Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3685

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
294591/FT-RK 10.1011
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

287a Faillissementswet, dwangakkoord, afwijzing, lagere kosten in minnelijk traject echter waarborgen in wettelijk traject in het onderhavige geval meer van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer: 294591/FT-RK 10.1011

uitspraakdatum: 11 november 2010

dwangakkoord

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoekster],

geboren [1950] te [geboorteplaats], wonende [woonplaats],

verzoekster,

tegen

NEDERLANDSE ENERGIE MAATSCHAPPIJ

gevestigd te Rotterdam,

verweerster.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en NEM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 11 oktober 2010 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating van toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.);

- de mondelinge behandeling van genoemd verzoekschrift op 4 november 2010, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1. [verzoekster] heeft op of omstreeks 29 april 2010 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit akkoord houdt - samengevat – in dat een vrij te laten bedrag wordt berekend conform de Recofa- methode, en dat de inkomsten boven dit vrij te laten bedrag maandelijks worden gereserveerd. Eens per kwartaal worden de gereserveerde inkomsten ponds-pondsgewijs uitgekeerd aan de schuldeisers. De schuldhulpverlener houdt voor de vergoeding van haar kosten € 6,00 per maand en 9% van de gereserveerde afloscapaciteit in op de uitkering aan de schuldeisers.

2.2. De onder 2.1. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve NEM aanvaard.

2.3. NEM heeft als reden voor het onthouden van haar instemming opgegeven dat zij minimaal 30% van haar vordering vergoed wenst te krijgen. In een aanvullende brief van 4 juni 2010 van [verzoekster] aan de NEM wordt gesteld dat de NEM een reservering tegemoet kan zien van € 8,17 per maand. De totale schuld van [verzoekster] aan de NEM bedraagt € 1.450,46. Dit houdt in dat [verzoekster] in staat zou zijn 20,3% van de vordering te betalen, waarmee het voorstel niet aan de voorwaarde van de NEM voldoet.

2.4. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoekster] een maandelijks inkomen heeft van € 1.437,49 en dat voor haar een vrij te laten bedrag is berekend van € 1.198,96. Onder de huidige omstandigheden is dan maandelijks een bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar van € 239,15. In 36 maanden kan volgens de opgave

€ 8.609,40 worden gereserveerd. Als de kosten van de schuldhulpverlener van € 990,85 hiervan worden afgetrokken wordt voor de schuldeisers € 7.618,55 gespaard.

2.5. Bij toelating tot de schuldsaneringsregeling zal [verzoekster] aan bewindvoerderssalaris (ten minste) verschuldigd zijn: 36 x € 49,39 = € 1.778,04.

3. Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1. [verzoekster] heeft in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht NEM te bevelen in te stemmen met de onder 2.1 bedoelde schuldregeling.

3.2. NEM bestrijdt het verzoek, op grond van hetgeen aangegeven is in 2.3.

4. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1. NEM is behoorlijk opgeroepen voor de behandeling van het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord, maar is niet verschenen om verweer te voeren. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of het verzoek haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt.

4.2. In artikel 287a Fw is bepaald dat het verzoek van [verzoekster] slechts kan worden toegewezen als NEM in redelijkheid niet tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen. Hierbij wordt in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat NEM heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering, en de belangen van [verzoekster] of overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

4.3. Het uitgangspunt moet zijn dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van haar vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Aangezien de aangeboden regeling voorziet in een aanzienlijk lagere uitkering dan de volledige vordering van NEM is haar belang tot weigering van die regeling een feit.

4.4. Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of NEM in redelijkheid tot haar weigering kon komen moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Het akkoord zal in beginsel moeten worden vergeleken met de situatie dat op [verzoekster] de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt, zoals subsidiair gevorderd. Indien wordt uitgegaan van de huidige situatie voor het inkomen, dan wordt in het aangeboden akkoord en in de schuldsaneringsregeling een gelijk bedrag gespaard. Het verschil is dat in het aangeboden akkoord € 990,85 aan kosten wordt ingehouden, en in het wettelijk traject

€ 1.778,04. Zo bezien is het aangeboden akkoord voor de NEM en overige schuldeisers gunstiger.

4.5. De rechtbank neemt voorts de volgende omstandigheden in overweging. [verzoekster] genoot tot voor kort een Ziektewet- uitkering. Deze uitkering is stopgezet, omdat de maximale duur van de uitkering was bereikt. Er bestaat dientengevolge ten tijde van de terechtzitting onduidelijkheid over het toekomstige inkomen van [verzoekster]. Er is slechts een voorlopige beschikking van de uitkeringsinstantie. De vorm en hoogte van de eventuele uitkering in de nabije toekomst zal afhangen van de nog uit te voeren medische – en arbeidskundige keuringen. Voor de hoogte van het inkomen is voorts het volgende nog van belang. [verzoekster] heeft een inwonende zoon, die voor € 523,00 bijdraagt aan het gezamenlijke inkomen. [verzoekster] heeft ter terechtzitting aangegeven dat dit inkomen voor de toekomst onzeker is.

4.6 Deze onzekerheid over de hoogte van het inkomen en de eventuele mogelijkheden die [verzoekster] heeft om betaald werk te vinden stellen nadere eisen aan het aangeboden akkoord. Er dienen waarborgen te zijn ingebouwd, die het aannemelijk maken dat [verzoekster] een zo hoog mogelijk inkomen genereert voor haar schuldeisers. Over een dergelijke inspanningsverplichting heeft [verzoekster] bij het aanbod aan haar schuldeisers echter niets gesteld. Het aanbod behelst dan in feite een vergelijkbaar traject als de wettelijke schuldsanering, echter zonder de wettelijke waarborgen die de Faillissementswet biedt. In het wettelijk traject moet streng op het naleven van de inspanningsverplichting door de schuldenaren worden toegezien. De schuldhulpverlener in de minnelijke schuldenregeling is, anders dan de bewindvoerder schuldsanering, niet bevoegd om dit toezicht uit te oefenen.

4.7 Het enige voordeel voor crediteuren is dat de kosten in het aangeboden akkoord lager zijn dan de kosten van bewindvoering op grond van de Faillissementswet. Dit voordeel weegt naar het oordeel van de rechtbank in de situatie van [verzoekster] niet op tegen de waarborgen die de wettelijke schuldsaneringsregeling de schuldeisers biedt. De rechtbank acht dit voordeel dan ook onvoldoende om te oordelen dat de NEM gehouden is om medewerking te verlenen aan het akkoord. NEM heeft dus in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling kunnen komen, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

4.9 [verzoekster] heeft na afwijzing van het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord desgevraagd verklaard het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken. Indien [verzoekster] dit besluit nog wenst te heroverwegen, heeft zij tot 25 november 2010 de gelegenheid dit aan de rechtbank te laten weten. Na 25 november 2010 zal de rechtbank zonder andersluidend bericht van [verzoekster] het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling als ingetrokken beschouwen.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2010.