, des te moeilijker het wordt om [minderjarige] bij zijn ouders terug te plaatsen.

2.4. Mr. Klostermann heeft ter zitting namens pleegouders aangevoerd dat voorzichtigheid dient te worden betracht met betrekking tot het plaatsen van [minderjarige] bij ouders. Mr. Klostermann heeft een hechtingsonderzoek tussen pleegouders en [minderjarige] verzocht, evenals het vaststellen van een omgangsregeling tussen pleegouders en [minderjarige], ingeval beslist wordt dat [minderjarige] wordt teruggeplaatst bij ouders. Tevens heeft mr. Klostermann verzocht om een bijzonder curator te benoemen die de belangen van [minderjarige] behartigt. Voorts heeft mr. Klostermann verzocht om LdH te vervangen door BJZ, omdat BJZ eindverantwoordelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.5. De kinderrechter overweegt als volgt.

2.6. Bij beschikking van 12 oktober 2010 van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, is bepaald dat LdH pas tot terugplaatsing van [minderjarige] bij zijn ouders kan overgaan nadat zijn vader een agressie regulatietraining heeft afgerond en voor [minderjarige] een plaatsing van vijf dan wel – indien hiermee in de visie van het MKD kan worden volstaan – drie dagen per week op een MKD is geregeld.

2.7. Ter zitting is gebleken dat het volgen van een agressie regulatietraining door vader naar alle waarschijnlijkheid niet haalbaar is, maar dat eventueel een ander hulpaanbod voorhanden is. De kinderrechter heeft begrepen dat de Waag zal adviseren over passend hulpaanbod voor vader. De gezinsvoogd verwacht dat eind november 2010 hierover meer duidelijkheid is.

2.8. De kinderrechter begrijpt het verzoek van mr. Klostermann, om te bepalen dat de rechtbank een onderzoek gelast naar de mate van hechting van [minderjarige] aan pleegouders, als een verzoek als bedoeld in artikel 810a Rv. Met betrekking tot dit verzoek en haar verzoek tot het benoemen van een bijzonder curator, overweegt de kinderrechter dat hieraan de stelling van pleegouders ten grondslag ligt dat in de rapportages van het NIFP (5 oktober 2009), het Ambulatorium (9 juni 2010), de Raad (toetsingsrapport terugplaatsing, 29 juli 2010) én de beslissing van het Hof d.d. 12 oktober 2010 ten onrechte geen aandacht is besteed aan de consequenties voor [minderjarige] om na 2,5 jaar bij pleegouders gewoond te hebben, weer bij ouders geplaatst te worden. Pleegouders wensen dan ook dat onderzocht wordt hoe de hechting tussen [minderjarige] en pleegouders is en wat het voor [minderjarige] betekent als hij weer bij ouders wordt geplaatst. Pleegouders wensen dat de plaatsing van [minderjarige] bij zijn ouders volledig wordt herzien.

2.9. De kinderrechter overweegt dat het uitgangspunt de zeer recente beslissing van het Hof moet zijn, als vermeld in punt 2.6., tenzij er nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die er toe nopen om de plaatsing van [minderjarige] bij zijn ouders te heroverwegen.

2.10. Het betoog van mr. Klostermann omtrent de hechtingsproblematiek heeft zij blijkens het appelschrift van 22 juli 2010 onder de aandacht van het Hof gebracht. Hoewel het Hof geen expliciete overweging aan de hechtingsproblematiek heeft besteed, moet de kinderrechter er vanuit gaan dat dit aspect bij de algehele beoordelingsmaatstaf voor iedere beslissing, te weten het belang van het kind, betrokken moet zijn geweest. De kinderrechter ziet daarom thans geen aanleiding om op dit moment het beleidsuitgangspunt van het LdH tot plaatsing bij ouders te toetsen.

2.11. Uit de verklaringen van de gehoorde personen en uit de overgelegde stukken blijkt dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in de hierna te noemen voorziening noodzakelijk is. De kinderrechter zal de machtiging uithuisplaatsing verlengen tot 15 december 2010 en het verzoek voor het overige aanhouden, omdat er op dit moment onvoldoende duidelijkheid is omtrent de te volgen behandeling van vader bij de Waag, de duur van deze behandeling en de consequenties hiervan voor terugplaatsing van [minderjarige] bij zijn ouders.

2.12. Hoewel het nu nog niet gebleken, bestaat de mogelijkheid dat niet voldaan zal kunnen worden aan de voorwaarden die het Hof in haar beschikking van 12 oktober 2010 heeft gesteld, namelijk het volgen van een agressie regulatietraining door vader. Tijdens een volgende zitting dient opnieuw naar deze gestelde voorwaarden gekeken dienen te worden, alvorens overgegaan kan worden tot terugplaatsing van [minderjarige]. Om deze reden zullen de beslissingen op het aangehouden deel van het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing en op de verzoeken van mr. Klostermann worden aangehouden tot de behandeling ter meervoudige kamer van deze rechtbank op 30 november 2010 te 10.45 uur.

3. Beslissing

De kinderrechter:

- verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg als bedoeld in het indicatiebesluit d.d. 24 februari 2010, kenmerk B-CAM-WSS0A, met ingang van 11 november 2010 tot 15 december 2010;

- verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

- houdt het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing voor het overige aan;

- houdt het verzoek ex artikel 810 A Rv aan;

- houdt het verzoek tot het benoemen van een bijzonder curator aan;

- houdt het verzoek tot het terugnemen van de ondertoezichtstelling naar BJZ aan;

- houdt het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen pleegouders en [minderjarige], indien tot terugplaatsing wordt overgegaan, aan.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van

5 november 2010 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in bijzijn van D.B.T. Koster als griffier.