Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3677

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
288921 / HA ZA 10-1419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Bepaling in een contract wordt door de rechtbank uitgelegd als een derdenbeding, op grond waarvan een derde een beroep kan doen op een andere bepaling in het contract, waarin is bepaald dat geschillen over de uitleg van de overeenkomst aan de rechtbank Utrecht moeten worden voorgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 288921 / HA ZA 10-1419

Vonnis in incident van 10 november 2010

in de zaak van

[eiser],

handelend onder de naam TAMANCO,

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. E.W.M. Verkooijen te Amsterdam,

tegen

1. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK AMSTEL EN VECHT U.A.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.C. Debije te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOURCE AUTOMATION B.V.,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser] of Tamanco, Rabobank en Source genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 3 juni 2010;

- de incidentele conclusie van Rabobank tot onbevoegdverklaring;

- de incidentele conclusie van antwoord van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Rabobank vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

2.3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (hierna: Shell) heeft in 2008 aan Source, detacheringbureau en medegedaagde van Rabobank, opdracht gegeven tot het op projectbasis tewerkstellen van deskundigen. Source heeft naar aanleiding daarvan een opdracht tot bemiddeling verstrekt aan detacheringbureau Ram en Co B.V. (hierna: Ram). Deze opdracht is vastgelegd in een “Raamovereenkomst leverancier” (hierna: de raamovereenkomst). Op grond van de raamovereenkomst heeft Source Ram de opdracht gegeven tot tewerkstelling van [eiser], marketingdeskundige, bij Shell met ingang van 2 juni 2008 tegen een vergoeding van EUR 102,50 exclusief BTW per gepresteerd uur. [eiser], handelend onder de naam Tamanco, heeft met Ram een overeenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat Ram met betrekking tot de door Tamanco uit te voeren werkzaamheden bij Shell in eigen naam maar voor rekening en risico van Tamanco zal factureren. Voorts zijn Tamanco en Ram overeengekomen dat Ram van het door haar te ontvangen uurtarief van EUR 102,50 binnen drie dagen na ontvangst van betaling EUR 95,-- diende over te maken aan Tamanco. Daarnaast zijn Tamanco en Ram overeengekomen dat Tamanco recht had op een vergoeding van EUR 5,-- per uur voor administratieve ondersteuning.

2.4. Voor de door Tamanco in juni 2009 bij Shell uitgevoerde werkzaamheden heeft Tamanco op 8 juli 2009 een bedrag van EUR 21.982,28 inclusief BTW aan Ram gefactureerd (bestaande uit het honorarium van Tamanco ter hoogte van EUR 23.203,51 verminderd met de vergoeding voor administratieve ondersteuning ter hoogte van EUR 1.221,23 inclusief BTW). Op basis van deze factuur heeft een Ram een factuur verzonden aan Source ter hoogte van EUR 25.035,37. Deze factuur is door Source aan Ram betaald. Ram is op 11 augustus 2009 in staat van faillissement verklaard en heeft het aan Tamanco toekomende honorarium niet aan Tamanco overgemaakt. Tamanco heeft haar vordering met betrekking tot juni ter verificatie bij de curator van Ram ingediend.

2.5. Voor de door Tamanco in juli 2009 bij Shell uitgevoerde werkzaamheden heeft Tamanco na 11 augustus 2009 (ingangsdatum faillissement Ram) een bedrag van EUR 27.497,93 aan Ram gefactureerd. Bij brief van 18 augustus 2009 werd Tamanco door de curator van Ram meegedeeld dat de vorderingen van Ram die voortkomen uit de overeenkomst tussen Ram en Source zijn verpand aan Rabobank. Tamanco heeft Source tot betaling aangesproken maar zij heeft betaling geweigerd omdat zij niet weet aan wie zij bevrijdend kan betalen.

2.6. In artikel 1 lid 3 van de raamovereenkomst (tussen Source als opdrachtgever en Ram als opdrachtnemer) is het volgende bepaald:

Waar in deze overeenkomst over de Opdrachtnemer en/of Partijen wordt gesproken, gelden de bepalingen die zich naar hun aard daartoe lenen in gelijke mate voor de namens de Opdrachtnemer ingezette Deskundige(n).

2.7. In artikel 16 lid 2 van de raamovereenkomst is het volgende bepaald:

Ieder blijvend geschil aangaande de totstandkoming, de uitleg en/of de uitvoering van de overeenkomst en/of Opdrachten zullen ter beslechting aan de daartoe bevoegde rechter te Utrecht worden overgelegd.

2.8. Tamanco betoogt in de hoofdzaak primair dat hij op grond van de artikelen 6:253 en 6:254 Burgerlijk Wetboek (BW) partij is geworden bij de raamovereenkomst en de opdracht tussen Source en Ram, wegens aanvaarding van het derdenbeding in artikel 1 lid 3 van de raamovereenkomst. Onder verwijzing naar andere, niet in dit vonnis weergegeven, bepalingen in de raamovereenkomst stelt Tamanco dientengevolge een rechtstreeks vorderingsrecht op Source te hebben ter vergoeding van de door haar in juli 2009 bij Shell uitgevoerde werkzaamheden.

2.9. In het kader van het incident voert de Rabobank aan dat de rechtbank Utrecht onbevoegd is om over dit geschil te oordelen, nu Rabobank haar vestigingsplaats heeft in het arrondissement Amsterdam, Source in het arrondissement Arnhem en artikel 1 lid 3 van de raamovereenkomst volgens haar geen derdenbeding is in de zin van genoemde wettelijke bepalingen, waarop zich zou kunnen beroepen. Tamanco betoogt onder verwijzing naar artikel 1 lid 3 en artikel 16 lid 2 van de raamovereenkomst dat de rechtbank wel bevoegd is, nu zij artikel 1 lid 3 heeft aanvaard.

2.10. De rechtbank overweegt als volgt. In het eerste lid van artikel 6:253 BW is bepaald dat een overeenkomst voor een derde het recht schept een prestatie van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt. Tamanco is een marketingdeskundige die op grond van de raamovereenkomst namens Ram is ingezet. Hiermee is Tamanco een deskundige in de zin van artikel 1 lid 3 van de raamovereenkomst. Op grond van deze bepaling gelden de overige bepalingen in de raamovereenkomst ook voor de namens Ram ingezette deskundigen, indien die bepalingen zich naar hun aard daartoe lenen. Voor elke bepaling afzonderlijk is dit dus een kwestie van uitleg. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 16 lid 2 van de raamovereenkomst een bepaling die zich naar zijn aard ertoe leent om ook voor Tamanco te gelden, omdat Tamanco stelt op grond van de raamovereenkomst een rechtstreeks vorderingsrecht op een van de bij die overeenkomst betrokken partijen (Source) te hebben en dit een geschil betreft over de uitleg van die overeenkomst. De raamovereenkomst schept voor Tamanco als derde dan ook in ieder geval het recht om jegens Source een beroep te doen op artikel 16 lid 2, zodat zij gerechtigd is het geschil over de uitleg van de raamovereenkomst aan de rechtbank Utrecht voor te leggen. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen tegen Source en Rabobank is de rechtbank Utecht op grond van artikel 107 Rv ook bevoegd ten aanzien van Rabobank, zodat de incidentele vordering zal worden afgewezen. Of de overige bepalingen in de raamovereenkomst ook voor Tamanco gelden, zoals Tamanco betoogt en Rabobank betwist, zal in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld.

2.11. Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt Rabobank in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00,

3.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 december 2010 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2010.?